Selecteer een pagina

1 Samuël 22:1-4 vertelt ons, hoe David op zijn vlucht voor koning Saul in de spelonk van Adullam terechtkwam. Hij was reeds tot koning gezalfd, doch de tijd om zijn koningschap te aanvaarden, was nog niet rijp. Bij hem, in zijn vernedering, voegde zich ieder die in moeilijkheden verkeerde, ieder die een schuldeiser had, ieder die verbitterd was. David was hun aanvoerder, zij woonden met hem in de spelonk.
David is hier een type van de Heer Jezus. “Met heerlijkheid en eer hebt Gij Hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder Zijn voeten onderworpen …. doch NU zien wij nog NIET, dat Hem alle dingen onderworpen zijn”, zegt Hebreeën 2:7-8. Nog heeft Hij Zijn koningschap niet aanvaard. De wereld houdt geen rekening met Hem.
Alleen wij, die als verloren zondaars, als mensen die in moeilijkheden verkeerden, tot Hem kwamen en Hem in geloof als Zaligmaker aannamen, kunnen Hem met het oog des geloofs zien als de verheerlijkte Christus. Zoals Hij in deze wereld niet meetelt, tellen ook wij niet mee.
Wij, die Hem liefhebben, die het nieuwe leven willen leven in en door Hem, worden door de christelijke wereld niet begrepen en geacht. Nog is het niet de tijd van de openbaring van Zijn heerlijkheid (2 Thessalonicensen 1:7-8). Ook voor ons is het nog niet de tijd om als christen openbaar te worden. Integendeel, in Kolossensen 3:3 zegt Gods Woord dat ons leven MET Christus VERBORGEN is in God.
De christelijke godsdiensten hebben zich nu reeds een plaats in de wereld veroverd. Zij, die in en door Christus willen leven, wier geloofsleven Hem tot doel heeft, bevinden zich met Hem “in de spelonk van Adullam”. BUITEN de legerplaats, Zijn smaadheid dragen (Hebreeën 13:13), dat is het deel van elk kind van God dat door Gods Geest het nieuwe leven beleeft en dat zich in gehoorzaamheid buigt voor het Woord.
De vrede van Christus in ons hart laten heersen, alles wat wij doen in woord en werk, doen in de Naam van de Heer Jezus, God de Vader dankende door Hem (Kolossensen 3:15,17). Dat is Gods wil met ons.

Lezen: Kolossensen 3:1-3