Selecteer een pagina

Psalm 94:9: “Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? Zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?”, vraagt de psalmist als hij op de ongerechtigheid van de mens ziet. Ook in Male├íchi 3:13-16 wijst het Woord erop, dat God wel degelijk de ongerechtigheid ziet. De HEERE merkt er toch op, zegt vers 16.
In Psalm 73 vinden we dit probleem ook. Vers 12: “Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen”. “Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte”, zeggen vers 16 en 17 verder. Daar in Gods heiligdom vond hij de oplossing van het probleem. Daar leerde hij zingen: “Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uwen raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen” (vers 23,24,28).
“O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!”, zong David in Psalm 31:20. Op Hem te vertrouwen, Zijn nabijheid, Zijn vrede te smaken, hoeveel gaat dit niet alle aardse rijkdom te boven!
Ons, die in Christus geloven, geldt het Woord: “Genade zij u en vrede van God onze Vader, en van de Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou UIT de tegenwoordige boze wereld (eeuw), naar de wil van onze God en Vader” (Galaten 1:3-4). Is dit niet oneindig groot en heerlijk?
Niet meer bij deze wereld te behoren, doch burgers te zijn van een rijk in de hemelen, waaruit wij onze Heere Jezus Christus als Zaligmaker verwachten (Filippensen 3:20). Ons reeds in dit leven, hoe de omstandigheden ook zijn, te mogen verlustigen in Zijn genade en vrede, overvloedig over ons uitgestort in Christus, onze Heer. Nu, in deze genadetijd rekent God de wereld haar boosheid niet toe, doch biedt haar verlossing in Jezus Christus aan (2 Korinthe 5:19). Eens komt de tijd voor de mens, die Christus afwees, dat God zijn daden in het gericht zal brengen (Openbaring 20:11-15).

Lezen: Psalm 73:12-17, 23-28