Selecteer een pagina

Als wij ons verdiepen in de Persoon van Christus Jezus, onze Heiland, komt er aanbidding in ons hart. Hij is zo onovertrefbaar, welk een genade is het Hem te kennen als onze persoonlijke Verlosser en Zaligmaker. Dat is groot en wonderbaar. Echter, Hem te kennen als onze Heer en Meester, in en door Hem te leven, gaat alles te boven.
“Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller creaturen. Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem” (Kolossensen 1:15-17).
Het is of Gods Geest geen woorden genoeg kan vinden om ons de grootheid en de majesteit van Christus te laten zien.
Wij hebben er ook geen besef van, welke zichtbare en onzichtbare machten en heerschappijen er in het heelal zijn.
Wij kunnen ons slechts in aanbidding neerbuigen voor Hem, Christus Jezus de Heer, Die vóór alles is en in Wie alle dingen bestaan.
Niet alleen is Hij de Eerstgeborene der ganse schepping, Hij is ook het Begin, de Eerstgeborene uit de doden.
Dit is voor ons het allergrootste, het allerheerlijkste, dat Hij, deze God van alle eeuwigheid, MENS is geworden om de Eerstgeborene uit de doden te kunnen zijn.
Door het bloed, dat Hij op het kruis stortte, heeft Hij vrede gemaakt en heeft Hij tot Zich verzoend, de dingen, die op de aarde zijn, en de dingen, die in de hemelen zijn (Kolossensen 1:18-20).
Door Zijn opstanding uit de doden heeft Hij de dood te niet gedaan en het leven en onverderfelijkheid aan het licht gebracht (2 Timotheüs 1:10). De Heere Jezus zegt in Johannes 6:47: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven”. Wie zijn wij, dat wij zulk een Heer mogen liefhebben, met Hem door het leven mogen gaan! Voor eeuwig opgenomen in de Goddelijke liefde, in Christus onze Heer, uit louter genade om Zijns Naams wil!

Lezen: Kolossensen 1:13-20