Selecteer een pagina

De Bijbel spreekt dikwijls over de hoop van Gods kinderen. Als deze hoop ons wordt voorgesteld als een blijde verwachting, heeft het verwachten de betekenis van: er met reikhalzend verlangen naar uitzien. De hoop in Gods Woord heeft niet een element van onzekerheid in zich. Integendeel. Hoop is een anker der ziel, dat zeker en vast is, zegt Hebree├źn 6:19.
Hoop is gegrond op geloof, want: “Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt” (Hebree├źn 11:1).
1 Korinthe 13:7 zegt over de liefde: “Zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen”. Hoop wordt uit liefde geboren. God schonk ons zoveel heerlijkheid waarop wij onze hoop mogen vestigen.
Het sterven, ons heengaan naar de Heer, wordt ons nimmer als onze hoop voorgesteld. De dood brengt ons eenvoudig bij de Heer.
Onze heerlijkste hoop is: het uitzien naar het grote ogenblik, dat Christus Jezus onze Heer zal verschijnen in heerlijkheid.
“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus” (Filippensen 3:20). Wij wachten ook op de verlossing van ons lichaam, want zo zegt Filippensen 3:21: “Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen”.
Hoe wonderbaar heerlijk is dit facet van onze hoop. Ook 1 Korinthe 15:50-58 en 1 Thessalonicensen 4:15-17 spreken erover. In een punt des tijds zullen zij, die in Christus ontslapen zijn, onvergankelijk opgewekt worden. Ons sterfelijk lichaam doet dan onsterfelijkheid aan en we gaan de Heer tegemoet in de lucht om eeuwig bij Hem te zijn. God heeft Zijn licht doen schijnen in onze harten om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus. “Maar wij hebben deze schat in aarden vaten” (2 Korinthe 4:7), dat is in een broos, nog niet verlost lichaam.
Wat zal het zijn, als wij Hem gelijk zullen zijn en Hem zullen zien gelijk Hij is (1 Johannes 3:2).

Lezen: 1 Johannes 3:1-3