Selecteer een pagina

Toen de Heer Jezus geboren was, hebben de engelenscharen gezongen: “Ere zij God in de hoogste, en vrede op aarde in mensen des welbehagens” (Lukas 2:14 letterlijk).
In Hebreeën 10:7 lezen we, dat de Heer Jezus heeft gezegd: “Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!”
Zijn komst op aarde had in de eerste plaats tot doel, Gods Naam groot te maken en Hem volkomen genoegdoening te geven voor de smaad Hem door de zonde aangedaan.
Het leven van Jezus Christus was één grote manifestatie van volmaakt geloof, volmaakte liefde, volmaakte gerechtigheid en gehoorzaamheid aan Zijn God. Het liep uit op de dood des kruises, waar Hij tot zonde werd gemaakt.
Het bewijs van dit geweldige, heerlijke, voor ons niet te omvatten feit is, dat Jezus Christus is opgewekt uit de doden en nu zit aan Gods rechterhand in de hemelen.
Nu dit grote werk der verlossing volbracht is, kan God de mens Zijn vrede en Zijn welbehagen uit vrije, pure genade aanbieden.
“Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende” (2 Korinthe 5:19).
Wie in Hem gelooft als de Christus Gods, wordt verheven tot hemelburger, ja, wordt rechtvaardigheid Gods in Christus (2 Korinthe 5:21).
Zonde is het probleem niet meer. Het gaat nu alleen om Jezus Christus.
Hem geloven is leven, Hem niet geloven is: blijven in de slavernij van de zonde en dood. “Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods BLIJFT op hem” (Johannes 3:36).
Eens, als deze tijd van genade, van Goddelijke amnestie voorbij is, zal God de mens die niet gelooft, ter verantwoording roepen (Openbaring 20:11-13).

Lezen: Lukas 2:8-20