Selecteer een pagina

Gods Woord spreekt dikwijls over verborgen dingen en verborgen leven. Deuteronomium 29:29 zegt: “De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet”.
“Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland”, lezen we in Jesaja 45:15. Zo was het ook. God kon Zichzelf nog niet ten volle openbaren.
Hoewel de wet en de profeten van Hem getuigd hebben, bleef Zijn Wezen een verborgenheid.
“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard” (Johannes 1:18).
Jezus Christus, de God van alle eeuwigheid, het eeuwige Woord, is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (Johannes 1:14).
Hij moest mens worden om de mens de heerlijkheid en de grootheid van Gods liefde en genade voor Zijn gevallen schepsel te tonen. Hij heeft ons Gods Wezen doen zien. Zijn onpeilbare liefde en genade die gegrond zijn op Goddelijk recht.
“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven” (Johannes 1:12). Dat is het wonder van de verlossing in Christus Jezus. Het is de openbaring van Gods gerechtigheid, liefde en genade, waarnaar de profeten eeuwen lang hebben uitgekeken.
Ook de engelen waren begerig om te zien op welke wijze God, triomferend over zonde en dood en satan, de mens zou verlossen (1 Petrus 1:12).
In Kolossensen 2:2 wordt Christus de Verborgenheid Gods genoemd. Hij heeft reeds vóór de schepping gezegd: “Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God” (Hebreeën 10:9).
Hij is die wondere Verborgenheid van God, in en door Wie Gods gerechtigheid, Gods liefde en genade tot openbaring konden komen. In en door Wie God volkomen genoegdoening ontving voor de smaad Zijn heilige Naam door de zonde aangedaan.

Lezen: 1 Korinthe 2:6-10