Selecteer een pagina

“Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der zoonstelling, door Welken wij roepen: Abba, Vader! Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn” (Romeinen 8:15-16).
Vóórdat wij in Christus geloofden en kinderen Gods werden, waren wij in slavernij. Wij waren geketend aan de zonde en niet in staat te leven zoals een heilig God dat eiste. Wij waren zondaars van nature en konden niet anders doen dan overeenkomstig onze natuur leven. Wij waren onderdanen van het rijk des doods en der duisternis, waarvan satan heer is.
Jezus Christus heeft ons vrijgemaakt. Vrijgemaakt van de zonde en wij zijn in dienst van God gekomen (Romeinen 6:22).
Hij heeft ons verlost van de dienstbaarheid des doods. Door Zijn dood heeft Hij satan onttroond, namelijk te niet gedaan (Hebreeën 2:14-15). Wij zijn nu vrij, WAARLIJK vrij, omdat Christus de Zoon ons vrijgemaakt heeft (Johannes 8:36).
Wij zijn niet van de ene dienstbaarheid in de andere terechtgekomen, doch staan thans in de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods (Romeinen 8:21).
Wij ontvingen de Geest van het zoonschap en mogen God in Christus “Vader” noemen. Wij mogen als kind in Zijn Huis verkeren. Geen dienstbaarheid om opnieuw te vrezen, zoals we vroeger deden. Gods Geest in ons hart getuigt dat we kinderen Gods zijn. Zulk een Vader te hebben, die ons liefheeft met dezelfde, onuitsprekelijke liefde, waarmede Hij Christus, Zijn eniggeboren Zoon liefheeft (Johannes 17:23).
En dat alles is mogelijk geworden door het grote werk der verlossing dat Christus heeft volbracht. In Hem ligt deze zaligheid, deze grote, Goddelijke genade ten aanzien van ons, voor eeuwig vast.
Hoe vinden we ooit woorden genoeg om uit te drukken wat wij in Christus Jezus hebben gevonden? “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven” (Johannes 1:12). 1 Johannes 3:1: “Ziet, hoe grote LIEFDE ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden en wij zijn het ook”. Welk een liefde in Christus onze Heer!

Lezen: Romeinen 8:14-17