Zonde tot de dood en zonde niet tot de dood

(In dit artikel wordt gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling.)

De vraag die nogal eens gesteld wordt is: Wat is zonde tot de dood? Deze vraag wordt meestal gekoppeld aan de vraag: Wat is de zonde tegen de Heilige Geest? Er zijn gelovigen die bang zijn deze zonde begaan te hebben. Zij worden hopelijk door dit artikel gerust gesteld. Johannes schrijft over "zonde tot de dood", maar zonder uit te leggen wat dit eigenlijk is.
Hij gaat er blijkbaar van uit dat dit bekend is. Hij schrijft het volgende:

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. Elke ongerechtigheid is zonde; en er is zonde die niet tot de dood leidt. Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem.* (1 Johannes 5:16-18)

* De Bijbelvertaling van Palm zegt : "de boze kan zich niet van hem meester maken"

In bovengenoemd tekstgedeelte stelt Johannes drie dingen:
1. Er is zonde niet tot de dood.
2. Er is zonde tot de dood.
3. Wie uit God geboren is, zondigt niet.

Het lijkt wel of er in dit tekstgedeelte een tegenstelling staat. Enerzijds schrijft Johannes dat een broeder kan zondigen, tot de dood of niet tot de dood, en anderzijds dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt.
(Er zijn gelovigen die op grond van o.a. deze tekst beweren dat zij niet zondigen, omdat zij uit God geboren zijn.)

Voordat wij verder ingaan op het onderwerp "zonde tot de dood", moet er eerst vastgesteld worden of wij, gelovigen, nu wel of niet kunnen zondigen. Johannes schrijft in hoofdstuk 1 vers 8 en 9 dat wij zonde hebben (tegenwoordige tijd, aantonende wijs) en dat, als wij onze zonden belijden (erkennen), de Heere Jezus Christus ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. In hoofdstuk 2 vers 1 en 2 schrijft hij verder, dat als iemand van ons zondigt, wij dan een Voorspraak hebben bij de Vader, namelijk Jezus Christus, de Rechtvaardige, Die een verzoening is voor onze zonden. Hieruit blijkt dus dat de gelovige kan zondigen.

(Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijs ik u naar een artikel genaamd: 'Wij kunnen niet zondigen').

Hoe kan Johannes dan in hoofdstuk 5 vers 18 schrijven dat iemand die uit God geboren is niet zondigt? En al eerder in de brief schrijft hij:

Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broeder niet liefheeft. (1 Johannes 3:9-10)

Het antwoord op deze vraag ligt in de context van de beide verzen.
In hoofdstuk 5 vers 18 staat nog:

maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem
(of: kan zich niet van hem meester maken).

Hier staat dat als je uit God geboren bent, de duivel (de boze) je niet meer in zijn bezit kan krijgen. Als je een kind van God bent dan kan de duivel je niet meer tot een kind van hem maken. Je leeft niet meer onder de macht van de satan, maar onder de heerschappij van God. Je leeft niet meer in (of: onder de macht van) de zonde. Als gelovige zondig je nog wel, maar dat is niet meer je levenswijze. Je wilt God dienen en de zonden die je doet worden vergeven en God geeft het leven, zoals ook Johannes schrijft:

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven. (1 Johannes 5:16)

… als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons. Mijn lieve kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft: wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld. (1 Johannes 1:7-2:2)

In hoofdstuk 3 zouden we eigenlijk vanaf vers 4 moeten lezen.

Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; want de zonde is de wetteloosheid. En u weet dat Hij geopenbaard is om onze zonden weg te nemen; en zonde is er in Hem niet. Ieder die in Hem blijft, zondigt niet; ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend. Lieve kinderen, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is. Wie de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt vanaf het begin. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou. Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broeder niet liefheeft. (1 Johannes 3:4-10)

In vers 4 wordt gezegd dat wie de zonde doet, ook wetteloos is en in vers 8 staat, dat wie de zonde doet, van de duivel is, want de duivel zondigt vanaf het begin. Het gaat hier over mensen die onder de macht van de zonde zijn en eigendom van de duivel. Zij willen zich niet aan God onderwerpen en gehoorzamen. Zij zijn wetteloos. Wie uit God geboren is, die doet de rechtvaardigheid, want God is rechtvaardig. Hij/zij wil graag God dienen. En nogmaals: Als mens doet hij zonden, maar deze belijdt (erkent) hij en God vergeeft hem en reinigt hem van al zijn zonden.

Als Johannes dan in 1 Johannes 5 schrijft, dat wie uit God geboren is niet zondigt, en hij heeft net geschreven over zonde tot de dood, dan zou je eigenlijk moeten lezen:

Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt tot de dood. maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem (of: kan zich niet van hem meester maken). (1 Johannes 5:18)

Wie uit God geboren is, kan dus nog wel zondigen, want hij is nog steeds een aards en vergankelijk mens. Maar hij zal niet zondigen tot de dood. Hij/zij gelooft in de Heere Jezus Christus en is daarmee het eigendom van God geworden en heeft uit genade eeuwig leven ontvangen. Wie niet wil geloven in de Heere Jezus Christus, is of wordt daarmee het eigendom van de duivel, en is ten dode opgeschreven.

Hoe kan een broeder dan toch zondigen tot de dood?
Johannes geeft hier in zijn brief een duidelijk antwoord op.
Enkele uitspraken van Johannes:

Die zijn broeder haat, leeft in de duisternis:
Wie zegt dat hij in het licht is en zijn broeder haat, die is tot nog toe in de duisternis. Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en er is in hem niets dat anderen doet struikelen. Maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij heen gaat, omdat de duisternis zijn ogen verblind heeft. (1 Johannes 2:9-11)

Niet alle broeders zijn broeders:
Kinderen, het is het laatste uur; en zoals u gehoord hebt dat de antichrist eraan komt, zijn er ook nu al veel antichristen gekomen, waaruit wij weten dat het het laatste uur is. Zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij waren niet uit ons; want als zij uit ons geweest waren, dan zouden zij bij ons gebleven zijn. Maar het moest openbaar worden dat zij niet allen uit ons zijn. (1 Johannes 2:18-19)

Een gelovige die zijn broeder haat blijft in de dood:
Wij weten dat wij zijn overgegaan uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben; wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar; en u weet dat geen moordenaar het eeuwige leven blijvend in zich heeft. (1 Johannes 3:14-15)

Een gelovige die zijn broeder haat heeft ook God niet lief:
Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefhad. Als iemand zou zeggen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broeder haten, dan is hij een leugenaar. Want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moet liefhebben. (1 Johannes 4:19-21)

Iemand kan zich aansluiten bij een geloofsgemeenschap en wordt dan als broeder/zuster aangemerkt. Hij/zij zegt te geloven in Jezus Christus (Jezus de Gezalfde - Koning en Hoogepriester), maar uit zijn handelen blijkt dat hij/zij Christus niet wil volgen en gehoorzamen. Hij/zij heeft dan blijkbaar niet de Geest van Christus in zich en behoort Hem dus niet toe.

Als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem. (Romeinen 8:9)

En dit is het getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. (1 Johannes 5:11-12)

En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden. Hierdoor weten wij dat wij in Hem zijn. Wie zegt in Hem te blijven, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft. (1 Johannes 2:3-6)

Johannes schrijft hier in hoofdstuk 2 over "Zijn geboden". In hoofdstuk 3 geeft hij aan welke deze geboden zijn:
En dit is Zijn gebod: dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon, Jezus Christus, en dat wij elkaar liefhebben, zoals Hij ons een gebod gegeven heeft. En wie Zijn geboden in acht neemt, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan weten wij dat Hij in ons blijft, namelijk aan de Geest, Die Hij ons gegeven heeft. (1 Johannes 3:23-24)

Jezus zegt tegen de Joden, die Hem geloofden (die door ons als gelovigen en dus als broeders aangemerkt zouden worden), maar niet in de waarheid wilden blijven, dat de duivel hun vader is.

Jezus dan zei tegen de Joden die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen, en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken. (Johannes 8 vers 31)

U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen. Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet. (Johannes 8:44-45)

Uit de woorden van de Heere Jezus in Mattheüs 7 blijkt dat er mensen zijn die de Heere Jezus erkennen als Heer, in Zijn Naam wonderen hebben verricht, maar in de praktijk niet Hem, maar de wetteloosheid gediend hebben,:

Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgedreven, en in Uw Naam veel krachten gedaan? Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt! (Mattheüs 7:21-23)

In 1 Johannes 3 sprak Johannes ook al over wetteloosheid (zie eerder in dit artikel):

Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; want de zonde is de wetteloosheid. (1 Johannes 3:4)

Hierboven hebben we kunnen lezen dat er onder de gelovigen twee groepen zijn.

  1. Zij, die God liefhebben en Hem willen gehoorzamen. Als deze gelovigen zondigen, dan hebben zij een Voorspraak bij God, namelijk de Heere Jezus Christus, in wie zij geloven. Zij ontvangen vergeving voor al hun zonden.
  2. Zij, die God niet liefhebben en niet God dienen, maar zichzelf. Zij zijn wetteloos, want zij willen namelijk God niet gehoorzamen. Zij blijven niet in de Waarheid van Christus.

In deel II gaan we in op 'zonde tot de dood'.

KB