Zonde tot de dood en zonde niet tot de dood II

Deel II

(In dit artikel wordt gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling.)

In deel I hebben wij kunnen zien dat een gelovige, die uit God geboren is, wel kan zondigen, maar niet tot de dood.

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven. (1 Johannes 5:16)

Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt tot de dood. maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem (of: kan zich niet van hem meester maken). (1 Johannes 5:18)

De vraag is: Wat is 'zonde tot de dood'?

Johannes spreekt in zijn brief over leven in de duisternis en over het haten van de broeder en het niet in gemeenschap zijn met de Heere Jezus Christus (de Zoon niet hebben en niet in Hem zijn). Het gaat hier om mensen die zich gelovig (broeders) noemen, maar niet in het licht willen leven, niet de broeders willen liefhebben en niet in gemeenschap met de Heere Jezus Christus willen zijn.
Met eigen woorden gezegd: Door het bewust afwijzen van de genade van God, de woorden en het gezag van de Heere Jezus Christus, kom je automatisch onder de macht van de zonde en de duivel, met als gevolg de dood.

Hierover schrijft Paulus in zijn brief aan de Romeinen:
Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid? (Romeinen 6:16)

Ook Paulus spreekt van een bewuste keuze. Je dient de zonde of de gerechtigheid. Met als gevolg de dood of het leven:

Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere. (Romeinen 6:23)

Het gaat hier niet om het feit dat de gelovige nog zonden doet. Daarvoor is vergeving, omdat de Hee-re Jezus voor deze zonden gestorven is op het kruis van Golgotha. Als gelovige ben je door de Heere Jezus Christus vrijgemaakt van de zonde:

En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid. (Romeinen 6:18)

Als je echter niet in Zijn gemeenschap wilt zijn, d.i. Hem liefhebben, gehoorzamen en volgen, dan ben je buitengeworpen en ben je een slaaf van de zonde met als einde de dood.

Hierover schrijft Johannes in zijn evangelie:
Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen. Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen. Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn discipelen bent. (Johannes 15:5-8)

Over gehoorzaamheid schrijft hij in hetzelfde hoofdstuk:
U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied. (Johannes 15:14)
en:
Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt. (Johannes 15:17)

Ook hier in Johannes 15 schrijft Johannes in principe over 'zonde tot de dood'. Want wie niet in de Wijnstok blijft (Wie niet in Christus blijft), die wordt in het vuur geworpen en verbrandt.

Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. (Johannes 15:6)

Ook de Heere Jezus spreekt in principe over een ander soort 'zonde tot de dood' namelijk over de lastering van de Heilige Geest, waar geen vergeving voor is (de zonde tegen de Heilige Geest):

Voorwaar, Ik zeg u dat alle zonden de mensenkinderen vergeven zullen worden, en de lasteringen die zij ook maar uitgesproken zullen hebben; maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig en verdient het eeuwige oordeel. Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geest. (Markus 3:28-30)

Zoals in het begin van dit artikel al gezegd (zie deel I), kunnen de gelovigen, die bang zijn de zonde tegen de Heilige Geest begaan te hebben, gerust zijn. Een gelovige zal namelijk nooit zeggen dat de Heere Jezus Christus een onreine geest heeft of dat de Heilige Geest de aanvoerder is van de demonen, zoals dit in Mattheüs 12:24 staat:

Maar de Farizeeën hoorden dit en zeiden: Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen. (Mattheüs 12:24)

Deze woorden kunnen alleen maar uitgesproken worden door mensen die zich bewust tegen de Heere Jezus Christus gekeerd hebben. Zij zijn tegenstanders van de Heere Jezus (geworden). Een gelovige is iemand die de Heere Jezus heeft aangenomen als de door God gezonden Zoon van God en als zijn/haar Verlosser en Redder. Hij/zij leeft uit de genade van God en heeft eeuwig leven ontvangen.

Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen over de zonde tot de dood (zie hierboven Romeinen 6:16).
In de brief aan de Galaten spreekt hij tegen gelovigen, die vinden dat je alleen behouden kunt worden (eeuwig leven kunt ontvangen) als je de wet houdt en je laat besnijden. Hij zegt:

Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer met een juk van slavernij belasten. Zie, ik, Paulus, zeg u dat, als u zich laat besnijden, Christus u van geen nut zal zijn. En nogmaals betuig ik aan ieder mens die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de hele wet te onderhouden. U bent van Christus losgeraakt, u die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; en daarmee bent u uit de genade gevallen. (Galaten 5:1-4)

Lees in dit verband ook nog weer even:
Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. (Johannes 15:6)

Paulus zegt dus in Galaten 5 heel duidelijk, dat wie behouden denkt te worden op grond van het houden van de wet (dus op grond van iemands eigen prestatie), dat diegene dan niet meer onder de genade van God valt. Je stelt je buiten Christus. Christus heeft geen nut meer. Aan de Efeziërs schrijft hij:

Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen. (Efeze 2:8-9)

In de brief aan de Hebreeën schrijft hij:
(De brief zelf vermeldt niet aan wie en door wie deze is geschreven, maar men gaat er algemeen van uit dat de brief door Paulus aan gelovige Joden is geschreven.)

Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van de Heilige Geest, en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld, en die daarna afvallig worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken. Want de aarde die de regen indrinkt, die er dikwijls op valt, en die nuttig gewas voortbrengt voor hen door wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God. Maar de aarde die dorens en distels voortbrengt, is verwerpelijk en de vervloeking nabij, waarvan het einde tot verbranding leidt. (Hebreeën 6:4-6)

Paulus spreekt hier over mensen die afvallig worden, terwijl zij deel hebben aan de Heilige Geest en het Woord van God hebben geproefd. Daarmee kruisigen zij de Zoon van God opnieuw en maken Hem openlijk te schande. Het einde hiervan is de dood (verbranding).
Lees in Johannes 15 nog maar eens over de wijnstok en de rank:

Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. (Johannes 15:6)

In Hebreeën 10 schrijft hij:
Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ont-vangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstan-ders zal verslinden. Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? (Hebreeën 10:26-29)

Hier lezen wij over mensen die de kennis van de waarheid hebben ontvangen, maar die daarna willens en wetens zondigen. Ze waren geheiligd door het bloed van het verbond en hebben de bewuste keuze gemaakt om dit bloed onrein te achten, de Zoon van God te vertrappen en de Geest van de genade te verachten.

Een wedergeboren gelovige (iemand die uit God geboren is) zal dit nooit doen.

Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem. (1 Johannes 5:18)

Dan tenslotte nog Petrus.

Petrus schrijft hier over valse leraren.
Maar er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die heimelijk verderfelijke afwijkingen in de leer zullen invoeren. Daarmee verloochenen zij zelfs de Heere, Die hen gekocht heeft, en brengen zij een snel verderf over zichzelf. En velen zullen hen, door wie de weg van de waarheid ge-lasterd zal worden, op hun verderfelijke wegen navolgen. (2 Petrus. 2:1-2)

Deze leraren zijn gekocht door de Heere Jezus Christus, en toch verloochenen zij Hem en lasteren de weg van de waarheid. En velen volgen hen op hun verderfelijke weg. In de verzen 3 tot en met 18 worden nog een aantal dingen over deze mensen gezegd. Daarna vervolgt Petrus in vers 19:

Zij (de valse leraren) beloven hun (de volgelingen van deze leraren) vrijheid, terwijl zij zelf slaven van de verdorvenheid zijn; want door wie iemand overwonnen is, van hem is hij ook een slaaf geworden. Want als zij de besmettingen van de wereld ontvlucht zijn door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus, maar daarin opnieuw verwikkeld raken en daardoor overwonnen worden, dan is voor hen het laatste erger geworden dan het eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, nadat zij die hebben leren kennen, zich weer afkeren van het heilige gebod dat hun overgeleverd was. Maar hun is overkomen wat een waar spreekwoord zegt: De hond is teruggekeerd naar zijn eigen uitbraaksel en de gewassen zeug naar het rondwentelen in de modder. (2 Petrus. 2:19-22)

De valse leraren en hun volgelingen zijn eerst door de kennis van de Heere Jezus Christus de besmettingen van de wereld ontvlucht. Daarna zijn ze er weer in verwikkeld geraakt en er door over-wonnen. Petrus zegt dat deze toestand erger is, dan in de tijd dat ze nog geen weet hadden van het de gerechtigheid. Zij hebben het evangelie aangenomen en daarna zijn ze afvallig geworden. Hetzelfde beschrijft Paulus in Hebreeën 6 vers 4 tot en met 6 (zie hierboven).
Ook hier moeten we concluderen dat deze mensen een bewuste keuze gemaakt hebben tegen de Heere Jezus.

Judas schrijft over deze mensen:
Want er zijn sommige mensen binnengeslopen, die tot dit oordeel al lang tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandig-heid, en die de enige Heerser, God en onze Heere Jezus Christus, verloochenen. (Judas :4)

Samenvatting:

Zondigen tot de dood is o.a.:

  1. niet blijven in de waarheid (Johannes 8)
  2. niet in Christus blijven (Johannes 15)
  3. zich afkeren van de genade van Christus en terugkeren naar de wet van Mozes om daardoor behouden te worden (Galaten 5).
  4. afvallig worden, nadat je deel hebt gekregen aan de Heilige Geest en geproefd hebt van de Woord van God. (Hebreeën 6)
  5. willens en wetens zondigen (de Zoon van God vertrappen, het bloed van het verbond onrein achten, waardoor hij/zij geheiligd was, en de Geest van de genade smaden), na de kennis van de waarheid te hebben ontvangen (Hebreeën 10)
  6. de weg van de gerechtigheid kennen en zich daarna weer hiervan afkeren. (2 Petrus 2)
  7. wetteloos zijn (Mattheüs 7)
  8. het niet liefhebben, maar haten van de medegelovige (1 Johannes 3)
  9. slaaf van de zonde zijn (Romeinen 6)
  10. zeggen dat de Heilige Geest een onreine geest is (Markus 3)

Ik wil afsluiten met het volgende:
Gelovigen die uit God geboren zijn, zondigen niet tot de dood. De zonden die zij doen zijn door de Heere Jezus gedragen en verzoend op het kruis van Golgotha. Wie uit God geboren is, heeft eeuwig leven door het geloof van en in de Heere Jezus Christus.

Wij weten dat wij uit God zijn en dat de hele wereld in het boze ligt. Maar wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand heeft gegeven om de Waarachtige te mogen kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon, Jezus Christus. Die is de waarachtige God en het eeuwige leven. (1 Johannes 5:19-20)

Onze Heer heeft gezegd:
Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. Daarom zeggen wij met goede moed: De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen. Wat zal een mens mij doen? (Hebreeën 13:5-6)

Met de woorden van Paulus mogen wij daarop zeggen:
Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere. (Romeinen 8:38-39)

KB, 29 november 2013