Wij kunnen niet zondigen

Wel of niet zonde
De apostel Johannes schrijft in zijn 1e brief aan de broeders dat als iemand uit God geboren is, dat zo iemand niet kan zondigen:

Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, omdat Diens zaad in hem blijft; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is (1 Johannes 3:9).

Als we de tekst zo buiten de context beschouwen, dan lijkt deze tekst niet te kloppen met de praktijk van ons bestaan. Wij zijn immers uit God geboren doordat we Christus hebben aangenomen (Joh 1:12-13) en toch kunnen we niet stellen dat wij niet zondigen. Zelfs Johannes bevestigt in dezelfde brief dat wij niet zondeloos zijn in de praktijk:

Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons (1 Johannes 1:8).

Hieruit blijkt meteen dat als wij de conclusie trekken dat we geen zonde hebben, omdat we uit God geboren zijn, dat we dan liegen. En ook als we doorlezen in hst 1 en begin hst 2, blijkt heel duidelijk dat wij nog steeds zonden doen.

De zin ”en hij kan niet zondigen” lijkt hiermee in directe tegenspraak en vraagt om opheldering.

Onderscheid
De eerste opheldering moet gevonden worden in de context waarbinnen deze stelling geschreven is:

En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is. Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; en de zonde is de wetteloosheid. En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde. Ieder die in Hem blijft, zondigt niet; ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en Hem niet gekend.
Kinderen, laat niemand u misleiden. Wie de gerechtigheid doet, is rechtvaardig zoals Hij rechtvaardig is. Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt van het begin af. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken. Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet, omdat Diens zaad in hem blijft; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. Hierin zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel openbaar: ieder die de gerechtigheid niet doet, is niet uit God, en wie zijn broeder niet liefheeft (1 Johannes 3:3-10).

De hoop waar Johannes in vers 3 over schrijft is onze hoop op Christus gelijk te zijn bij Zijn wederkomst (1 Joh. 3:2, Fil. 3:21). En als we deze hoop hebben, dan reinigen wij onszelf. Dit is reinigen in de zin van heiligen en niet in de zin van vergeving van zonden. Het komt overeen met de woorden van Paulus die een aantal beloften van God opnoemt en daarbij schrijft:

Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van het vlees en van de geest, en de heiligheid volbrengen in de vrees van God (2 Korinthe 7:1).

Onze heiliging ligt verbonden met onze verwachting en wij zijn te herkennen aan het feit dat wij ons reinigen. In het derde hoofdstuk deelt Johannes twee hele duidelijke groepen in:

Zij die zondigen:

  • die hebben Hem niet gezien of gekend 
  • doen de gerechtigheid niet 
  • zijn uit de duivel.

Zij die niet zondigen:

  • blijven in Hem
  • doen de gerechtigheid
  • zijn uit God.

Johannes hanteert hier het principe van ”aan de vrucht herkent men de boom” en legt uit dat je aan het feit of iemand de gerechtigheid doet, kunt herkennen of diegene rechtvaardig is zoals Christus rechtvaardig is (vers 7 en 10). En we moeten onszelf niet laten misleiden hierin. Van wie iemand een kind is, is hierdoor openbaar (vers 10).

Vrij van de zonde
De zinsnede ”en hij kan niet zondigen” heeft duidelijk betrekking op onze praktijk en we worden op hierin onderscheiden van anderen, die wel zondigen. Om duidelijk te krijgen wat Johannes hier verstaat onder het zondigen, is het verhelderend om het evangelie van Johannes er naast te leggen, waar een principe uiteengezet wordt door de Heere Jezus in een gesprek met de Joden:

Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. Maar de slaaf blijft niet tot in eeuwigheid in het huis, de zoon blijft er tot in eeuwigheid. Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn (Johannes 8:34-36).

De Heere Jezus is geopenbaard om de zonde weg te nemen en om de werken van de duivel te verbreken. En Hij is de Zoon die ons vrijgemaakt heeft van de zonde te dienen, zodat we die niet meer slaaf zijn, maar werkelijk vrij zijn. Paulus schrijft hierover:

Laat dan de zonde niet regeren in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen. En stelt uw leden niet voor de zonde tot werktuigen van de ongerechtigheid, maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden, en uw leden voor God tot werktuigen van de gerechtigheid. Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade (Romeinen 6:12-14).

Paulus legt ons heel duidelijk voor dat de keuze aan ons om te kiezen waaraan wij ons beschikbaar stellen. Óf aan de zonde (ongerechtigheid), óf aan God (gerechtigheid). En Paulus licht het nog verder toe en schrijft:

Weet u niet, dat voor wie u zich als slaven stelt om te gehoorzamen, u slaven bent van hem die u gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? Maar God zij dank dat u slaven van de zonde was, maar van harte gehoorzaam bent geworden aan de inhoud van de leer waarin u onderwezen bent. En vrijgemaakt van de zonde bent u slaven van de gerechtigheid geworden (Romeinen 6:16-18).

Het is aan ons de keuze om te kiezen waaraan wij ons ter beschikking aan stellen en waar wij dus slaaf van zijn. Wij zijn vrijgemaakt van de zonde en wat mij moeten doen is ook zorgen dat we de zonde niet meer gehoorzamen. En Paulus belicht het nogmaals met de volgende woorden:

(Ik spreek menselijkerwijs, om de zwakheid van uw vlees.) Want zoals u uw leden hebt gesteld in slavernij van de onreinheid en de wetteloosheid tot de wetteloosheid, stelt nu zo uw leden in slavernij van de gerechtigheid tot heiliging. Want toen u slaven van de zonde was, was u vrij ten opzichte van de gerechtigheid. Welke vrucht had u dan toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is de dood. Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en slaven van God geworden, hebt u uw vrucht tot heiliging, en het einde het eeuwige leven (Romeinen 6:19-22).

Dezelfde twee categorieën die Johannes benoemt, komen ook bij Paulus aan bod. En het gaat Johannes niet om een broeder die eens een zonde begaat (want daarvoor zouden we bidden (1 Joh. 5:16)), maar hij doelt veel meer op ’t slaaf zijn van de zonde en dus waaraan wij onszelf ter beschikking stellen. Of je dient God, of je dient de zonde. En dat de keuze van “niet zondigen” bij ons ligt, blijkt ook in de slotwoorden van de brief, waar hij schrijft:

Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem. Wij weten dat wij uit God zijn en de hele wereld in het boze ligt (1 Johannes 5:18-19).

Iemand die uit God geboren is die zondigt niet, want hij bewaart zichzelf. De zinsnede “hij kan niet zondigen” moet dan ook verstaan worden als: “hij heeft de mogelijkheid om geen slaaf van de zonde te zijn en doet dat ook niet”. De keuze is aan ons, want door Christus zijn wij vrijgemaakt om de zonde niet meer te dienen en kunnen we nu God dienen. En mochten we dan een keer struikelen in onze wandel, dan is onze Verlosser ook onze Verzoening:

Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is het zoenoffer voor onze zonden; en niet voor onze zonden alleen, maar ook voor de hele wereld (1 Johannes 2:1-2).

Hem zij daarvoor de dank en eer!

Voor alle citaten uit de schrift is gebruik gemaakt van de Telos vertaling.

GB