Wanneer is de opname

 

Deel VII | Johannes 14

Al weer enige tijd geleden verscheen een serie over de vraag: ‘Wanneer is de opname?’ Hierin werd systematisch uiteengezet waarom de opname samenvalt met de fysieke wederkomst van de Heere Jezus. Dit heeft ook voor reacties gezorgd. Eén van de vragen die daarbij gesteld werd, is: ‘Hoe zit het dan met Johannes 14?

In Johannes 14 vertelt de Heere Jezus dat Hij zal terugkomen om zijn discipelen bij zich te brengen. Dit wordt door sommige leraren uitgelegd als bewijs dat de opname eerder plaatsvindt dan de wederkomst van Christus. Zij lezen hierin een wederkomst die voorafgaat aan de werkelijke wederkomst en dat de gelovigen bij die eerste wederkomst opgenomen zullen worden. Alle reden om Johannes 14 te bestuderen in het licht van wat de Bijbel nog meer schrijft over onze opname.

In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken. En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. En waar Ik heen ga, weet u, en de weg weet u (Johannes 14:2-4).

In dit tekstgedeelte vertelt de Heere Jezus aan Zijn discipelen dat Hij weg zou gaan en dat Hij een plaats ging voorbereiden voor hen. Op het moment dat Hij deze plaats in het Vaderhuis gereedgemaakt zou hebben, zou Hij terugkomen om Zijn discipelen tot Zich te nemen. Daardoor zouden de discipelen zijn waar Jezus is.

Hij legt hen daarbij uit dat zij wel weten waar Hij heengaat en dat zij zelf ook de weg erheen kennen, maar uit de reactie van de discipelen blijkt anders:

Thomas zei tegen Hem: Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten? Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien. Filippus zei tegen Hem: Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg. Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo’n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien? Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken. Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is, en zo niet, geloof Mij dan om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader (Johannes 14:5-12).

Op de vraag van Thomas volgt een duidelijk antwoord. Jezus legt uit dat Hij naar de Vader gaat en dat zij de Vader kunnen kennen door Hem. Daarbij legt Hij ook uit dat Hijzelf de weg is naar de Vader en dat zij Hem moeten volgen om bij de Vader te komen. Vervolgens vertelt de Heere Jezus wat Hij zal doen als Hij bij zijn Vader is.

En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht. En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe (Johannes 14:13-18).

De Heere Jezus legt eerst uit dat er een andere Trooster zal komen, namelijk de Heilige Geest. Deze zal bij de discipelen blijven tot in de eeuwigheid en zal ook in hen zijn. Dat deze belofte ook vervuld is aan de discipelen lezen wij in Johannes 20 en Handelingen 2.

Vervolgens legt de Heere Jezus uit dat Hij de discipelen niet als wezen zal achterlaten en dat Hij terugkomt. Dit is een belangrijke uitspraak in deze context, want dit is een herhaling van vers 3. In welke hoedanigheid komt de Heere Jezus dan terug naar Zijn discipelen? De Heere Jezus bedoelt dat Hij terugkomt in de persoon van de Heilige Geest. Als wij doorlezen, wordt dit nogmaals bevestigd.

Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar u zult Mij zien, want Ik leef en u zult leven. Op die dag zult u inzien dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u. Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, hem zal Mijn Vader liefhebben; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren (Johannes 14:19-21).

De Heere Jezus legt uit dat er een tijd zal komen dat alleen de gelovigen Hem nog zullen zien en dat Hijzelf in de gelovigen zal wonen. Hierin wordt duidelijk dat de Heere Jezus Zichzelf identificeert met de Heilige Geest. Deze gedachte komen wij veelvuldig tegen in het Nieuwe Testament, zoals bijvoorbeeld in Romeinen 8:

Maar u bent niet in het vlees maar in de Geest, als inderdaad Gods Geest in u woont; maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. Maar als Christus in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de Geest is leven vanwege de gerechtigheid. En als de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest die in u woont (Romeinen 8:9-11).

Paulus gaat er vanuit dat de Geest van God Dezelfde is als de Geest van Christus en dat Deze ook Christus Zelf is. Doordat Gods Geest in ons woont, is Christus in ons en zijn wij geen wezen, maar kinderen. Toch begrijpt Judas het nog niet en vraagt vervolgens:

Judas, niet de Iskariot, zei tegen Hem: Heere, hoe komt het dat U Zichzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Jezus antwoordde en zei tegen hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen. Wie Mij niet liefheeft, neemt Mijn woorden niet in acht; en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik bij u verblijf (Johannes 14:22-25).


De Heere Jezus legt dus uit dat de Vader en de Zoon in de discipelen komen wonen en dat Hij Zichzelf op die manier openbaart aan de gelovigen. Deze wederkomst van de Heere Jezus is vervuld bij uitstorting van de Heilige Geest. Sindsdien zijn wij geen wezen meer. 

In andere Schriftgedeeltes, zoals in Mattheus 24, spreekt de Heere Jezus ook over Zijn wederkomst, maar daarbij vertelt Hij expliciet dat iedereen er getuige van zal zijn. Deze wederkomst in heerlijkheid is een openbare wederkomst en zal in de toekomst nog plaatsvinden.

Hier in Johannes 14 gaat het om een wederkomst die verborgen is voor de wereld. In vers 20 maakt de Heere Jezus duidelijk dat als Hij in ons is, wij dan in Hem zijn. Dit is een bevestiging van vers 3, waarin Hij dit voorzegde.

En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.

Als de Heere Jezus bovenstaande vervuld heeft bij de uitstorting van de Heilige Geest, dan zijn wij, gelovigen, dus nu waar Hij is. Dit wordt op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament bevestigd:

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de overtredingen, met Christus levend gemaakt-uit genade bent u zalig geworden- en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemel gezet in Christus Jezus, opdat Hij in de komende eeuwen de alles overtreffende rijkdom van Zijn genade zou bewijzen, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus (Efeze 2:4-7).

De Heere Jezus vertelde dat er in het Vaderhuis vele woningen zijn. Dat wij daar nu zijn, wordt bevestigd door Paulus, die schrijft: 

Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (Efeziërs 2:19).

Huisgenoten betekent dat je bij het huis of bij het gezin hoort. Dat wij in Gods huis zijn, schrijft Paulus aan Timotheüs.

Maar als ik uitblijf, schrijf ik opdat je weet hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, de pilaar en grondslag van de waarheid (1 Timotheüs 3:15).

Wij leven dus nu in het huis van God (huis van de Vader). In de Hebreeënbrief wordt daarbij uitgelegd dat wijzelf de Hemel zouden binnengaan in de praktijk.

Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water (Hebreeën 10:19-22).

De Heere Jezus is de grote Priester over het huis van God en wij zouden zelf het heiligdom ingaan op de levende weg die Christus voor ons heeft ingewijd. Dit komt prachtig overeen met de woorden die de Heere Jezus sprak: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en Leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij.'

De Heere Jezus is naar de hemel gegaan en is in de Heilige Geest naar Zijn discipelen teruggekomen. Hij heeft de discipelen daarna tot zich genomen, omdat zij toegang kregen tot de Vader door diezelfde Heilige Geest (Efeze 2:18). Op deze manier ging in vervulling dat zij konden zijn waar Hij was. Hij was in hen en zij waren in Hem. Hijzelf is die weg naar de Vader ingegaan en omdat Hij die weg geopend heeft, konden zij Hem volgen op de levende weg.

Heeft dit dan geen betrekking op de opname zelf? Als wij kijken naar wat wij van de opname weten, dan komt dit niet overeen met Johannes 14.

Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terug brengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn (1 Thessalonicenzen 4:14-17).

Ten eerste valt hier op dat het over de wederkomst van de Heere gaat, waarbij er al gelovigen zijn ontslapen. In Johannes 14 gaat het over een wederkomst waarbij de gelovigen niet als wezen achtergelaten worden. Dit is dus duidelijk een andere soort wederkomst.

Ten tweede valt het hier op dat er niet staat dat de Heere komt om ons tot Zich te nemen, maar om de ontslapenen met Zich te brengen (vs15). Daarvoor gaan alle gelovigen de lucht in bij Zijn wederkomst. Die gedachte wordt bevestigd in het feit dat Paulus schrijft dat wij Hem tegemoet gaan (vs17). Als wij Hem tegemoet gaan, dan betekent dat dat wij daarna samen met Hem naar beneden komen.

Ten derde spreekt de Heere Jezus in Johannes 14 heel expliciet tot zijn discipelen. Hij geeft hen de belofte van Zijn wederkomst en het wonen in het Vaderhuis. Als dit pas na 2000 jaar vervuld moet worden, dan is deze belofte dus nooit vervuld aan de discipelen. Dat deze belofte specifiek over de discipelen gaat, blijkt ook uit Johannes 17, waar de Heere Jezus voor hen bidt en vraagt:

Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld (Johannes 17:24).


Het is veel logischer dat Johannes spreekt over de wederkomst d.m.v. de Heilige Geest dan over de nog te vervullen fysieke wederkomst. Juist bij de nog komende wederkomst, wordt er gesproken over de ‘Parousia’ en daarvan is al in eerdere artikelen aangetoond dat het over de openbaring aan de wereld gaat, waarbij wij met Hem geopenbaard worden (Kol.3:4).