Wanneer is de opname VI

Hoe zit het met de wederhouder?

In de eerdere artikelen is o.a. stilgestaan bij “de dag des Heeren”, “de toekomst van de Heere Jezus Christus” en “onze toevergadering tot Hem”. Juist deze drie termen komen samen terug in de 2e brief aan de Thessalonicenzen, waarna Paulus ingaat op de gebeurtenis die eraan vooraf gaat:

En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons (geschreven), alsof de dag van Christus* aanstaande ware (2 Thessalonicenzen 2:1-2).

In dit verband legt Paulus uit dat de “dag van Christus” niet eerder komt dan dat “de mens van de wetteloosheid” geopenbaard wordt, want hij vervolgt met:

Zijlijn

*De Statenvertaling heeft zich niet gebaseerd op de oudste grondteksten en in vers 2 van 2 Thessalonicenzen 2 staat “dag van Christus” i.p.v. “dag des Heeren”. In deel IV is aangetoond dat er geen verschil is tussen deze beide, maar voor de goede orde zou er “dag des Heeren” moeten staan.

**In vers 3 staat “mens der zonde (Harmatia)” waar andere vertalingen (HSV & NBG51), gebaseerd op oudere handschriften, hebben vertaald met “mens van de wetteloosheid (Anomos)” Deze tweede vertaling zal gehanteerd worden in dit artikel.

Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want (die(dag) komt niet), tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en (dat) geopenbaard zij de mens der zonde**, de zoon des verderfs; Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of (als God) geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? (2 Thessalonicenzen 2:3-5).

De openbaring van “de mens van de wetteloosheid” en het komen van “de afval” vangen beide aan voordat “de dag des Heeren” aanbreekt. Waar Paulus met “de afval” op doelt, blijkt uit zijn brief aan Timotheüs:

Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen (1 Timotheüs 4:1).

Dat er een sterke samenhang is tussen “de afval van het geloof” en “de openbaring van de “mens van de wetteloosheid”, blijkt ook uit de verzen 9-12 van 2 Thessalonicenzen 2. Deze “mens van de wetteloosheid” zal zitten in de tempel van God en zal zich vertonen als zijnde God. Paulus legt vervolgens uit dat er iets is wat deze “mens van de wetteloosheid” tegenhoudt:

En nu, wat (hem) wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, die hem nu wederhoudt, (die zal hem wederhouden), totdat hij uit het midden zal (weggedaan) worden (2 Thessalonicenzen 2:6-7).

Paulus heeft aan de Thessalonicenzen verteld wat deze “mens van de wetteloosheid” wederhoudt (terughoudt) en herinnert hen daaraan. Het grondwoord voor “wederhoudt” is “katecho” en wordt in andere schriftgedeeltes ook vertaald met “behouden”, “houden” en “ophouden”. Omdat het in dit verband gaat om een persoon is het illustratief om het volgende te citeren:

En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan (Lukas 4:42).

De vertaling geeft in dit verband “ophielden” en heeft dus de essentie van ergens door vastgehouden worden. De “mens van de zonde” wordt dus ook ergens door vastgehouden/teruggehouden. Het is daarmee voor de hand liggend dat het gebeurt door iets of iemand die zich op dezelfde locatie bevindt. Daarbij moet opgemerkt worden dat dit gedeelte in de Statenvertaling behoorlijk is aangevuld (de niet cursieve woorden) om het logisch te maken. Het woordje “opdat” is in de grondtekst het woordje “eis” en betekent “tot” of “tot in”. Het woordje “weet” is eigenlijk “zien”. Meer letterlijk vertaald staat ongeveer het volgende:

En nu, het vasthouden, ziet gij, tot het geopenbaard wordt, hem in zijn tijd. Want de verborgenheid van de wetteloosheid is al werkzaam; alleen het vastgehouden nu, totdat uit het midden zal worden (komen) (2 Thessalonicenzen 2:6-7 (letterlijke vertaling)).

Het vasthouden wordt als feit genoemd. Er wordt niet gezegd wie of wat dat vasthouden doet. “Hem in zijn tijd” slaat op de “zoon van de ongerechtigheid” die op zijn tijd geopenbaard wordt. De verborgenheid der wetteloosheid is werkzaam. Door het vasthouden komt er nog niets uit het midden van die werkzame wetteloosheid. Als het vasthouden ophoudt, zal de ongerechtige geopenbaard worden (zie ook vers 8).

Wat met zekerheid te stellen is, is dat “de mens van de wetteloosheid” vastgehouden wordt, totdat hij uit het midden gedaan zal worden. En dan zal hij geopenbaard worden. Paulus geeft geen duidelijk antwoord op wat of wie deze mens vasthoudt. En als de Bijbel het niet expliciet noemt, dan wordt er vaak invulling aan gegeven door theorieën. Dit blijven theorieën en zijn geen vaste grond voor leringen. Eén van de theorieën is dat satan zelf de wederhouder is. Deze gedachte wordt dan onderbouwd met vers 9, waarin staat dat de toekomst van de “mens van de wetteloosheid” zal zijn naar de bewerkstelliging van de satan. Het is aan de lezer om dit in de grondtekst van vers 9 na te zoeken.

Er zijn ook theorieën die deze verzen uitleggen alsof er zou staan dat de Gemeente “de mens van wetteloosheid” tegenhoudt van het openbaar worden, maar er is niets dat deze gedachtegang bevestigt. Het wordt zelfs tegengesproken in het navolgende vers, want daar staat:

En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en tenietmaken door de verschijning Zijner toekomst (2 Thessalonicenzen 2:8).

In dit vers staat dat de ongerechtige geopenbaard zal worden en dat hij dan vervolgens teniet gemaakt zal worden door de verschijning (epi’phaneia) van de toekomst (Parousia) van de Heere. In de eerdere artikelen is het reeds duidelijk geworden dat onze toevergadering pas zal zijn bij de toekomst (Parousia) des Heeren, omdat de opstanding van de “in Christus ontslapenen” zal zijn in Zijn toekomst en dat de andere gelovigen levend zullen overblijven tot Zijn toekomst (1 Korinthe 15:22-23, 1 Thessalonicenzen 4:15). Het is daarmee ook meteen duidelijk dat de Gemeente niet de terughouder is van “de mens van de wetteloosheid” in die zin dat de aanwezigheid van de gelovigen hem vasthoudt.

Reeds in deel IV (De dag des Heeren komt onverwacht) is aangetoond dat “deze dag des Heeren” tegelijk aanbreekt met “de toekomst des Heeren” en Paulus wijst erop dat “mens van de wetteloosheid” nog komt voordat “de dag des Heeren” aanbreekt (vers 2 en3). Wetende dat de Gemeente hier blijft tot “de toekomst des Heeren” (1 Thessalonicenzen 4:15) bewijst nogmaals dat de Gemeente niet de wederhouder kan zijn.

Paulus schrijft dat we ons niet moeten laten verschrikken, alsof die “dag des Heeren” aanstaande is. Hij onderbouwt dat niet door te zeggen: “dan zijn wij reeds opgenomen”. Nee, hij wijst op de tekenen van de tijd en benoemt wat eraan voorafgaat. De openbaring van de “mens van de wetteloosheid” voorafgaand aan de dag des Heeren werpt ook een licht op het waken dat we zouden doen ten aanzien van het aanbreken van de dag des Heeren (1 Thessalonicenzen 5:6). Naast dat de toekomst des Heeren aanbreekt om de “mens van de wetteloosheid” te verdoen, noemt Paulus in één adem ook Zijn verschijning. En dat is ook precies wat onze verwachting is:

Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus (Titus 2:13).

Wij verwachten de verschijning van de heerlijkheid van de Heere Jezus. Deze verschijning in heerlijkheid zal zijn in de dagen na de grote verdrukking en na de hemeltekenen:

Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen (zijn), zullen bewogen worden. En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid (Markus 13:24-26).

De “mens van de wetteloosheid” zal naar alle waarschijnlijkheid al aanwezig zijn in de dagen van de verdrukking over Judea (Markus 13:14), maar in elk geval in de dagen erna, want hij zal aanwezig zijn als de Heere Jezus terugkomt in heerlijkheid. Over deze ‘mens van de wetteloosheid’ schrijft Paulus dan nog verder:

(Hem, zeg ik), wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen; En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; Daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid (2 Thessalonicenzen 2:9-12).

Deze “mens van de wetteloosheid” zal zelf ook een toekomst (parousia) hebben en die aanwezigheid wordt bewerkstelligd door de satan. En dit zal gepaard gaan met krachten, tekenen en wonderen, maar dan wel wonderen van de leugen. En dit laatste doet vermoeden dat dit al tijdens de 70e week plaats zal hebben, omdat de Heere Jezus waarschuwt voor valse profeten in de dagen van de verdrukking:

En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen. (Markus 13:21-22).

Besluitend kan dus geconcludeerd worden dat onze opname zal zijn wanneer:
- De verdrukking in Judea geweest is (Markus 13:24-26)
- Er dagen zullen zijn als die van Noach (Lukas 17:26-30, 1 Thessalonicenzen 5:3)
- De “mens van de wetteloosheid” geopenbaard is met wonderen en tekenen (2 Thessalonicenzen 2:2-9)
- Er een afval van geloof gekomen is (2 Thessalonicenzen 2:3)
- De hemeltekenen gezien zijn (Mattheüs 24:29-30)
- De Heere Jezus nederdaalt van de hemel (1 Thessalonicenzen 4:16-17)
- De “in Christus ontslapenen” opgestaan zijn (1 Thessalonicenzen 4:16-17)
- Onze verandering plaats heeft gevonden (1 Korinthe 15:51-53)
- De toekomst des Heeren aanbreekt (1 Thessalonicenzen 4:15)
- De dag des Heeren aanbreekt (2 Thessalonicenzen 2:1-3)

Daarom moeten we waken en letten op de tekenen van de tijd en tegelijk blijven uitkijken naar dat moment waarop de Heere Jezus geopenbaard zal worden in heerlijkheid.

Een pracht van een vooruitzicht!