Wanneer is de opname V

Wij zullen verlost worden van de toorn

Wanneer er gesproken wordt over het tijdstip van de opname, is er altijd iemand die wijst op het feit dat wij verlost zullen worden van de toorn. En dat wij verlost zullen worden van de toorn is een feit. Maar het werpt ook meteen een aantal vragen op: “Slaat dit verlost worden op onze opneming nog vòòr het aanbreken van de toorn óf slaat het op het beschermen tijdens de toorn?” “Wat wordt er bedoeld met de toorn?”, “Is het toorn over Israël, de volkeren of individuen?” “Wanneer breekt de toorn aan?”. Belangrijke vragen in verband met de hoofdvraag van deze artikelenreeks.

Om een beeld te vormen over de toorn is ten eerste de context bepalend en één van de belangrijkste teksten waarin Paulus dit noemt, is de volgende:

Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn, want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven (Romeinen 5:9-10).

Het “behouden worden van” staat in het Grieks in de toekomende tijd en dat betekent dat wij in de toekomst verlost zullen worden van de toorn. We worden behouden vanwege het feit dat Hij leeft. Dit zegt op zich niets over het feit of ten tijde van de verlossing de toorn al aangebroken is of nog moet aanbreken. En dat het twijfelachtig is of wij verlost worden alvorens de toorn aanbreekt, blijkt uit een ander gedeelte waar “het verlossen van” wordt toegepast:

Zijlijn

Een andere tekst die vaak aangehaald wordt in verband met het feit dat wij verlost zullen worden van de toorn is de volgende:

Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen (Openbaring 3:10).

Ten eerste moet hier opgemerkt worden dat er gesproken wordt over het moment van verzoeking en niet over de toorn. Wanneer wij bedenken dat God niet verzoekt (Jakobus 1:13) en dat de toorn waarvan wij verlost worden wel degelijk van God lijkt te komen, is het logisch dat deze gebeurtenissen niet per definitie op hetzelfde moment plaatsvinden. En dat is een belangrijk punt om bij stil te staan. Het gaat erom dat we Schriftplaatsen in de juiste context zien, zodat we kunnen bepalen wanneer de opname zal plaatsvinden.

Uit de Schrift blijkt dat de “ure van de verzoeking” slaat op de periode dat de valse christussen en valse profeten zullen komen die vele wonderen en grote tekenen zullen doen en waarbij de uitverkorenen niet verleid zullen worden (Vergelijk 2 Thessalonicenzen 2:9-12 en Matthéüs 24:24). Dit zal plaatsvinden in de tijd vóór de wederkomst van de Heere Jezus.

Ten tweede wordt te snel uit deze tekst geconcludeerd dat wij in de hemel zullen zijn wanneer de ure van verzoeking komt. Er staat tweemaal bewaren (te’reo), namelijk hij die het Woord bewaard heeft die zal bewaard worden. Het is dus in de zin van bewaken/beschermen en niet in de zin van wegnemen. Het bewaren van de gelovigen komt op dezelfde wijze terug in het gebed van de Heere Jezus.

Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. [...] En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn, gelijk als Wij. Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. [...] Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze (Joh 17:6,11,12,15).

De Heere Jezus bidt voor Zijn discipelen die het Woord van God hebben bewaard. Hij heeft hen bewaard toen Hij met hen op aarde was en Hij vraagt Zijn Vader om hen te bewaren in Zijn Naam. Het gaat hierbij om een bewaren van de boze en daarbij wordt expliciet gesteld dat het niet gaat om een wegnemen uit de wereld. Nee, de Heere Jezus vraagt juist bescherming terwijl de discipelen hier op aarde blijven. Dezelfde grondwoorden uit Openbaring 3:10 voor “bewaren” en “uit“ worden hier (Johannes 17:15) vertaald met “bewaren“ en “van“ en duiden niet op een verandering van plaats, maar op bescherming.

En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matthéüs 1:21).

Exact dezelfde grondwoorden voor “behouden worden“ en “van” worden hier vertaald met “zalig maken” en “van”. Hier kan toch moeilijk van gemaakt worden dat het volk verlost zal worden alvorens hun zonden komen. Het feit dat het “hun zonden” zijn impliceert dat ze er deel aan hebben. In verband met het behouden worden van de toorn kan dus op grond van Romeinen 5:9-10 ook niet gesproken worden over het feit of men al dan niet deel heeft aan de toorn alvorens men verlost wordt. Hiermee wil niet meteen gezegd zijn dat wij eerst deel moeten hebben aan de toorn alvorens wij er van verlost kunnen worden.

Aangaande de toorn waarvan wij verlost worden, is het goed om aan te geven dat de Bijbel meerdere toepassingen kent van “de toorn“. Ten eerste slaat het op een emotionele beroering van boosheid die wij zouden afleggen (Kolossenzen 3:8). Ten tweede wordt het vertaald met straf die de overheid geeft aan overtreders van de wet (Romeinen 13:1-6). Ten derde wordt “de toorn“ genoemd die over de Joden is gekomen tot het einde (1 Thessalonicenzen 2:16) en die over het volk komt ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem (Lukas 21:23).

Het ligt voor de hand dat Paulus niet doelt op deze toepassingen wanneer hij schrijft over “de toorn“ waarvan wij verlost zullen worden. Een toepassing die de lading dekt is de volgende:

Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh 3:36).

Er is hier een verband tussen “het leven niet zien (verloren zijn)” en “de toorn van God die op een ongelovige blijft”. Dit staat tegenover de gelovigen die het eeuwige leven hebben (gered zijn). Uit het verband is op te maken dat de toorn van God niet op ons blijft en tevens is bekend dat we ervan verlost zullen worden in toekomst. Over de toekomstige toorn spreekt Paulus:

En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn. (1 Thessalonicenzen 1:10).

Wanneer men dit oppervlakkig leest, lijkt hier te staan dat de Heere Jezus uit de hemel zal komen om ons vervolgens te verlossen van de toekomende toorn. Maar het verlossen staat hier duidelijk in de tegenwoordige tijd en slaat dus op het werk dat de Heere Jezus nu aan ons doet. Het tijdstip van het aanbreken van deze komende toorn valt hierin niet noodzakelijk samen met het nederdalen van Gods Zoon.
 
In deel IV is reeds ingegaan op de dag des Heeren en dat deze pas zal aanbreken als de Heere Jezus nederdaalt van de hemel. Zijn dag en komst komen onverwacht voor de wereld in duisternis, maar niet voor ons die in het licht zijn. Wij worden opgeroepen om te waken in verband met deze dag:

Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn. Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:4-9).

Het “gesteld zijn tot toorn” komt overeen met “de toorn Gods blijft op hem” (Joh.3:36), namelijk voorbestemd zijn om verloren te gaan als men niet tot geloof komt. Dit staat tegenover “het gered worden”, oftewel “gesteld worden tot verkrijging van zaligheid”. Er lijkt een verband te zijn tussen “gesteld zijn tot toorn“ en “de dag des Heeren”. In verband met het oordeel over elk mens, beschrijft Paulus het als volgt:

Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden; Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek; Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek (Romeinen 2:5-10).

De toorn, waarvan wij verlost worden, is een toorn die van God komt en die alle mensen vergolden wordt die zich niet bekeerd hebben. Bij God is er geen aanname van de persoon, een ieder wordt geoordeeld. Degene die zich bekeerd hebben, ontvangen eeuwig leven, de ongehoorzame mensen wordt verbolgenheid en toorn vergolden. En dit in de dag van toorn, namelijk wanneer dit oordeel geopenbaard wordt. Dit zal zijn in de dag des Heeren, zoals aangegeven in deel IV. Dat de toorn van God komt in de dag des Heeren komt ook naar voren in het Oude Testament:

Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen. [...]Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns (Jesaja 13:9,13).

De toorn waar wij van verlost worden, blijkt de toorn van God over de mensheid te zijn (zie ook Jeremia 25:15 e.v.) Deze toorn komt nog een aantal malen voor in het Nieuwe Testament en dan met name in Openbaring:

En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams.Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan (Openbaring 6:16-17)?

Dat de Heere Jezus door God gesteld is om te oordelen staat in Handelingen 17:31. Wat hier kenmerkend is, is dat als de

Heere Jezus geopenbaard wordt (Hij zit nog op de troon), er gezegd wordt dat de grote dag van Zijn toorn gekomen is. Hieruit mag geconcludeerd worden dat “Zijn toorn” pas vanaf Zijn komst aanbreekt en niet daarvoor.

In Openbaring 11:18 wordt de toorn van God genoemd in verband met de laatste bazuin, maar daarbij is het niet expliciet vast te stellen dat dit tijdbepalend is. In Openbaring 14:10 wordt gesproken over de drinkbeker van Gods toorn die gegeven zal worden aan iemand die het beeld aanbidt. En hieruit mag geconcludeerd worden dat de toorn komt nadat het beeld opgericht is geworden (Openbaring 14:9).

In Openbaring 16:19 en 19:15 is “orge” (toorn) vertaald met gramschap. In het eerste schriftgedeelte slaat het op verderf dat over Babylon komt. In het tweede schriftgedeelte slaat het op het treden van de wijnpersbak door de Heere Jezus Die op het witte paard komt. Voor de gelovigen is er dan verlossing en voor de ongelovigen is er dan dood en verderf. In de eerste verzen van Jesaja 63 komen deze zaken prachtig bij elkaar. Daar wordt gesproken over wraak (dag der wrake). Toorn en wraak van de Heere worden ook synoniem genoemd in Romeinen 12:19 en een gedeelte waar Paulus deze wraak samen met het nederdalen van de Heere Jezus benoemt, is het volgende:

En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht; Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte, Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag (2 Thessalonicenzen 1:7-10).

Wanneer de Heere Jezus geopenbaard wordt, dan zal Hij met vlammend vuur wraak doen over de ongelovigen en zal hij wonderbaar worden in ons die geloven in die dag. Dat “met vlammend vuur wraak doen” is wat verstaan wordt onder de toorn waarvan wij verlost zullen worden. Op die dag wordt Hij verheerlijkt en wonderbaar in ons. Dit komt weer treffend overeen met het moment waarop wij veranderd zullen worden.

De toorn, waarvan wij verlost worden, komt pas over de mensheid wanneer de Heere Jezus nederdaalt en uit vergelijk met 1 Thessalonicenzen 4:13-18 mag geconcludeerd worden dat wij dan opgenomen worden. Dus het verlossen van de toorn lijkt wel degelijk een verlossen te zijn in de zin van dat we veranderd en opgenomen worden.

Ook als de dag des Heeren in ogenschouw genomen wordt als punt van aanbreken van de toorn, kan uit vergelijking tussen Joel 2:31 met Matthéüs 24:29 geconcludeerd worden dat de tijd van de toorn pas aanbreekt na de grote verdrukking in Judea. Dit is reeds behandeld in deel IV. Ook zal de openbaring van de zoon van verderf plaatsgehad hebben (2 Thessalonicenzen 2:3). Hierop wordt ingegaan in deel VI (Hoe zit het met de wederhouder?).

Concluderend kan gesteld worden dat op het moment wanneer de toekomende toorn aanbreekt, wij opgenomen zullen worden. Want beide gebeurtenissen volgen vrijwel direct op het nederdalen van onze Verlosser uit de hemel.