Wanneer is de opname IV

De dag des Heeren komt onverwacht

In deel I van deze artikelenserie is aangetoond dat “de toekomst des Heeren” een zichtbare aanwezigheid van de Heere Jezus in deze wereld betekent. Drie evangeliën geven een zeer uitdrukkelijke beschrijving van het feit dat deze komst niet verborgen zal zijn. Ter onderbouwing worden twee parallelgedeeltes geciteerd:

Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet,(hij) is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.
Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
(Matthéüs 24:26-27).
En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.
Want gelijk de bliksem, die van het ene (einde) onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.
(Lukas 17:23-24).

De (toe)komst van Christus wordt hier vergeleken met het schijnen van de bliksem aan de hemel. Er wordt mee benadrukt dat Christus niet in het verborgene zal komen. Bij het vergelijken van deze twee gedeeltes valt tevens op dat “de toekomst van de Zoon des Mensen” samenvalt met “Zijn dag”. De dag van de Heere Jezus zal dus aanbreken of is aangebroken wanneer Hij naar de aarde komt. En dit is niet het enige gedeelte dat hier op wijst, want Joël had over de dag des Heeren voorzegd:

De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt (Joël 2:31).

Joël benoemt de hemeltekenen die nog zullen komen voordat de dag van de Heere komt en deze hemeltekenen zullen ook komen voordat de Heere Jezus nederdaalt:

En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid (Matthéüs 24:29,30).

Beide “het nederdalen van de Heere” en “de dag van de Heere” zullen plaatsvinden in de dagen na de hemeltekenen. In deel I is uitgebreid ingegaan op “de toekomst des Heeren” en het “nederdalen van de Heere uit de hemel”. Paulus schrijft daarover in 1 Thessalonicenzen 4:15-17. In de vervolgverzen gaat hij dan ook logischerwijze in op “de dag des Heeren”.

Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve. Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte (vrouw); en zij zullen het geenszins ontvlieden; Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn (1 Thessalonicenzen 5:1-6).

Paulus achtte het niet nodig om aan de Thessalonicenzen uit te leggen aangaande de tijden en gelegenheden, want zij wisten dat de dag des Heeren zou komen als een dief in de nacht voor hen die in duisternis zijn.

Naast dat het aanbreken van “de dag des Heeren” wordt vergeleken met een dief, wordt de komst onze Heere Jezus ook vergeleken met een dief (Matthéüs 24:43; Lukas 12:39; Openbaring 3:3 en 16:15). En in al deze gedeeltes wordt opgeroepen om te waken, zoals Paulus ook doet in 1 Thessalonicenzen 5:6. De overeenkomst is wederom treffend en bevestigt dat de dag des Heeren samenvalt met Zijn komst.

Dat de dag des Heeren onverwacht zal komen is overduidelijk en het komt overeen met de Heere Jezus die ook onverwacht zal komen, hetgeen ook in de twee eerder genoemde gedeeltes aan de orde komt.

En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. (Matthéüs 24:37-39). En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; Maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen. Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.
(Lukas 17:26-30).

In deze vergelijking blijkt dat de “toekomst van de Heere Jezus” gelijk staat aan de “dag waarop Hij geopenbaard wordt”. De dag van Zijn openbaring zal net zo zijn als in de dagen van Noach en die van Lot, namelijk dat het leven gewoon zijn gang gaat en dat plots Zijn openbaring zal aanbreken. Paulus staat ook stil bij de openbaring van de Heere Jezus en beschrijft het oordeel dat daarbij plaats zal vinden:

En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht; Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Dewelken zullen (tot) straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte,wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag (2 Thessalonicenzen 1:7-10).

Ook Paulus koppelt de openbaarwording van de Heere Jezus aan het oordeel dat daarbij gepaard zal gaan en dat oordeel wordt in andere contexten uitgedrukt met de term “de dag des Heeren”. (Jesaja 13, Joel 2:1-17)
 
De mensen zullen de tijden niet herkennen en voor hen zal de komst en het oordeel van Christus dus compleet onverwacht zijn. Dit komt treffend overeen met de woorden: “het is vrede, vrede en geen gevaar” (1 Thessalonicenzen 5:3). Dit zal gezegd worden door hen die in duisternis zijn en niet door ons die in het licht zijn. Wij zijn niet in de duisternis dat die dag voor ons onverwacht komt, zoals Paulus betoogt (1 Thessalonicenzen 5:4). We zouden daarvoor letten op tekenen van de tijd (Matthéüs 24:33) en ons hart niet bezwaard laten worden (Lukas 21:34) en te allen tijde waken (Markus 13:33-37, 1 Thessalonicenzen 5:6).

Wanneer we de evangeliën naast 1 Thessalonicenzen 4 en 5 leggen, zien we daarin de volgende parallellen:

Evangeliën 1 Thessalonicenzen 4,5
- De toekomst van de Zoon des Mensen
- Het nederdalen van de Zoon des Mensen
- De dag van de Zoon des Mensen
- De toekomst des Heeren
- Het nederdalen van de Heere
- De dag des Heeren

Dat de Heere Jezus dezelfde is als de Heere wordt expliciet uitgesproken door Petrus:

Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, (namelijk) dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt (Handelingen 2:36).

Er staat “een Heere”, maar het woordje “een” staat niet in de grondtekst. En verderop blijkt ook dat de Heere Jezus gesteld is om het oordeel te brengen in de dag des oordeels.

Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij (daartoe) geordineerd heeft, verzekering (daarvan) doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft (Handelingen 17:31).

Dat de dag des Heeren de dag van het oordeel is, blijkt uit de vele contexten waarin deze term gebruikt wordt. De term “dag” slaat dan ook niet op een gewone dag, maar op het licht van een dag, waarbij verborgen zaken openbaar zullen worden. Aangezien de hemel en aarde zullen voorbijgaan en de werken zullen verbranden in diezelfde onverwachte dag des Heeren (2 Petrus 3:10) is het overduidelijk dat dit een zeer lange periode bestrijkt, want het laatste van deze zaken zullen geschieden nadat de 1000 jaren geëindigd zijn (vergelijk Openbaring 20:7; 21:1).

Lukas schrijft over “de dag van de Zoon des Mensen” (Lukas 17:24). Paulus noemt “de dag des Heeren”(1 Thessalonicenzen 5:2), maar ook “den dag van onzen Heere Jezus Christus”(1 Korinthe 1:8), “den dag van den Heere Jezus” (1 Korinthe 5:5; 2 Korinthe 1:14), den dag van Christus (Filippenzen 1:10; 2:16) en ook den dag van Jezus Christus:

Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, (dat) voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (Filippenzen 1:6).

De dag van Jezus Christus is de dag waarop Hij het werk zal voleindigen wat Hij in ons begonnen is. Dat is logisch als dit het moment is waarop de Gemeente opgenomen wordt en tot op dat moment blijven er gemeenteleden levend en wel hier op aarde. Daarom schrijft Paulus dat wij hier levend overblijven tot de toekomst des Heeren (1 Thessalonicenzen 4:15). Dus ook op deze manier vallen de dag en de komst van de Heere Jezus samen.

De komst en de dag van de Heere Jezus komen onverwacht voor hen die niet waken en daarom zouden wij te allen tijde waken. En uit het bovenstaande blijkt dat Zijn dag aanbreekt ten tijde van Zijn komst. De Thessalonicenzen hadden de conclusie getrokken dat de dag des Heeren aanstaande was en dus elk moment kon aanbreken (2 Thessalonicenzen 2:1-8). Dat dit niet het geval is, legt Paulus uit in de 2e brief aan de Thessalonicenzen. Hier wordt op ingegaan in deel VI (Hoe zit het met de wederhouder?). In de dag des Heeren komt ook de toorn van God en van die toorn worden wij verlost. Hierop wordt ingegaan in deel V (Wij zullen verlost worden van de toorn).

Zijlijn

Paulus geeft als onderbouwing voor het feit dat de dag des Heeren als een dief in de nacht komt, de volgende omschrijving:

Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte (vrouw); en zij zullen het geenszins ontvlieden (1 Thessalonicenzen 5:3).

Sommige commentaren stellen dat dit uitgesproken zal worden in de dagen voor het aanbreken van de grote verdrukking, maar Paulus heeft het hier over de dag des Heeren. En zoals in dit artikel reeds is aangetoond, zal eerst de grote verdrukking afgelopen zijn (Matthéüs 24:29), daarna zullen de hemeltekenen volgen en dan zal pas de dag des Heeren aanbreken (Joël 2:31).

De uitspraak “vrede, vrede en geen gevaar” zal worden uitgesproken in de dagen na de grote verdrukking. Het wordt uitgesproken door hen die in duisternis zullen zijn. Ze zullen plotsklaps overvallen worden door het oordeel van de dag des Heeren. Ditzelfde beeld komt prachtig tot uitdrukking in Jesaja 13 en dan met name in vers 8.

Br. G. Boersma