Wanneer is de opname II

Deel II | Waarom gaan we Hem tegemoet?

Zoals al in deel I is aangetoond valt de toekomst des Heeren samen met Zijn nederdalen uit de hemel. De Heere Jezus zegt dat Zijn toekomst (Parousia) net zo zal zijn als de dagen van de Noach:

En gelijk de dagen van Noach (waren), alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen (Matthéüs 24:37-39).

Deze vergelijking met de dagen van Noach staat ook in Lukas 17. In plaats van “toekomst van de Zoon des Mensen” noemt Lukas het “de dag waarop de Zoon des Mensen geopenbaard (apoka’lupto) zal worden”.

En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen. Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; Maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen. Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden (Lukas 17:26-30).

Wanneer we deze parallelgedeeltes naast elkaar leggen, zien we dat de dag van de openbaarwording van de Heere Jezus samenvalt met Zijn toekomst. En dat geeft ook aan waarom de nieuwe vertalingen (NBG en HSV) Parousia vertalen met komst.
Wij verwachten daarom dan ook Zijn openbaring (1 Korinthe 1:7, 2 Thessalonicenzen 1:7) en Zijn nederdalen van de hemel (Filippenzen 3:20, 1 Thessalonicenzen 1:10). Dit komt dan ook overeen met wat in deel I is behandeld, namelijk dat wij hier blijven tot de toekomst des Heeren en dat wij Hem tegemoet zullen gaan als Hij nederdaalt (1 Thessalonicenzen 4:13-18).

Het zal in die dagen zijn als de dagen van Noach, namelijk dagen waarin het leven op aarde gewoon voortgaat en dat er plots een dag komt waarop de Heere Jezus geopenbaard wordt. Over deze openbaring schrijft Paulus:

Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kolossenzen 3:4).

En daarmee is direct duidelijk waarom wij Hem tegemoet gaan in de lucht, want wij zullen vervolgens met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Johannes vult daar op aan dat wij Hem dan gelijk zullen zijn:

Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als (Hij) zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is (1 Johannes 3:2).

En die gedachte komt ook terug in de woorden van Paulus:

Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, (namelijk) den Heere Jezus Christus; Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen (Filippenzen 3:20-21).

De Heere Jezus zal ons vernederde lichaam veranderen in een heerlijk lichaam. Deze tekst doet sterk vermoeden dat dit zal zijn ten tijde dat de Heere Jezus de doden (die in Christus ontslapen zijn) zal opwekken. Bevestiging van deze gedachte vinden we in de 1e Korinthebrief:

Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; In een punt des (tijds), in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden (1 Korinthe 15:51-52).

En daarmee stelt Paulus heel expliciet dat onze verandering samenvalt met de opwekking van de doden (die in Christus ontslapen zijn). Deze opstanding zal geen geleidelijk proces zijn. Dit zal in één moment gebeuren. In deel I is al vastgesteld dat 1 Korinthe 15:22,23 blijkt dat de opstanding zal zijn in de toekomst des Heeren en nu wordt duidelijk dat onze verandering op datzelfde moment zal zijn. Op dat moment zal ons vernederde, tijdelijke, aardse, vleselijke en sterfelijke lichaam veranderd worden in een verheerlijkt, eeuwig, hemels, geestelijk en onsterfelijk lichaam! Een pracht van een vertroosting.

We krijgen een verheerlijkte gedaante waarin wij Hem gelijk zullen zijn en in deze gedaante gaan wij Hem tegemoet om vervolgens met Hem in heerlijkheid geopenbaard te worden.

Onze opname zal daarom zijn nadat:
- De verdrukking in Judea is afgelopen
- De hemeltekenen gezien zijn
- Christus van de Hemel is nedergedaald
- De “in Christus ontslapenen” opgewekt zijn

Bij onze opname worden onze lichamen veranderd. Onze opname valt samen met het begin van de toekomst van Christus.

Als Christus wordt geopenbaard, gaan wij de Heere op dat moment tegemoet in de lucht om met Hem geopenbaard te worden. Dat is ook precies wat de schepping nu verwacht (Romeinen 8:18-23). In Matthéüs 24 en Lukas 17 staat geschreven dat er dan een plotselinge scheiding zal zijn van mensen. De ene zal het leven verliezen en de ander zal het leven behouden. Hij die het eigen leven liefheeft, zal het dan verliezen en hij die zijn eigen leven niet liefheeft, zal het behouden (Lukas 17:33). Deze stelling komen we vaker tegen en komt erop neer dat we ons kruis op ons moeten nemen en de Heere Jezus moeten volgen (Matthéüs 16:24). Wie die keuze gemaakt heeft, wordt op die dag gescheiden van diegenen die het leven zullen verliezen. Hij/zij is behouden en wordt dus met alle gelovigen opgenomen in de lucht. Paulus roept ons op om elkaar te vertroosten met dit vooruitzicht (1 Thessalonicenzen 4:18).