Wanneer is de opname I

Deel I | Wat zijn de kenmerken?

Als er één vraag belangrijk wordt genoemd onder gelovigen, met betrekking tot onze toekomstverwachting, dan is het: wanneer is onze opname? En het is dan ook niet verwonderlijk dat daar verschillende visies op zijn. Wanneer we echter kijken hoe vaak er over de opname gesproken wordt in de Bijbel met betrekking tot een tijdstip, dan zijn dat er niet veel. Er is één schriftgedeelte dat verschillende kenmerken noemt bij de opname, waardoor deze wordt betrokken op een tijdstip. Dit gedeelte wordt gevonden in de 1e Thessalonicenzenbrief, waar Paulus behandelt hoe het zal gaan met de ontslapenen:

Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, (weder) brengen met Hem.
Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden. (1 Thessalonicenzen 4:13-18)

Paulus wil de broeders in Thessalonica niet ontwetend laten wat betreft de broeders en zusters die reeds ontslapen waren. Want zij die in Christus ontslapen zijn, zullen met Christus gebracht worden. Dit is een enorme vertroosting, want wij hoeven dus niet bedroefd te zijn, omdat zij met Hem zullen komen. Paulus geeft hierbij nog een extra onderbouwing, door te stellen dat zij, die nog levend overgebleven zijn bij de toekomst van de Heere Jezus, niet eerder zullen gaan dan de reeds ontslapenen.

Dat de nog levend overgeblevenen niet eerder de Heere tegemoet zullen gaan dan de ontslapenen, zegt Paulus door het Woord van de Heere. Dit aspect was dus onbekend bij de Thessalonicenzen, terwijl Paulus schrijft dat hij expliciet met hen over de toekomstige zaken gesproken had (2 Thessalonicenzen 2:5, 1 Thessalonicenzen 5:1) toen hij bij hen geweest is. Bij hen leefde dan waarschijnlijk het idee dat de nog levend overgeblevenen de Heere tegemoet zouden gaan bij zijn komst en dat de opstanding van de ontslapenen later zou zijn. Paulus legt uit dat dit niet geval is.

Paulus vervolgt dan nogmaals met “want” (vs 16) en geeft een uitleg hoe dit dan in zijn werk zal gaan, namelijk dat bij het nederdalen van de Heere, de ontslapenen eerst zullen opstaan. Daarna zullen de nog levend overgeblevenen samen met hen de Heer tegemoet gaan in de lucht en dan zullen wij voor altijd bij Hem blijven.

Het tegemoet gaan van de Heere Jezus bij Zijn nederdalen wordt door Paulus genoemd: “opgenomen worden in de wolken”. En dit wordt onder gelovigen genoemd “onze opname” en daarbij is de vraag: “wanneer?”. En juist wat het tijdstip betreft heeft Paulus veel prijsgegeven, want hij heeft net de volgende zaken benoemd:

  • Opstanding van - de ontslapenen in de Heere -
  • Toekomst van de Heere
  • Nederdalen van de Heere

De opstanding van de ontslapenen en de toekomst van de Heere komen samen terug in de 1e Korinthebrief:

Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. (1 Korinthe 15:22-23)

De term “toekomst” wordt gebruikt in de oudere vertalingen en slaat op het feit dat de Heere Jezus ergens naar toe komt. Het is de vertaling van het Griekse woord “Parou’sia” dat betekent (1) ‘aanwezigheid, tegenwoordigheid’, en (2) ‘komst, aankomst’ (zie: http://www.studiebijbel.nl/PDF/parousia.pdf voor een uitgebreide uitleg). De Heere Jezus zal nederdalen van de hemel en daarmee naar de aarde komen en hier dan aanwezig zijn.

Zij, die van Christus zijn, zullen levend gemaakt worden in Zijn aanwezigheid. Dat Zijn aanwezigheid dan begonnen is bij de opstanding van de ontslapenen in Jezus, bleek ook al uit 1 Thessalonicenzen 4, waar Paulus uitlegde dat de Heere Jezus eerst nederdaalt en dat ze dan zullen opstaan (vs 16). Tevens had Paulus geschreven dat er Gemeenteleden levend overblijven tot de toekomst des Heeren (vs 15,17). Dat woordje “tot” is in de grondtekst het woordje “eis” en kan ook vertaald worden met “in, tot-in”. Uit de context van het vers en uit vergelijking met 1 Korinthe 15:22-23 zou vertaling met “tot-in” beter op zijn plaats zijn. Alles wijst erop dat de opname samenvalt met de toekomst (aanwezigheid) des Heeren.

In tegenstelling tot hoe het zou gaan met de ontslapenen, was de toekomst des Heeren wél bekend bij de Thessalonicenzen, want Paulus had dit tijdstip al tweemaal benoemd in deze brief (1 Thessalonicenzen 2:19 en 3:13) en hij had al uitgebreid met hen gesproken over deze zaken toen hij bij hen was, zoals hij zelf ook later schrijft (2 Thessalonicenzen 2:5, 1 Thessalonicenzen 5:1). Met het stellen dat er gelovigen overblijven tot de toekomst des Heeren, wisten de Thessalonicenzen wel tot wanneer dat zou zijn. En Paulus maakt het nog explicieter door ook het nederdalen van de Heere te benoemen, waarvan zij ook al wisten (1 Thessalonicenzen 1:10). Alleen het aspect van de ontslapenen is nieuw en wordt in een kader geplaatst. 

Om te bepalen wanneer onze opname in de lucht zal wezen, moeten we, naast het moment van de opwekking van de ontslapenen, dus kijken naar wanneer het nederdalen van de Heere Jezus plaatsvindt en wanneer Zijn toekomst aanvangt. De discipelen hadden de Heere Jezus al heel expliciet gevraagd wat het teken van Zijn toekomst (Parousia) zou zijn:

En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk (zal) het teken (zijn) van Uw toekomst, en van de voleinding  der wereld? (Matthéüs 24:3)

De Heere Jezus geeft vervolgens een heel uitgebreid antwoord op zaken die zullen gebeuren voordat Zijn toekomst aanbreekt. Eerst zou het beginsel van smarten komen, gekenmerkt door oorlogen, ziekten, hongersnoden en aardbevingen (Matthéüs 24:6-8). Tegelijk zouden wij (zie zijlijn) verdrukt en verleid worden in dezelfde tijd (Matthéüs 24:4-5,9-11).
En dan zal de gruwel der verwoesting komen die Daniël voorspeld heeft, en als wij dan in Judea zijn, moeten we maken dat we daar wegkomen. In die dagen zal een zo grote verdrukking zijn als nooit tevoren is geweest en als die tijd niet ingekort wordt, zal er geen vlees behouden blijven (Matthéüs 24:15-22).

Ook in de dagen van die verdrukking dan worden wij (zie zijlijn) nog steeds verleid door mensen die zeggen dat de Christus hier óf daar is. De Heere Jezus waarschuwt daarvoor en legt uit dat Zijn toekomst niet een verborgen aanwezigheid is:

Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet,( hij is) in de binnenkameren; gelooft het niet. Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen. (Matthéüs 24:26-27)

De Heere Jezus zegt dat Zijn toekomst (komst) zal zijn als een bliksem aan de hemel die zeer duidelijk waarneembaar is. En ter bevestiging dat dit gaat over Zijn komst legt de Heere Jezus nog expliciet uit dat Zijn nederdalen pas zal zijn als die verdrukking in Judea is afgelopen:

En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van (het ene) uiterste der hemelen tot (het andere) uiterste derzelve. (Matthéüs 24:29-31)


De Heere Jezus legt uit dat eerst de verdrukking ophoudt, dat daarna de hemeltekenen gezien worden en dat dan iedereen op aarde de Heere Jezus zal zien komen op de wolken (zichtbaar als een bliksem). Het is dus overduidelijk dat de toekomst des Heeren pas zal aanbreken in de dagen na die verdrukking. 

Beide kenmerken die we in 1 Thessalonicenzen 4 lazen in verband met de opname, de toekomst en het nederdalen van Christus, komen dus terug in Matthéüs 24. Ook het verzamelen van de uitverkorenen komt in beide gedeelten terug op hetzelfde moment. Het enige wat er in Matthéüs 24 niet genoemd was, is hoe het zal gaan met de ontslapenen en daar wordt in 1 Thessalonicenzen 4 dan op ingegaan.

Onze opname zal zijn na:

  • De verdrukking in Judea is afgelopen
  • De hemeltekenen gezien zijn
  • Christus van de Hemel is nedergedaald
  • De - in Christus ontslapenen -  opgewekt zijn
  • De toekomst van Christus is aangebroken

De ontslapenen worden met Christus gebracht (1 Thessalonicenzen 4:14). Uit de context blijkt duidelijk dat Paulus uitlegt dat Christus uit de hemel en in de lucht zal verschijnen. En dus zullen de ontslapenen dáár met Hem gebracht worden. De gelovigen die dan nog levend overgebleven zijn, zullen daarvoor samen met hen opgenomen worden in de lucht, Hem tegemoet. Dat wij Hem tegemoet gaan wijst erop dat Hij naar de aarde toekomt, anders had er gestaan dat Hij ons tegemoet zal gaan. Hier wordt op ingegaan in deel II (waarom gaan wij Hem tegemoet?).

Zijlijn
Sommige leringen achten dat omdat er naar Daniël verwezen wordt, Israël weer Gods volk is tijdens deze verdrukking en dat dit dus niet kan gaan over de tijd van de Gemeente. Vervolgens wordt er dan geconcludeerd dat de Heere Jezus meerdere malen zal nederdalen en dat er ook meerdere malen een openbaring en toekomst van de Heere zal zijn. Dit komt echter door een onjuiste conclusie over wanneer Israël weer Gods volk is, hier wordt in deel III (hoe zit het met Israël en de 70e week) op ingegaan.

Wat reeds opgemerkt kan worden is dat Matthéüs 24 niet een algemene profetie is, maar een persoonlijke profetie is voor de discipelen (vers 1), want van begin (vers 4) tot eind (vers 51) wordt er gesproken over: “gij”, “gijlieden”, “u”, “ulieden”. En met deze discipelen is de Gemeente begonnen (Vergelijk Markus 13:3 met Handelingen 2:14). Aan dezelfde discipelen was het gegeven om de verborgenheden van het koninkrijk te verstaan (Matthéüs 13:11), terwijl die aan het overige van Israël niet gegeven was. Zij vormden dan ook het gelovig overblijfsel uit Israël in onze dagen. En voor hen was deze boodschap. Omdat het spreekt over de tijd tussen Christus Zijn hemelvaart en wederkomst, is het dus ook voor ons, want wij zijn hun deelgenoten geworden. “Wij blijven levend over tot de toekomst des Heeren” (1 Thessalonicenzen 4:15)