Vrij van de zonde en de wet

(Er is gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling)

Als er Bijbelstudies worden gegeven, gebeurt dit vaak op grond van onderwerpen zoals:
Wat zegt de Bijbel over 'bekering', wat zegt de Bijbel over 'liefde', "wie was Jezus Christus', 'spreken in tongen', 'vervuld worden met de Heilige Geest', 'de Opname van de gelovigen', 'de wederkomst des Heren' enz. enz.
Men gaat dan de gehele (of een gedeelte van de) Bijbel door en citeert de teksten waarvan men vindt dat deze teksten bij het betreffende onderwerp horen. En men bewijst hiermee dan de juistheid van wat men onderwijst.
Op zich hoeft dit niet fout te zijn, als men maar de context waarbinnen de teksten geschreven zijn meeneemt in de bewijs-voering. En dit laatste gebeurt heel vaak niet. Het risico is dan dat de teksten wel passen in het onderwerp, dat behandeld wordt, maar dat uit de context van de Bijbelgedeelten, waaruit de teksten gehaald zijn, iets geheel anders blijkt. Kort geleden adviseerde ik een broeder om de brieven van Paulus, Petrus, Johannes en Jacobus eens gewoon door te lezen. Hij kwam tot de onthutsende ontdekking dat een groot aantal teksten in de context van de betreffende brief een andere betekenis hadden, dan hem altijd was geleerd in de Bijbelstudies. Onder de noemer van 'Schrift met Schrift vergelijking', hadden die teksten een eigen betekenis gekregen. Het was niet 'Schrift met Schrift vergelijking', maar 'tekst met tekst'. De teksten waren uit het verband gehaald, waarin deze geschreven waren.
Er wordt vaak gelezen vanaf een hoofdstuk of 'kopje' dat boven een Bijbelgedeelte staat, zonder te kijken wat er vooraf geschreven staat.

In de oorspronkelijke brieven staan geen 'hoofdstukken', 'kopjes' en 'vers aanduidingen'. Deze zijn er door mensen inge-voegd om het lezen gemakkelijker te maken. Je moet echter deze toevoegingen achterwege laten, wil je het geschrevene goed kunnen begrijpen.

Zo kwamen de betreffende broeder en ik in Romeinen 7:1-6 terecht. Hier staat het volgende:

Of, broeders, weet u niet-ik spreek immers tot mensen die de wet kennen -
dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?
Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft.
Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.
Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft,
zal zij een overspelige genoemd worden.
Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet,
zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.
Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet,
opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is,
opdat wij vrucht zouden dragen voor God.
Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden,
die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.
Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten,
zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.
Romeinen 7:1-6

In het kader van het onderwerp 'Jezus-Jehovah' werd mij vroeger geleerd dat Jezus dezelfde was als Jehovah, en dat toen Jezus stierf dus Jehovah stierf. Hierbij werd Romeinen 7:1-6 aangehaald. Er werd verteld dat dit gedeelte sprak over de vrouw Israël, die door de wet aan Jehovah, de man, verbonden was. De man Jehovah (Jezus) moest sterven, want dan pas kon de vrouw Israël vrij worden van de wet. Dus toen Jezus (Jehovah) stierf, werd Israël vrij van de wet om het eigen-dom van een ander te worden, namelijk van Degene, Die uit de dood is opgestaan.
Later werd mij in het kader van het onderwerp 'Jezus, de Zoon des Mensen en de Zoon van God' verteld dat Jezus in de tijd tot de opstanding de 'Zoon des mensen' was en dat Hij als Zoon des Mensen stierf (dus niet als Jehovah) en dat Hij, toen Hij opstond uit de dood, de Christus, de Zoon van God werd.

De vraag is: Waar spreekt Paulus in Romeinen 7:1-6 nu eigenlijk over?

Om dit gedeelte te begrijpen is het belangrijk de brief vanaf het begin te lezen en dan blijkt dat o.a. hoofdstuk 6 erg belang-rijk is voor het begrijpen van hoofdstuk 7, en dat hoofdstuk 6 weer terug grijpt op hoofdstuk 5. Vrij logisch overigens, want bij het schrijven van een brief, volgt het ene op het andere, mits blijkt dat de schrijver op iets anders overgaat. Wij zullen dus eerst hoofdstuk 6 in vogelvlucht doornemen en hier en daar refereren aan hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 6 begint met:

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet!
Romeinen 6:1-2a

Paulus stelt deze vraag in verband met de opmerking in hoofdstuk 5:20 en 21. Hij stelt daar, dat toen de wet ingesteld werd, dat ook de overtreding toenam en dat er daardoor ook meer genade gegeven werd.

De wet echter kwam er nog bij opdat de overtreding zou toenemen,
maar waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest,
opdat, evenals de zonde geregeerd heeft tot de dood, zo ook de genade zou regeren
door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 5:20-21

Je zou nu kunnen concluderen, dat je rustig kunt zondigen, want je hebt genade, en hoe meer zonde, hoe meer genade. Ook vandaag de dag zijn er helaas gelovigen, die zo leven nl. dat het niet uitmaakt of je zondigt of niet, je hebt toch gena-de; het is je al vergeven. Dus stelt Paulus de vraag:

Zullen (of: moeten) wij dan in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?
Romeinen 6:1

Dan zou er immers (volgens hoofdstuk 5:20) meer genade zijn. Het antwoord in vers 2 is duidelijk: "volstrekt niet".

Paulus stelt in hoofdstuk 5 dat wij onder de macht van de zonde zijn gekomen. Door Adam is immers de zonde (en door de zonde de dood) in de wereld gekomen (hoofdstuk 5:12) en door de wet van Mozes is de zonde alleen maar toegenomen (hoofdstuk 5:20 zie hierboven)

Paulus vervolgt in hoofdstuk 6 met te schrijven dat wij, gelovigen, met Christus gedood zijn en begraven en opgewekt. Wij zouden dus niet meer in de zonde blijven maar in nieuwheid des levens wandelen (hoofdstuk 6:1 en 4).

Als wij geloven in Christus Jezus, of met andere woorden, als wij ons met Hem verbinden, één met Hem worden, dan wordt alles wat aan Hem toegerekend wordt, ook aan ons toegerekend. Dit wordt uitgedrukt in de doop in Christus.

Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?
Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood,
opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader,
zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.
Romeinen 6:3-4

Als wij verder lezen, dan lezen wij in vers 12-14 dat wij de zonde niet meer zouden gehoorzamen (vs. 12) en dat wij ons lichaam (leden) niet meer ter beschikking van de ongerechtigheid zouden stellen, maar dat wij ons lichaam (leden) aan God zouden geven tot wapens van de gerechtigheid (vs. 13). De zonde zou niet meer over ons heersen, omdat wij niet meer onder de wet zijn, maar onder de genade (vs. 14).

Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen.
En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid,
maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn.
En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God.
Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.
Romeinen 6:12-14

Wij waren slaven van de zonde en de zonde heerste over ons. Maar Christus heeft ons daarvan vrijgemaakt.

Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde,
maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden
aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.
En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.
Romeinen 6:17-18

Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt,
hebt u uw vrucht, die tot heiliging leidt, met als einde eeuwig leven.
Want het loon van de zonde is de dood,
maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 6:22-23

Uit vers 14 kun je concluderen dat als je onder de wet bent, dat dan de zonde over je heerst.

Hierboven hebben we o.a. gezien dat Paulus schrijft over (de macht van - de heerschappij van) de zonde, waarvan wij vrij-gemaakt zijn. In meer dan de helft van de teksten wordt over de zonde gesproken:

6: 1 in de zonde blijven
6: 2 aan de zonde gestorven
6: 6 Het lichaam van de zonde
6: 7 vrij van de zonde
6:10 voor de zonde gestorven
6:12 laat de zonde niet regeren
6:13 niet ter beschikking aan de zonde
6:14 de zonde zal over u niet heersten 
6:15 zullen wij zondigen? 
6:16 zonde tot de dood
6:17 slaaf van de zonde
6:18 vrijgemaakt van de zonde
6:20 slaaf van de zonde
6:22 van de zonde vrijgemaakt
6:23 het loon v.d. zonde is de dood

Lezen we nu hoofdstuk 7 dan ligt de nadruk op de wet, namelijk op het gebonden zijn aan de wet en het vrij zijn van de wet. En ook dat de zonde zijn kracht ontleent aan de wet. Door de wet zondigen wij. Zonder wet heeft de zonde geen macht.

Zoals hierboven de teksten genoemd zijn die in hoofdstuk 6 over de zonde gaan, geef ik hier ook de teksten die in hoofdstuk 7 over de wet gaan:

7: 1 mensen die (de) wet kennen
7: 2 de vrouw door de wet gebonden aan de man
7: 3 de man gestorven, de vrouw vrij van de wet 
7: 4 gedood met betrekking tot de wet
7: 5 door de wet
7: 6 ontslagen van de wet
7: 7 is de wet zonde? Volstrekt niet!
7: 8 zonder wet is de zonde dood
7: 9 ik leefde zonder wet, maar toen het gebod kwam…
7:10 het gebod bleek voor mij de dood te betekenen
7:11 de zonde door het gebod een aanleiding gevonden
7:12 de wet is heilig, het gebod is heilig, rechtvaardig, goed
7:14 de wet is geestelijk
7:26 de wet Gods en de wet van de zonde

Zonder de wet is er geen overtreding. Juist door de wet kennen wij de zonde.
Het gebod dat God aan Adam en Eva gaf was dat zij niet zouden eten van de 'Boom van kennis van goed en kwaad'. Zij wisten dat zij ongehoorzaam zouden zijn als zij zouden eten van die boom. Het gevolg zou de dood zijn. Toen zij dan ook gegeten hadden en hoorden dat God in de hof was, verborgen zij zich voor God.

Door de wet is immers kennis van zonde.
Romeinen 3:20

en

Het loon van de zonde is de dood
Romeinen 6:23

Door het gebod is de begeerte ontstaan.

Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden
en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.
Romeinen 7:8

Schreef Paulus in hoofdstuk 6 over de zonde waarvan wij zijn vrijgemaakt; nu gaat hij verder met zijn betoog. Hij schrijft dat wij vrijgemaakt zijn van de wet. Hij spreekt tot mensen die 'wet' verstaan.

Of, broeders, weet u niet-ik spreek immers tot mensen die de wet kennen -
dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?
Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft.
Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet
die haar aan de man bond.
Daarom dan, als zij
de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft,
zal zij een overspelige genoemd worden.
Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet,
zodat zij geen overspelige is als zij
de vrouw van een andere man wordt.
Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet,
opdat u aan een Ander zou toebehoren,
namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is,
opdat wij vrucht zouden dragen voor God.
Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden,
die
geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.
Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten,
zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.
Romeinen 7:1-6

Paulus neemt de man en vrouw als voorbeeld van wat hij wil uitleggen.
De vrouw is door de wet aan de man gebonden zolang deze leeft. Gaat de man dood, dan is de vrouw vrij van die man en kan zij opnieuw trouwen. De vrouw is dan vrij van de wet, die haar aan haar man bond.

Zowel in hoofdstuk 6 als ook hier zegt Paulus dat wij gestorven zijn (met Christus - 6:1-4 of door het lichaam van Christus - 7:4). In het voorbeeld van de man en de vrouw is de man gestorven. Zijn wij de man die gestorven is? Wij zijn immers met Christus gestorven? Of zijn wij de vrouw die na de dood van de man een ander mag toebehoren. Volgens vers 4 zijn wij immers degenen die, nadat wij gestorven zijn, een ander zouden toebehoren, namelijk aan Degene Die uit de dood is opgewekt?
Wie zijn wij nu, de man of de vrouw? Geen van beiden! In het voorbeeld (7:1-3) wordt aangegeven hoe de vrouw vrij kan worden van de wet van de man. De daarop volgende verzen (4-6) geven aan hoe wij vrij geworden zijn van de wet. Wij zijn door het lichaam van Christus gestorven (gedood) voor de wet.
Als wij hoofdstuk 6 begrepen hebben, is dit niet zo moeilijk meer. Daar spreekt Paulus over de heerschappij van de zonde, waarvan wij vrijgemaakt zijn. Door de wet heerste de zonde over ons. Maar dat stond al in hoofdstuk 5.
Zoals in het voorbeeld de vrouw vrijgemaakt is van de man (vrijgemaakt van de wet die haar aan haar man bond), zo zijn wij vrijgemaakt van de wet die ons aan de zonde bond. Dus zijn wij vrijgemaakt van de wet (7:6) en van de zonde (6:18).
Wat Paulus eigenlijk wil zeggen is dat zolang wij onder de wet leven, wij dan gebonden zijn aan de zonde, die dan over ons heerst. Christus echter is voor ons gestorven om ons vrij te maken van de wet, die ons aan de zonde bond en ons te bren-gen onder de genade, zodat wij God zouden dienen en niet de zonde.
Om met het voorbeeld te spreken:Wij dienen niet meer de man, maar Degene Die uit de dood is opgewekt.
Om met hoofdstuk 6 te spreken: Wij dienen niet meer de zonde, maar de gerechtigheid (vers 16).
Of met andere woorden:

de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.
Romeinen 6:14

Deze grote genade van God zouden wij niet moeten gebruiken om te blijven zondigen (6:1). Ook zouden wij de vrijheid, die door deze genade gekomen is niet gebruiken voor het vlees, maar om elkaar te dienen door de liefde (Galaten 5:13). In beide gevallen dienen wij: of de zonde of de gerechtigheid. Maar het resultaat is verschillend. Jozua stelde Israël voor de keus: Kies voor u heden, wie u zult dienen (Jozua 24:15a).
Betreffende zichzelf zegt hij:

Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!
Jozua 24:15b

Zo mogen ook wij de Heere dienen in het nieuwe en eeuwige leven wat wij uit genade van Hem hebben ontvangen:

Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten,
zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.
Romeinen 7:6

Want het loon van de zonde is de dood,
maar de genadegave van God is eeuwig leven,
door Jezus Christus, onze Heere.
Romeinen 6:23

KB - 29 juni 2012

Het artikel kunt u ook downloaden in PDF formaat.