Totdat de dag aanlichte

Gedurende de heilsgeschiedenis verzameld en verlost God Zich een volk uit de mensen. Dit “nieuw-testamentische” volk, de gemeente van Jezus Christus, wordt door God verlost en uitgeleid naar het 'beloofde land'. Waar in de oud-testamentische tijd het volk optrok naar Kanaän, trekt het nieuw-testamentische volk op naar... ja: waar naar toe, eigenlijk?

Het gangbare idee is immers dat wij naar de hemel gaan? En inderdaad wordt ons meegedeeld dat wij in Christus zijn, Die in de hemel is. Daar is ook onze positie: in Hem.
Echter: de Here Jezus Christus keert weder om geopenbaard te worden in heerlijkheid, zoals we in zoveel schriftplaatsen lezen en nergens lezen wij dat de gemeente daadwerkelijk voor altijd in de hemel verblijft, wel dat wij altijd met den Heer zullen zijn, maar dat zouden we ook kunnen zeggen van de 144.000 verzegelden uit Opb 14: ...”dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; dezen zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen Gode en het Lam.”

De gemeente wordt ook wel genoemd een “woonstede Gods in de Geest”, een plaats waar God woning maakt, namelijk: IN de gelovige. Dit is Gods doel, om tussen Zijn volk te wonen! (Zie o.a. Ex 25:8, Joh 14:23) Maar, waar gaan wij naar toe? Welk vaderland is voor ons toe-komst? ...Of komt ons toe, om het woord toe-komst eens van een andere kant te benaderen.

Belangrijk is het profetisch woord, dat het koninkrijk van het Zaad van David, de Here Jezus, beschrijft als heersend over een 'eeuwig koninkrijk' (2 Sam 7).  Een koninkrijk dat, in de openbaring van Jezus Christus aan Johannes, tenminste 1000 jaren zal duren (Opb 20:6 en 7), althans: op deze aarde. God geeft Johannes een kijkje voorbij deze 'oude' schepping en laat hem een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zien, zoals beschreven in Opb 21. Over deze nieuwe hemel en aarde staat in de bijbel weinig beschreven en vaak wordt er getwist over die desbetreffende passages: of ze nu spreken over de nieuwe aarde, of over een periode die nog op deze oude aarde zal aanbreken:
iedere denominatie heeft hier wel een eigen visie op. (Leest u bijvoorbeeld Jesaja 11:6 t/m 8 maar eens door...)

Wel duidelijk is het Bijbelse gegeven dat deze schepping sowieso verdwijnt en plaats moet maken voor een nieuwe schepping in de toekomst, een schepping waarin God zal zijn alles en in allen. De huidige wereld of schepping wordt beschreven als zijnde zwanger en in barensnood,  nl. de 'geboorte' of aanvang van de dienst van de Zonen Gods (Rom 8:19) die Zich met Christus Jezus zullen openbaren aan de wereld.

Alle ogen zullen Hem dan zien. De gehele schepping wacht als het ware met opgestoken hoofd op deze wonderbaarlijke gebeurtenis, deze manifestatie van Goddelijke aanwezigheid!

Als dit gebeurt en de Here Jezus Christus verschijnt met Zijn Gemeente, zal de aarde aan Hem onderworpen worden en zullen allen die de aarde vernielden en verstoorden een verschrikkelijke tijd door maken. Immers Diegene waarvoor alles gemaakt is, verschijnt ten tonele, zogezegd, om orde op zaken te stellen! Dat is hét centrale punt in de heilsgeschiedenis, waar veel profeten naar hebben uitgezien en over hebben nagedacht, zoals te lezen valt in 1 Petrus 1:10-12.

Petrus verwijst in zijn tweede brief onder andere naar het belang van het profetisch woord in het licht van de wederkomst van de Here Jezus Christus en de aanvang van de Dag des Heeren: “En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.” (2 Petr 1:19)

Het is juist dit profetische Woord waaraan de moderne mens twijfelt. Het zou achterhaald zijn of men zou er in het meest gunstige geval metaforen van ons eigen bestaan in kunnen herkennen. Stuk voor stuk uitvluchten van mensen die niet geïnteresseerd zijn in de Koning en Zijn koninkrijk. Interessant is de opmerking van Petrus: ...totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten. Paulus schrijft hierover in andere bewoording in 2Co 4:6 : Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Het spreekt over het verlicht worden met kennis van Gods Heerlijkheid en hoe met het verschijnen van dit licht de duisternis of nacht verdwijnt.

Echter in 2 Petr 1:19 staat het woordje 'totdat': “totdat de dag aanlichte” en (daarmee?) de morgenster opga... ('Opga' van 'an-a – telo') zoals de zon boven de horizon verschijnt en de nieuwe dag aankondigd: zo zal het profetisch Woord werken. Als Christus verschijnt als de Blinkende Morgenster zullen de gelovigen verlicht worden door Zijn verschijning. Dan zal het profetische woord vervuldt worden en ook zichtbaar worden op het wereldtoneel! Dan zal blijken wie olie heeft om zijn of haar lamp te ontsteken om de Bruidegom tegemoet te gaan. Ook in Lukas lezen wij hierover: Luk 21:27-28 “En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.”
De dag die aanlicht, de verschijning van de Blinkende Morgenster, Jezus Christus.


Onze verandering

Deze verlossing die tot ons zal komen in en door Christus Jezus, is nu net de inzet van veel theologisch geharrewar. Want de één beweert dat het moment van verlossing zeven jaren vóór de wederkomst van de Here Jezus plaatsvind, de ander meent drie en een half jaar voor dit tijdstip. Maar wat zegt de bijbel er over: wanneer vindt die verlossing plaats?
Paulus schrijft hier onder andere over in 1Co 15:51-54 “Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.

Deze passage spreekt over de verandering van ons lichaam en de opstanding der doden, over dat moment in de toekomst waarop een verandering van sterfelijkheid naar onsterfelijkheid zal plaatsvinden. Paulus noemt dit een verborgenheid, omdat niet bekend was dat dit zou gaan plaatsvinden. Dat dit niet een op zichzelf staande verborgenheid is, blijkt uit andere schriftplaatsen die over dit moment spreken, bijvoorbeeld met de woorden uit 1 Thess 4:15-18 “Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen samen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

Paulus legt hier uit dat zij die levend zijn overgebleven tot het moment waarop de Heer zal verschijnen, niet eerder naar de Heer zullen gaan, maar dat degenen die ‘in Christus gestorven zijn’ eerst zullen opstaan om daarna samen met de levend overgebleven gelovigen de Heer tegemoet te gaan in de wolken, in de lucht. Het moment van de opstanding van hen die in Christus gestorven zijn, zoals hier genoemd, is het zelfde moment waarop allen veranderd worden in een punt des tijds, zoals we hebben gelezen in 1 Kor 15:52 en 53. Immers: verderfelijkheid zou onverderfelijkheid aandoen bij het klinken van de laatste bazuin, die hier “de bazuin Gods” genoemd wordt, in directe samenhang met die verandering: en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden.

Beide schriftgedeelten spreken over dezelfde gebeurtenis, waardoor je zelf de conclusie kunt trekken dat onze verandering of opname samenvalt met Christus' wederkomst! Tevens moet het de oplettende bijbellezer opvallen dat diegenen die als gelovigen zijn 'ontslapen' in Christus pas opgewekt worden bij de wederkomst van de Heer, wat de gedachte ontzenuwd dat de gelovige die overlijd direct naar de hemel gaat. Want anders zouden de overledenen die dan in de hemel reeds waren, eerst weer naar de aarde en naar hun graf moeten terug keren om vervolgens bij de wederkomst van de Heer weer te worden opgewekt: een wonderlijke interpretatie van Bijbelse feiten!


Vijf wijze maagden

Paulus noemt onze verandering of opname in 1 Thess 4 / 1 Kor 15 geen verborgenheid meer, maar ‘onwetendheid’ van de Thessalonicenzen m.b.t. de toekomst des Heeren. (toekomst, vertaalt n.a.v. het Griekse woord ‘parousia’ wat ‘aanwezigheid’ betekend.)

Onwetendheid m.b.t. tot hét centrale moment in de heilsgeschiedenis, namelijk de verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus (Tit 2:13). Alom was bekend dat in de laatste dagen (SV: ten uiterste dage ~ KJV: the latter days ) de doden zouden opstaan om geoordeeld te worden. Een Christelijke variant op deze zienswijze vinden we in de aanname dat het oordeel, de jongste dag, plaats zal vinden bij de wederkomst van de Here Jezus. Een misverstand, aangezien Hij na Zijn komst zou heersen de duizend jaren (Opb 20:6,7), een periode waarin ook satan gebonden is. Daarna vindt het grote eindoordeel plaats, zoals beschreven in hetzelfde hoofdstuk. Bij veel Christenen is dit helaas ook vandaag de dag niet bekend, nl. dat er een lichamelijke verandering zal plaatsvinden bij het klinken van de laatste of zevende bazuin (1 Kor 15:52 / Op 11:15-19). Het tijdstip waarop dit gaat plaatsvinden wordt duidelijk uit het vijfde hoofdstuk van de Thess. Brief, waar Paulus opmerkt : “Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve. Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht”.

De wederkomst van de Heer wordt bij herhaling op deze manier aangeduid. In de evangelieën vinden we de gelijkenis van de vijf wijze en vijf dwaze maagden die als het ware overvallen worden door de komst van de Heer. (Matt 25) De Thessalonicenzen echter, werden als groep op voorhand door Paulus beschouwd als behorend tot de groep van wijze maagden, die olie in voorraad hebben en dus ook licht kunnen verspreiden in de komst van de Heer en daardoor niet worden verrast door Zijn komst (1 Thess 5:1,2).

Ondanks deze eenvoudige logica denken veel hedendaagse Bijbelonderwijzers een discrepantie te zien in het moment van de verandering van de gelovige en het moment van de toekomst, de aanwezigheid van de Heer. De vijf wijze en vijf dwaze maagden worden dan ook noodzakelijkerwijze door hen voorgesteld als beeld van het volk Israël dat ná de opname van de gemeente olie zal moeten verzamelen om zodoende het koninkrijk binnen te kunnen gaan. Het zal u dan ook niet verbazen dat de gemeente van Jezus Christus, die in onze tijd wordt verzameld, in meerdere schriftgedeelten aangeduid wordt als ‘maagd’, letterlijk in 2 Kor 11:2 : “Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
– en ook overdrachtelijk in Ef 5:25-27 : “Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord; Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.

Het begrip ‘maagd’ slaat op de geestelijke reinheid van de gelovige, het onberispelijk of volmaakt zijn in Gods ogen. Paulus versterkt deze gedachte door er in Ef 5:32 nog aan toe te voegen: “Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente.”

Hij noemt het een grote verborgenheid, omdat het spreekt over de éénheid tussen Christus en de Gemeente die hij vergelijkt met de relatie en daarmee de eenheid tussen man en vrouw. Beide brieven worden geschreven aan gelovigen die behoren tot het ene en ongedeelde lichaam van de Here Jezus Christus, zoals we lezen in 1 Kor 12:13 “Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.” Ef 4:4 “Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping;


Ontvlieden

Wij zouden voorbereid zijn op Zijn komst door ons uit te strekken naar Zijn verschijning, de tekenen van de tijd in de gaten houden, of om te spreken met de woorden van Paulus in Fil 3:14 “...en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.”

Voor dat het echter zo ver is zal de wereld eerst nog verder worden ondergedompeld in duisternis, een duisternis die uit zal monden in een letterlijke fysieke duisternis, nl. doordat de zon en de maan verduisterd zullen worden. Als dan de Dag des Heeren, de Dag van Christus zal aanbreken en de Blinkende Morgenster verschijnt, zal iedereen die in de Here Jezus heeft geloofd, verlicht worden door Zijn komst in heerlijkheid, 2 Thess 1:10: Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.

Nu is er wellicht nog de voortdurende onzekerheid over allerlei leerstelligheden, dan zal de zekerheid van Gods Profetische Woord in ieder gelovig hart bevestigd worden, zoals Petrus ons voorhoud! Dan zal het kaf van het koren gescheiden worden en ook het bouwwerk des geloofs beproefd worden: “want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.” (1 Kor 3:13).
In Luk 21:36 staat dan ook niet voor niets: “Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.”

Ook in 2 Thess 1:11-12 lezen we dit advies: “Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen Zijner goedigheid, en het werk des geloofs met kracht. Opdat de Naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus.” 

Te staan voor de Zoon des mensen is een gebeurtenis die ook in 2 Kor 5:10 wordt beschreven: “Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
 

Ik ben dit artikel begonnen met de vraag waar wij als gelovigen naar op weg zijn: wat de bestemming is van onze reis door deze wereld... Wij zouden waakzaam zijn, de tekenen van de tijd op de juiste (Bijbelse) waarde schatten en ons richten op Gods Woord, want als de Here Jezus Christus zal verschijnen, zal blijken dat onze toekomst onlosmakelijk verbonden is met Hem, dat Hij Zijn koninkrijk zal vestigen op de aarde en wij daarvan deel uit mogen maken en dan ook in vervulling gaat de wil van de Heere God, namelijk dat Hij tussen Zijn volk woont! Zijn wil geschiedde in de hemel alzo ook op de aarde!
 

  • Php 3:20  Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;
  • Php 3:21  Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
  • 1Th 1:10  En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.
  • 1Ti 6:15  Welke te Zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren;
  • 1Ti 6:16  Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.
  • 2Ti 4:1  Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk;
  • Tit 2:13  Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;
  • Tit 2:14  Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.

Opb. 21:2-7  En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.  Die overwint, zal alles beerven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.

T.K. 02/9/2010