Toelichting op de brief van Paulus aan de Hebreeen

De brief aan de Hebreeën1

De tekstgedeelten worden geciteerd uit de Herziene Staten vertaling.
De ’ in de Griekse woorden geeft aan dat bij het uitspreken van de woorden, de klemtoon op de volgende lettergreep ligt.

Voorwoord

Waarom deze verhandeling over de Hebreeënbrief?

Er zijn gelovigen die vinden dat deze brief niet bestemd is voor de gelovigen in onze tijd. Dit vanwege het Joodse karakter van de brief.

Daarnaast is het zo, dat tekstgedeelten van deze brief vaak gebruikt worden om een eigen leer te bevestigen, ook al is het tegenstrijdig met de context. Woorden krijgen dan een andere betekenis of men zegt: "Het staat er wel maar zo moet je het niet lezen" of "Dit is niet op ons van toepassing".

De context van de brief is bepalend voor de uitleg van de tekstgedeelten. Daarnaast is het belangrijk om deze te vergelijken met de andere Nieuwtestamentische brieven. De Bijbel zal nooit in tegenspraak met zichzelf kunnen zijn, maar wel onze uitleg van de Bijbel. Als men een waarheid vastgesteld heeft en men komt teksten tegen die iets anders lijken te beweren, dan worden al gauw deze teksten aangepast aan de visie, in plaats van de visie onder de loep te nemen.

Zoals iemand ooit eens zei: "Dit is anders dan ik altijd geleerd heb. Ik heb het gevoel dat alle poten onder mijn stoel worden weggezaagd". De vraag is wat bepalend is: wat ons geleerd is of wat de Schrift werkelijk zegt. Als blijkt dat de Bijbel iets anders zegt dan wij geleerd hebben, gaan we dan voor de Bijbelse Waarheid of blijven wij vasthouden aan wat wij geleerd hebben. Paulus was door Gamaliël onderwezen in de wet (Handelingen 22:3) maar hij zei: 

Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus’ wil als schade beschouwd. Ja, beslist, ik beschouw ook alles als schade vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Je-zus, mijn Heere, om Wie ik dat alles als schade ervaren heb. En ik beschouw het als vuiligheid, opdat ik Christus mag winnen … (Filippenzen3:7-8)

Een paar voorbeelden (waar ik bij de behandeling van de brief wat uitgebreider op in zal gaan): 

  1. Paulus schrijft aan de heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping (Hebreeën 3:1).
    Als er dan gezegd wordt dat de brief voor de Joden is en niet voor de gelovigen van deze tijd, en men beweert tegelijk dat de Joden geen deel hebben aan de hemelse roeping, maar dat zij een aardse roeping hebben, dan klopt dit niet met elkaar.
    Wat staat er geschreven?
  2. In hoofdstuk 6 en 10 wordt er gesproken over gelovigen die afvallen van het geloof en de gevolgen daarvan.
    Hoe zit het dan met de bewering dat gelovigen niet verloren kunnen gaan? Het is te gemakkelijk om dit af te doen met de bewering dat dit niet voor ons geldt. Ook zo met de bewering dat deze mensen geen deel hadden aan de Heilige Geest, ook al staat er dat ze wel deel hadden aan de Heilige Geest. Of zoals wel beweerd wordt dat deze mensen wel nabij de vervloeking zijn, wat uitloopt in verbranding, maar dat 'nabij' niet betekent dat dit ook gebeurt.
    Wat staat er geschreven?
  3. In hoofdstuk 10 wordt gesproken over het lichaam van Christus. Is dit lichaam de Gemeente of het aardse lichaam van Jezus Christus. En als dit lichaam geofferd is, wat is er dan geofferd?
    Wat staat er geschreven?
  4. Staat er in hoofdstuk 10:25 dat wij de samenkomst niet moeten verzuimen of spreekt Paulus daar over de 'Opname van de gelovigen'?
    Als het over de samenkomst gaat en wij deze zouden verzuimen, betekent dat dan dat wij willens en wetens zondigen en daarom verloren gaan?
    Wat staat er geschreven?
  5. Betekent het "tot bloedens toe strijden tegen de zonde", dat wij dagelijks tegen onze zonden moeten strijden of gaat het over de verleiding van de zonde die ons van God vervreemdt?
    Wat staat er geschreven?

Wat wil de brief aan de Hebreeën ons vertellen? Waar worden wij toe opgeroepen? 

Paulus zelf noemt deze brief in Hebreeën 13:22 een korte brief van vermaning (παρακλησις - para’klesis = vermaning, aansporing, bemoediging of vertroosting). Hij wil de gelovige de grootheid van Jezus Christus laten zien en spoort ons aan om ons niet door de tegenstander te laten verleiden tot afval, maar standvastig te zijn en om te volharden in het geloof. 

Inleiding

Als uitgangspunt van hun geloof hebben de Joden de Tenach en de Christenen het Oude Testament (de Tenach) en het Nieuwe Testament.

De Joden en Christenen geloven beide in God (J.H.W.H.) de Schepper van hemel en aarde. Hij heeft Adam en Eva ge-schapen en na de zondvloed heeft Hij Abram beloofd om hem tot een groot volk te maken en ook dat al de overige volken in Abram gezegend zouden worden.

Daarnaast heeft God de Messias beloofd. Hij zou voortkomen uit Juda en uit het geslacht van David, de koning. Deze Messias zou voor eeuwig regeren.

Het Nieuwe Testament vertelt dat deze Messias gekomen is om Zijn volk te verlossen. In 1e instantie van hun zonden en in 2e instantie van hun vijanden. 

De Naam van deze Messias is Jezus, geboren in Bethlehem, in de stad van David. 

Vele Joden geloven dit helaas niet. Zij wachten nog steeds op hun Messias en houden nog steeds vast aan de wetten van Mozes (de Thora). 

Het Nieuwe Testament begint met de geboorte van Jezus Christus, de Verlosser van Israël. De eerste mensen die tot ge-loof in deze Messias kwamen waren Joden. Pas na de opstanding van Jezus Christus uit de dood en de uitstorting van de Heilige Geest op de gelovigen, werd de blijde boodschap van de Messias, in opdracht van God, door deze gelovige Joden ook met de heidenen (de andere volken) gedeeld.

Hoewel God liet zien dat er een tijd na de wet van Mozes was aangebroken en de wet van Mozes van tijdelijke aard was, bleven veel gelovige Joden vasthouden aan de wetten van Mozes.

Deze wetten wilden zij ook aan de gelovige heidenen opleggen. In Handelingen 15 lezen we dat hierover in Antiochië een conflict was. De apostelen en oudsten in Jeruzalem werden geraadpleegd en dezen besloten dat, omdat niemand de wet kon houden, deze wetten niet op de heidenen gelegd moesten worden.

Paulus verzet zich hevig tegen de Joodse invloeden in de Gemeente van Jezus Christus. Lees o.a. de Galatenbrief en de brief aan de Kolossensen.

Dit brengt mij bij de brief aan de Hebreeën. De brief gaat nl. over bovenstaande zaken.

De brief is niet geadresseerd en er wordt ook geen afzender genoemd. Voor de boodschap van deze brief is dit ook niet belangrijk. Het gaat uiteindelijk om de inhoud.

Er wordt beweerd dat de brief bestemd is voor de Joodse gelovigen en niet voor de gelovigen uit de heidenen. Als dit juist is dan heeft het voor de gelovigen uit de heidenen (andere volken) geen zin om de inhoud van deze brief op zichzelf toe te passen. Sommige geloofsgroepen doen dat dan ook niet.

De afzender en een geadresseerde worden niet specifiek bij name genoemd. Maar toch kunnen we uit de brief wel vrij ze-ker afleiden wie de schrijver en geadresseerde zijn.

Algemeen gaat men er van uit dat de brief door Paulus of Timotheüs is geschreven en bestemd was voor de Hebreeën.

Voordat ik de inhoud van de brief ga behandelen, wil ik hier eerst wat nader op ingaan. 

Door wie is deze brief geschreven?

Er zijn veel argumenten om te veronderstellen dat deze brief door Paulus is geschreven. Ik noem er vijf.

  1. Hij schrijft in Hebreeën 3:1 aan de heilige broeders. De uitdrukking "heilige broeders" komt alleen bij Paulus voor nl.:
    a. … aan de heilige en gelovige broeders in Christus die in Kolosse zijn (Kolossensen 1:2).
    b. … dat de brief aan alle heilige broeders voorgelezen wordt (1 Thessalonicensen 5:27).
  2. Hij schrijft in Hebreeën 13:23 over 'broeder Timotheüs'. Alleen bij Paulus komen wij 'broeder Timotheüs' tegen:
    a.Paulus, door de wil van God een apostel van Jezus Christus, en Timotheüs, de broeder (2 Korinthe 1:1).
    b.Paulus, door de wil van God een apostel van Jezus Christus, en Timotheüs, de broeder (Kolossensen 1:1).
    c.Daarom, toen wij dit verlangen niet langer konden verdragen, leek het ons beter om alleen in Athene achtergelaten te worden, en hebben we Timotheüs gestuurd, onze broeder en Gods dienaar en onze me-dearbeider in het Evangelie van Christus, om u in uw geloof te versterken en te bemoedigen, (1 Thessa-lonicensen 3:1-2).
    Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde en onze medearbeider (Filemon 1:1).
  3. Paulus was een farizeeër, onderwezen door Gamaliël. Hij wist dus zeer veel van de wet (Tenach/Thora).
    a Maar er stond iemand op in de Raad, een Farizeeër van wie de naam Gamaliël was, een leraar van de wet, die in hoge achting stond bij heel het volk (Handelingen 5:34).
    b Ik ben een Joodse man, geboren te Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad en aan de voeten van Gamaliël op de meest nauwgezette wijze onderwezen in de wet van de vaderen, een ijveraar voor God zoals u heden allemaal bent (Handelingen 22:3). 
  4. Alleen bij Paulus zien wij dat hij vraagt 'bid voor ons':
    Bid meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, (Kolossensen 4:3)
    b Broeders, bid voor ons (1 Thessalonicensen 5:25).
    c Verder, broeders, bid voor ons dat het Woord van de Heere zijn loop mag hebben en verheerlijkt mag worden, zoals ook bij u, en dat wij verlost mogen worden van de slechte en boosaardige mensen. Want niet allen hebben het geloof (2 Thessalonicensen 3:1).
    Bid voor ons, want wij zijn ervan overtuigd dat wij een goed geweten hebben, omdat wij in alle dingen goed willen wandelen. En ik roep u er te meer toe op dit te doen, opdat ik des te eerder aan u zal wor-den teruggegeven1) (Hebreeën 13:18-19).
    1)Aan Timotheüs schrijft hij in 2Timotheüs 4:6, 9, 13 en 21 over zijn heengaan (SVV: ontbinding) (lett.: mijn los-gemaakt worden) en de reismantel, die hij nodig heeft. Hij verwacht blijkbaar weer op reis te gaan. 
    In Efeze 6:19 vraagt hij: "Bid ook voor mij, opdat mij het woord gegeven wordt bij het openen van mijn mond, …"
  5. In Hebreeën 3 stelt de schrijver dat Mozes een dienaar was in Zijn huis en Christus de Zoon over Zijn huis. In de brief aan de Galaten (4:21-31) schrijft Paulus dat niet de dienaar erft, maar de Zoon. Niet Ismaël, maar Izak. In deze brief aan de Galaten heeft Paulus het aan de stok met de Joden die de wet op de gelovigen wilden leggen.

Aan wie is deze brief geschreven? 

We mogen stellen dat deze brief niet is geadresseerd aan een bepaalde gemeente, zoals wel het geval was met vele an-dere brieven in het Nieuwe Testament. Deze brief wordt dan ook wel een algemene brief genoemd.

Toch geeft Paulus aan, aan wie hij deze brief gericht heeft. Dit kunnen we lezen in Hebreeën 3:1

Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, …

En in Hebreeën 13:24 lezen wij een groet:

Groet al uw voorgangers en al de heiligen. 

Hij schrijft aan broeders, die aan de hemelse roeping deelhebben. Dit zijn alle gelovigen die bij de Gemeente van Jezus Christus horen. In het laatste hoofdstuk doet hij dan ook de groeten aan alle voorgangers en aan alle heiligen.

Mijn conclusie is dan ook dat deze brief door Paulus geschreven moet zijn en bestemd is voor alle gelovigen sinds de op-standing van Jezus Christus.

In de brief komen 8 belangrijke zaken aan de orde:

1)De positie en verheerlijking van Jezus Christus.

2)Het verzoeningswerk van Jezus Christus.

3)Het Hogepriesterschap van Jezus Christus.

4)Het Oude en Nieuwe Verbond.

5)De gelovige aangespoord tot standvastigheid en gewaarschuwd tegen verleidingen.

6)De relatie tussen Jezus Christus en de gelovige.

7)De afvalligen.

8)Het Gemeenteleven.

 

Hoofdstuk 1

Het 1e hoofdstuk begint direct met de hoge positie die de Jezus Christus heeft ontvangen. 

a - Hij is de Zoon van God.vers 1, 4, 5 

b - Hij is de erfgenaam en door Hem is de wereld (αἰῶναϛ - aioonas = eeuwen) gemaakt.vers 1-2

c - Hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid.vers 3

d - Hij is het uitgedrukte beeld van Zijn wezen.vers 3

e - Hij draagt alle dingen door de kracht van Zijn Woord.vers 3

f - Hij heeft door Zichzelf de reiniging van onze zonden tot stand gebracht.vers 3

g - Hij is boven de engelen gesteld toen Hij een voortreffelijker Naam boven hen erfde.vers 4

h - Hij is de Eerstgeborene.vers 6

i - De engelen Gods aanbidden Hem.vers 6

j - Hij heeft een eeuwige troon.vers 8

k - Hij is met vreugdeolie gezalfd boven zijn metgezellen.vers 9

l - Hij heeft de aarde gegrondvest en de hemelen zijn het werk van Zijn handen.vers 10

m - Hij blijft voor altijd (eeuwig).vers 11-12

n - Hij blijft dezelfde en zijn jaren zullen niet ophouden.vers 11-12

o - Hij zit aan Gods rechterhand.vers 13

 

Hoofdstuk 2 

Na deze uiteenzetting van de heerlijkheid die Jezus Christus ontvangen heeft, worden de gelovigen in hoofdstuk 2:1-4 aangespoord (παρακλησις - para’klesis) om zich te houden aan wat zij gehoord hebben. 

Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat door ons gehoord is, opdat wij niet op enig mo-ment afdrijven. Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke over-treding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo’n grote zaligheid veronachtzamen, die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben. God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven {heeft gegeven = geeft - tegenwoordige tijd } door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven {ga-ven - letterlijk: uitdelingen. } van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil (Hebreeën 2:1-4).

Na deze vermaning gaat hij in vers 5 weer verder met Christus, en Zijn verheerlijking. 

a - Christus voor korte tijd minder dan de engelen; daarna door God met heerlijkheid en eer gekroond.vers 2:5-7

b - God heeft Hem gesteld over de werken van Zijn handen.vers 2:7

c - Alle dingen zijn aan Zijn voeten onderworpen.vers 2:8

d - Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond.vers 2:9

e - Door Hem zijn alle dingen (zoals ook vermeld in Rom. 11:36: Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.).vers 2:10

Vanaf vers 10 tot en met 13 schrijft Paulus over de relatie tussen Christus en de gelovige.

Hij merkt op dat God het passend vond, dat Hij, om veel zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun behou-denis door lijden heen zou volmaken (vers 10).

Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel kin-deren (υἱοϛ - hui’os = zonen) tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen (= τελει’οω - telei’o-o = volmaken). Immers, zowel Hij Die heiligt als zij die geheiligd worden, zijn allen uit één. Daarom schaamt Hij Zich er niet voor hen broeders te noemen, want Hij zegt: Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen; te midden van de gemeente zal Ik U lofzin-gen. En verder: Ik zal Mijn vertrouwen op Hem stellen. En vervolgens: Zie, Ik en de kinderen (παιδια - pai’dia = kinderen) die God Mij gegeven heeft (Hebreeën 2:10-13).

Vanaf vers 14 tot met 18 schrijft Paulus dat Jezus Christus door Zijn dood de macht van de duivel heeft beëindigd en de gelovige verlost uit de slavernij. Hij moest in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een trouwe en barmhartige Hogepriester zou zijn, om de zonden van het volk te verzoenen. Want waarin Hijzelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, kan Hij de gelovigen die verzocht worden, te hulp komen.

Hoofdstuk 3 en 4

 

In hoofdstuk 3 blijkt dat Paulus schrijft aan de broeders die aan de hemelse roeping deel hebben. Dit zijn alle gelovigen die bij de Gemeente van Jezus Christus horen. Zowel gelovigen uit de Joden als gelovigen uit de heidenen.

Als een Jood of een heiden tot geloof kwam in de Heere Jezus werd hij/zij onderwezen in de Schriften d.i. de Tenach of anders gezegd: 'het Oude Testament'. Het Nieuwe Testament bestond toen nog niet. Paulus schrijft aan de gelovigen (Jood en heiden) hoe het zit met het Oude en Nieuwe Verbond, het Priesterschap en de offers. Ook hoe de relatie was tussen de Joden en de heidenen voor de opstanding van Jezus Christus en hoe het geworden was sinds de opstanding van Jezus Christus. In de brief aan de Efeziërs wordt dit duidelijk uiteengezet. In de brief aan de Hebreeën laat Paulus duidelijk het verschil zien tussen enerzijds Mozes en de wet (het Oude Verbond) en anderzijds Jezus Christus en het Nieuwe Verbond. Hij laat deze dingen zien uit het Oude Testament. De bekeerde heidenen werden dus onderwezen in de toepassing van de Tenach, de oude en de nieuwe toepassing, de profetie en de vervulling ervan. Ook stelt hij dat de wet (de offers en de besnijdenis) de mens niet kon zalig maken, zoals sommige bekeerde Joden beweerden (lees Handelingen 15). Deze Joden bleven, naast hun geloof in de Messias, vasthouden aan de wet van Mozes.

Als het goed is, worden ook wij vandaag de dag onderwezen in het Oude Testament en de vervulling daarvan in Christus Jezus. Wij gebruiken daar het Nieuwe Testament voor w.o. ook de brief aan de Hebreeën. Als wij (bekeerde heidenen) geen kennis van het Oude Testament zouden hebben, zouden we veel van het Nieuwe Testament niet begrijpen. 

De bekeerde heidenen in de tijd na de opstanding wisten wel terdege waar Paulus in deze brief over sprak, al was het al-leen maar vanwege de strijd tussen Paulus en de Joden die naast de Messias, het houden van de wet predikten. 

In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt Christus boven Mozes gesteld.Mozes stond in hoog aanzien bij de Joden, want God had met hem gesproken van aangezicht tot aangezicht en God had hem de wet gegeven. Deze wet vertelde de Israëlieten hoe zij moesten leven en God dienen. Paulus stelt in hoofdstuk 3:1-6 dat Christus belangrijker is dan Mozes. Vers 5 zegt dat Mozes getrouw is geweest in heel Zijn huis, als dienaar, maar dat Christus getrouw is over Zijn huis als Zoon. Zijn huis zijn de gelovigen. In de brief aan de Galaten (4:21-31) schrijft Paulus dat niet de dienaar erft, maar de Zoon. Niet Ismaël, maar Izak. Zo wordt Jezus Christus boven Mozes gesteld. En Jezus Christus stelt dat de gelovige vrijgemaakt is van de wet van de zonde en de dood. (Romeinen 8:2). De wet van Mozes was toegevoegd tot Christus, maar sinds het geloof gekomen is, is de gelovige niet meer onder de wet (Galaten 3:23-25). De gelovigen zouden niet meer bij (de wet van) Mozes, maar bij (de wet der vrijheid van) Christus blijven.

 

Hierna krijgen de gelovigen opnieuw een aantal vermaningen/aansporingen ((παρακλησις - para’klesis) (hoofdstuk 3:6-19 en 4:1-16). Waarom? Omdat wij tot Zijn huishouding behoren 1.. Wij hebben deel aan Christus gekregen 4.. Gaat het mis met onze wandel als gelovige, dan mogen wij weten dat wij een Hogepriester hebben, Die ons begrijpt en Die ook verzocht is geweest, alleen Hij zondigde niet 7.

  1. In 3:6 staat dat wij het huis van Christus zijn, tenminste als wij, gelovigen, de vrijmoedigheid en de hoop op Christus tot het einde toe hardnekkig vasthouden.
  2. In 3:7 en 8 worden wij gewaarschuwd om niet verbitterd te raken als wij verzocht worden.
  3. In 3:12 en 13 worden wij aangespoord om niet ongelovig te worden en af te vallen van de levende God en niet te ver-harden door de verleiding van de zonde. Zie ook hoofdstuk 12:4.
  4. In 3:14 gaat Paulus verder met te zeggen dat wij deel hebben gekregen aan Christus en dat wij het geloof in Hem tot het einde toe hardnekkig moeten vasthouden. In vers 6 was het de hoop en hier het geloof dat wij hardnekkig zouden vasthouden.
  5. In 4:11-13 wijst Paulus ons erop dat wij ernstig bezig zouden moeten zijn met het ingaan in de rust. Om dit te begrij-pen moeten we de 1e 10 verzen van hoofdstuk 4 lezen. Daar spreekt Paulus over het volk Israël, dat onderweg was naar Kanaän, waar zij rust zouden krijgen van hun vijanden. Maar door hun ongelovigheid mocht Israël er niet bin-nengaan. Zo zijn ook wij onderweg naar het hemels Kanaän, waar wij rust krijgen van onze vijanden. Wij worden dan ook in vers 11 opgeroepen om niet, zoals Israël, ongelovig te zijn. Want het Woord van God oordeelt de gedachten van het hart. Je kunt je niet voor God verbergen en wij zullen op een dag rekenschap aan Hem moeten afleggen.
  6. In 4:14 spoort Paulus ons aan om vast te houden aan Jezus, de Zoon van God, de grote Hogepriester, Die de heme-len is doorgegaan.
  7. En tenslotte zegt Paulus in vers 15 en 16 dat wij een Hogepriester hebben Die medelijden heeft met onze zwakhe-den omdat Hij op dezelfde wijze als ons is verzocht geweest. Met één onderscheid, namelijk dat Christus niet zon-digde en dit doen wij wel. Wij hebben dan ook barmhartigheid en genade nodig. Paulus zegt dan ook dat wij vrijmoe-dig naar de troon van de genade mogen gaan om hulp te krijgen als dit nodig is. Op deze troon van de genade zit de Hogepriester Jezus Christus en Hij geeft hulp (genade) wanneer wij dit nodig hebben.

Telkens als Paulus heeft laten zien wie Christus is, spoort hij de gelovigen aan om standvastig te zijn en te volharden en waar nodig is er hulp en genade.

Hoofdstuk 5

In hoofdstuk 5:1-10 schrijft Paulus weer verder over de Christus, nu als Hogepriester.

Hij stelt Christus de Hogepriester tegenover Aäron, de hogepriester. Het hogepriesterschap van Christus is van een an-dere en hogere orde dan dat van Aäron. De Joden kenden maar één hogepriesterschap, en dit hogepriesterschap was toegekend aan de stam van Levi, waarvan Aäron de eerste hogepriester was. Dus stond de hogepriester in hoog aanzien bij de Joden, zoals ook blijkt uit het volgende gedeelte, waar Paulus, zonder dit te weten, de hogepriester uitscheldt, en als men hem dat zegt, biedt hij zijn excuses aan met de woorden: 

"Ik wist niet, broeders, dat hij hogepriester is; want er staat geschreven: U mag geen kwaad spre-ken van de leider van uw volk" (Handelingen 23:5). 

In de eerste 4 verzen schrijft Paulus dat alle hogepriesters die uit de mensen worden genomen, ten dienste van mensen worden aangesteld om offers te brengen voor de zonden, ook voor zichzelf omdat ook zij zwak zijn. Zo ook Aäron, die door God geroepen werd uit de mensen. Daartegenover stelt hij in de verzen 5-10 dat Jezus Christus, waarvan God zegt dat dit Zijn Zoon is, Priester is in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek. 

Christus heeft gehoorzaamheid geleerd uit Zijn lijden en kan iedereen die Hem gehoorzaamt eeuwig behouden.

Christus en Melchizedek:

Paulus komt in vers 11 op een punt dat hij het eeuwige Hogepriesterschap van Jezus Christus wil gaan uitleggen. 

Hij stuit nu op een probleem. Onder de gelovigen zijn mensen die niets begrijpen van de geestelijke dingen. Naar de tijd gerekend zouden zij leraren moeten zijn in het geloof. Maar zij hadden geen idee van goed en kwaad. Zij moeten over-nieuw beginnen. Ze moeten weer kind worden in het geloof (zich bekeren). In plaats van hen uit te leggen wie Melchize-dek is en wat het eeuwige priesterschap inhoudt, zou Paulus eigenlijk de grondbeginselen van het geloof opnieuw moe-ten gaan onderwijzen. Zij waren onervaren in het woord van de gerechtigheid nl. de gerechtigheid die uit het geloof is, zoals Paulus ook zegt in de brief aan Romeinen:  

Wat zullen wij dan zeggen? Dit: dat de heidenen, die geen gerechtigheid hebben nagejaagd, ge-rechtigheid verkregen hebben, gerechtigheid echter die uit het geloof is. Maar Israël, dat de wet van de gerechtigheid najaagde, is aan de wet van de gerechtigheid niet toegekomen. Waarom niet? Omdat zij die niet uit geloof zochten, maar als uit werken van de wet. Want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots (Romeinen 9:30-32).

De onervaren gelovigen (Joden en heidenen) zochten gerechtigheid in de wet en niet door te leven vanuit het geloof. Zij gingen terug naar Mozes en bleven niet bij Christus. Paulus schrijft hierover in Galaten 4:6-11 en Kolossensen 2:16-3:4.

 

Hoofdstuk 6

In Hebreeën 6 schrijft Paulus dat hij niet nog eens gaat beginnen om deze groep te onderwijzen, omdat hij hen niet op-nieuw tot bekering kan brengen. Zij zijn afgevallen van het geloof en zij hebben met hun terugkeer naar het Oude Verbond de Zoon van God opnieuw gekruisigd en openlijk te schande gemaakt. Zij zijn verwerpelijk. Wijlen broeder Jakob Klein Haneveld noemt hen in de brochure 'de brief aan de Hebreeën' 'bastaards', mensen, die in steenachtige aarde bezaaid worden. (Mattheüs 13:20-21). Wij komen hen tegen in Hebreeën 6 en 10. 

Paulus waarschuwt de gelovigen diverse keren om niet af te vallen van het geloof. Zie o.a. in hoofdstuk 2:3 (de zaligheid niet veronachtzamen); 3:12-13 (niet ongelovig worden en afvallen van de levende God); 12:15-17 (niet achteropraken in de genade Gods), 12:25 (God niet verwerpen).

Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van de Heilige Geest, en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld, en die daarna afvallig worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken. Want de aarde die de regen indrinkt, die er dikwijls op valt, en die nuttig gewas voortbrengt voor hen door wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God. Maar de aarde die dorens en distels voortbrengt, is verwerpelijk en de vervloeking nabij, waarvan het einde tot verbranding leidt (Hebreeën 6:4-8).

De andere gelovigen roept hij op om niet traag te worden, maar tot het einde toe door te zetten.

Ook al spreken wij zo, geliefden, wat u betreft zijn wij echter overtuigd van betere dingen, die met de zaligheid samenhangen. Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de heiligen gediend hebt en nog dient. Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften beërven (Hebreeën 6:9-12).

En in de verzen 13-20 volgt dan een bemoediging voor de gelovigen. De gelovigen zullen door geloof en geduld de beloften die God gegeven heeft beërven. Dit noemt Paulus in vers 9 de bete-re dingen, die met de zaligheid samenhangen. Daarna zegt hij over deze beloften: 

Want toen God Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, omdat Hij bij niemand die hoger was, kon zweren. Hij zei: Voorzeker, rijk zal Ik u zegenen en overvloedig zal Ik u in aantal doen toenemen. En zo heeft hij de belofte verkregen na daar geduldig op gewacht te hebben. Mensen zweren immers bij Iemand die hoger is dan zijzelf, en de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak. Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveran-derlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed, opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden. Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel. Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, na-melijk Jezus, Die naar de ordening van Melchizedek Hogepriester geworden is tot in eeuwigheid (Hebreeën 6:13-20).

Wij lezen hier dat de gelovigen een sterke troost zouden ontvangen, omdat God betrouwbaar is en dat Hij zijn beloften vervult aan degenen die bij Hem hun toevlucht hebben genomen. De hoop die wij op Hem hebben is een anker voor de ziel en is vast en onwrikbaar. Als men op een boot een anker uitgooit, komt deze vast te zitten aan de bodem en wordt de boot niet door de (woeste) golven weggeslagen. De boot blijft vast op z'n plaats liggen. Zo is de hoop voor de ziel (het wezen) van de gelovige. Door de hoop ben je vast gemaakt aan Jezus Christus.

Christus is ons voorgegaan, voorbij het voorhangsel het heilige der heiligen binnen. Hier mocht één keer per jaar alleen de hogepriester naar binnen. Maar Christus is voor altijd naar binnen gegaan als de eeuwige Hogepriester. Hij heeft altijd toe-gang en Hij zegt tegen ons: "Kom maar binnen!" Maar dat lezen we letterlijk pas in hoofdstuk 10:19, hoewel hoofdstuk 4:16 ons daar ook al op wees, toen Paulus zei dat wij vrijmoedig zouden naderen tot de troon der genade.

Hij pakt in vers 20 de draad weer op bij Jezus Christus, Die Hogepriester is geworden naar de orde van Melchizedek.

Wie is deze Melchizedek? Wij komen hem alleen tegen in Genesis 14:18-20 en over de orde van Melchizedek wordt al-leen gesproken in Psalm 110:4. Toch is Melchizedek zo belangrijk dat Paulus er in hoofdstuk 6:20 en hoofdstuk 7 Bijbelstudie over geeft.  

Tegenwoordig zeggen veel gelovigen: "Kun je uit totaal 4 verzen uit de Bijbel zoveel halen" of "dit is zware kost, veel te moeilijk" of "dit is veel te theoretisch, het moet veel praktischer" of "dit snapt niemand, de drempel moet veel lager, an-ders komt er niemand meer in de samenkomst". 

Paulus dacht hier anders over en ondanks dat velen traag waren in het horen (5:11) vond God, bij monde van Paulus, het toch heel belangrijk dat wij Christus zouden leren kennen door de persoon Melchizedek.

 

Hoofdstuk 7

Jezus Christus kon niet Hogepriester worden overeenkomstig de bepalingen die bij het priesterschap van Aäron hoorden. Dit priesterschap was aan Levi gegeven en, vanwege zijn sterfelijkheid, aan zijn afstammelingen. Jezus stamde uit Juda, waaraan het koningschap gekoppeld was, niet het priesterschap.

Toch was Hij Hogepriester, maar dan zoals Melchizedek dit was. Hoe dit in elkaar steekt lezen we in Hebreeën 7. Hij stelt dat Levi minder is dan Melchizedek. Levi is tijdelijk, Melchizedek is eeuwig. En Jezus Christus is Hogepriester overeenkomstig de orde van deze Melchizedek en dus is hij hoger dan Levi (Aäron). Melchizedek was volgens de betekenis van zijn naam: Koning van de gerechtigheid. Ook was hij koning van de vrede (Koning van Salem). Tot zover niet moeilijk. Dit staat er gewoon. Maar God laat ons hier zien, dat wij niet alleen moeten kijken naar wat er vermeld staat, maar ook wat er niet staat. Het is heel gewoon in de Bijbel dat van belangrijke mensen een afstamming wordt gegeven. Van Melchizedek wordt dit niet vermeld. Paulus legt dan ook uit dat Melchizedek zonder vader en moeder was en omdat er geen stamboom vermeld wordt had Melchizedek dus geen begin en geen einde. Hij was eeuwig, zoals Jezus Christus eeuwig is.

Melchizedek is een type (uitbeelding) van Jezus Christus. Hij is aan de Zoon van God gelijk gemaakt (Let op: de Zoon is niet aan Melchizedek gelijk gemaakt) en daarom blijft hij priester voor eeuwig. Jezus is echter de Hogepriester (en Koning) voor eeuwig. Hij staat boven Melchizedek. In 1 Johannes 3:2 staat dat wij, gelovigen, straks aan Jezus Christus gelijk zullen zijn, dus eeuwig zullen leven. Wij zijn koningen en priesters. Petrus noemt ons een koninklijk priesterdom (1 Petr. 2:9). En ook dan geldt: Jezus Christus is de Koning der Koningen en de Hogepriester en Hij staat boven Melchizedek en ons.

Hebreeen

 

Paulus betrekt ons, gelovigen, ook nog even bij het Priesterschap van Jezus Christus, Die voor ons pleit en bidt.

De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de or-dening van Melchizedek - in zoverre is Jezus Borg geworden van een zoveel beter verbond. En zij zijn wel in groten getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven, maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een Priesterschap dat niet op anderen overgaat. Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten (Hebreeën 7:21-25).

In hoofdstuk 8:1 - 10:18 spreekt Paulus over Christus als de Hogepriester, Ook spreekt hij over het Nieuwe Verbond, het eenmalige offer en de tabernakel. Dit hogepriesterschap is de kern van de hele brief (8:1).

Hij stelt dat de hemelse dingen, betreffende het Hogepriesterschap, het verbond, het offer en de tabernakel beter zijn dan de aardse. 

Hij beschrijft dit in de brief als de betere dingen.

  6 - v9:  betere dingen, die met de zaligheid samenhangen.

  7 - v19: een betere hoop

  8 - v6:   een beter verbond 

  9 - v23: betere offers

10 - v34:  een beter en blijvend bezit in de hemelen

11 - v16: een beter, dat is een hemels vaderland. 

11 - v35: een betere opstanding

11 - v40: God had met het oog op ons iets beters voorzien

12 - v24: het bloed van Jezus spreekt van betere dingen 

Conclusie: Christus heeft de betere dingen gebracht.

 

Hoofdstuk 8

 

Hoofstuk 8 begint met te zeggen dat de hoofdzaak bij al wat gezegd wordt, is, dat wij zo’n Hogepriester hebben die geze-ten is ter rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen (Naardense Bijbel). Christus doet dienst in de ware ta-bernakel (tent), die niet door een mens, maar door God zelf is gebouwd. Hier op aarde doet de priester overeenkomstig de wet dienst in de tabernakel (tent) die Mozes heeft laten maken. Deze is een afbeelding en schaduw van de echte tabernakel (tent). In deze echte tabernakel (tent), die in de hemel is, is Christus. In vers 6 en 7 wordt gesproken over een beter verbond (2e verbond) tegenover het verbond van de wet (1e verbond). Dit 2e verbond wordt het Nieuwe Verbond genoemd. Paulus citeert daarna Jeremia 31:31-34. 

God spreekt daar over een nieuw verbond en verklaart het 1e en oude Verbond daarmee voor verouderd. Een verbond dat op het punt stond te verdwijnen. Het heeft daarna nog ongeveer 600 jaar geduurd voordat Christus de wet vervulde en dit oude Verbond beëindigd werd. Het nieuwe Verbond is ingegaan bij de dood en opstanding van Jezus Christus:

Om een verbond (testament) in te laten gaan, moest de testamentmaker dood zijn. Het 1e (oude) verbond werd in-gewijd door het bloed van dieren. Deze dieren stierven en vervingen Degene die het testament gemaakt had (Hebr. 9:16-20). Dit zien we ook bij Abram, die zijn zoon moest offeren. In plaats van zijn zoon, werd een ram ge-offerd. Bij het 2e en nieuwe verbond (testament) gaf de Testamentmaker zijn eigen bloed. Hij stierf en stond weer op uit de dood en werd de Hogepriester van dit nieuwe en eeuwige verbond.

Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter (Romeinen 7:6). 

Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het Nieuwe Verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend (2 Corinthiërs 3:6). 

Zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof gerechtvaardigd zouden worden (Galaten 3:24).

 

Hoofdstuk 9

 

In hoofdstuk 9 schrijft Paulus over de dienst in de tabernakel. In het 1e deel mocht de priester dagelijks komen, maar in het 2e deel (het heilige der heiligen) mocht alleen de hogepriester eenmaal per jaar komen met bloed. Maar dit kon geen volmaaktheid brengen. De hele dienst in de tabernakel bestond uit vleselijke verordeningen, die opgelegd waren tot op de tijd van een betere orde (vers 10). Vanaf vers 11 verschijnt Christus als de Hogepriester Die de volmaakte tabernakel is ingegaan. Een tabernakel die niet van deze schepping is. Er is een nieuw verbond gekomen, dat ingewijd is door het bloed van Jezus Christus.

Hij is eenmaal geopenbaard en geofferd om door Zijn dood de zonde van velen weg te doen. Hij zal opnieuw komen en gezien worden door degenen die Hem verwachten als Zaligmaker, maar dan niet als Degene Die de zonde op zich neemt, maar als Degene Die zonder zonde is.

En over ons schrijft hij over de reiniging van dode werken en onze dienstbaarheid aan God:

hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen (Hebr. 9:14)!

 

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 10 geeft opnieuw aan (zie hoofdstuk 8:5) dat de wet met de offerdienst alleen maar als schaduw functioneert van de goede dingen die gaan komen en niet de dingen zelf zijn. Wij zien een schaduw of afbeelding van de hemelse wer-kelijkheid d.i. Christus. De offers zijn een schaduw van het werkelijke offer. Daarom kunnen de offers, die volgens de wet gebracht moeten worden, niemand volmaakt maken. Alleen Christus kan dat. 

Hierna wordt Psalm 40 geciteerd, waarin David profetisch spreekt, als zijnde Jezus Christus. Er worden 2 dingen tegenover elkaar gezet nl. de offers die overeenkomstig de wet gebracht werden en het lichaam van Jezus Christus, dat als offer gebracht werd. In vers 5 en 8 staat dan ook dat de slachtoffers, graanoffers, brandoffers en zondoffers door God niet gewild werden. God wilde iets definitiefs. Hij gaf aan Jezus Christus een lichaam, dat kon ster-ven, waardoor de zonden der wereld werden weggenomen. Dit was een eenmalig offer (vers 10) omdat Jezus Christus eeuwig leeft. Dit offer was volmaakt, en met dit offer heeft Hij ook alle heiligen volmaakt gemaakt. Hij schrijft dat Christus ons, die geheiligd worden, met één offer voor eeuwig volmaakt heeft. Er is nu vergeving op grond van dit ene offer en dus is er geen ander offer meer nodig.

Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt. En de Heilige Geest getuigt het ons ook. Want na eerst gezegd te hebben: Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun ver-stand schrijven, en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken. Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer nodig (Hebreeën 10:14-18).

Let wel: Dit geldt alleen voor degenen die met Hem verbonden zijn: de heiligen. Zij zijn volmaakt in Hem, zoals wij dit ook lezen in de brief aan de gelovigen/heiligen van Kolosse.

Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk. En u bent volmaakt geworden in Hem, Die het Hoofd is van iedere overheid en macht (Kolossensen 2:9-10).

Jezus Christus stelde Zich beschikbaar als slachtoffer (vers 12). Hij zei: "Ik kom, om Uw wil te doen, o God!".

Dit zei Hij ook in Gethsémané toen Hij bad of de drinkbeker van het lijden en sterven niet aan Hem voorbij kon gaan.  

Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt (Mattheüs 26:39).

Voor we verder gaan, moeten we nog een klein probleempje oplossen. Dit heeft te maken met de aanhaling van Psalm 40:7 in Hebreeën 10:5, want in onze Bijbel staat in Psalm 40:7 iets anders dan in Hebreeën 10:5.

Psalm 40:7 HSV
U hebt geen vreugde gevonden
in slachtoffer en graanoffer,
U hebt Mijn oren doorboord;
Hebreeën 10:5 HSV
Slachtoffer en spijsoffer hebt
U niet gewild, maar U hebt voor
Mij een lichaam gereedgemaakt.

Psalm 40:7 Septuagint
Slachtoffer en spijsoffer hebt
U niet gewild, maar U hebt voor
Mij een lichaam gereedgemaakt.

De Griekse tekst van de Septuagint:θυσιαν και προσφοραν ουκ ηθελησας σωμα δε κατηρτισω μοι 

De Griekse tekst van Hebr. 10:5θυσιαν και προσφοραν ουκ ηθελησας σωμα δε κατηρτισω μοι

 

Wij zien dat Paulus de Septuagint gebruikt heeft bij het schrijven van deze brief. In de tijd van de apostelen werd veel gebruik gemaakt van de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Grieks was in die tijd een algemene taal, zoals Engels dit in onze tijd is. Ik heb niet kunnen achterhalen waarom de schrijvers van de Septuagint deze tekst zo vertaald hebben. Hebben ze mis-schien een andere Hebreeuwse tekst gebruikt? Of is hun interpretatie anders geweest? Op zich is dit niet belangrijk. Paulus, die doorkneed was in de Hebreeuwse Schrift, heeft gebruikgemaakt van de Griekse vertaling en dat is voor mij voldoende om dit voor juist te houden.

Vanaf vers 19 tot aan het einde van hoofdstuk 10 krijgen de gelovigen weer een vermaning om de belijdenis van de hoop vast te houden. Paulus schrijft in vers 10-21 dat de gelovigen, op grond van wat hij in de vorige hoofdstukken geschreven heeft, vrijmoedigheid hebben om door het bloed van Jezus in het heiligdom binnen te gaan. Dit omdat wij een grote Pries-ter over het huis van God hebben.

Wij worden hierna opgeroepen om het volgende te doen:

  1. Laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof (vers 22).
  2. Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vast houden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw (vers 23).
  3. En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. (vers 24).
  4. Laten wij de onderlinge bijeenkomst1) niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen (παρακαλεω - paraka’leo), en dat zoveel te meer als u de grote dag (algemeen wordt aangenomen dat hier de 'Dag des HEEREN' mee wordt bedoeld. Zie o.a. 1 Thess. 5:2-4) ziet naderen (vers 25).
    1) επισυναγωγη (episunago’ge) is vertaald met "onderlinge bijeenkomst". 

Ook de andere Nederlandse vertalers (Canisius, Leidse Vertaling, Lutherse, NBG, NBV, Palm, Naardense Bijbel, SVV, Voorhoeve, Telos, en de Willibrord) hebben overeenkomstig vertaald.

Algemeen wordt aangenomen dat hier de wekelijkse bijeenkomst wordt bedoeld. Maar er zijn ook gelovigen die stellen dat het hier gaat over de dag van de 'Opname van de gelovigen'. Wij worden opgeroepen om deze dag niet te verzui-men.

De vraag is dus: waar worden wij in vers 25 toe opgeroepen?

Meestal blijkt dit wel uit het gebruik van het woord in het hoofdstuk waarin het vermeld staat. Dit zelfstandige naamwoord 'επισυναγωγη (episunago’ge)' komt maar twee keer voor in de Bijbel namelijk hier in He-breeën 10:25 en in 2 Thessalonicensen 2.1. Het is afgeleid van het werkwoord 'επισυναγω (episun’ago)'.

Het werkwoord komt zeven keer voor in de Bijbel.

In Mattheüs 23:37 (2x) en Lukas 13:34 lezen dat de Heere Jezus de kinderen Israëls heeft willen bijeenbrengen zoals een hen haar kuikens. Daarna lezen we in Mattheüs 24:31 en Markus 13:27 dat de Heere Jezus Zijn engelen zal uitzenden om de uitverkore-nen bijeen te brengen.  In Markus 1:33 lezen we dat een hele stad zich verzameld had bij de deur. En tenslotte lezen we in Lukas 12:1 dat een menigte bijeengekomen was. Het werkwoord betekent dus 'bijeenkomen of bijeenbrengen'. Het zelfstandig naamwoord betekent 'bijeenkomst'. Het kan over een aardse, maar ook over een hemelse bijeenkomst gaan. 

In 2 Thessalonicensen 2 blijkt duidelijk dat het gaat over een hemelse bijeenkomst: de 'Opname van de gelovigen'.

Dit blijkt uit de woorden "met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem" en "de dag van Christus". Ook de verzen die daarna volgen gaan over de toekomende dingen.

En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn (2 Thessalonicensen 2:1-2).

Over welke bijeenkomst gaat het dan wel?

Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar el-kaar aansporen (παρακαλεω - paraka’leo = aansporen, vermanen, vertroosten), en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen. Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. (Hebreeën 10:25 27).

Als wij de context vanaf vers 19 lezen, dan lezen wij dat wij nu al vrijmoedig in mogen gaan in het heiligdom, dat wij on-ze belijdenis zouden vasthouden en dat wij acht op elkaar zouden geven tot opscherping van liefde en goede werken. Ook zouden wij onze bijeenkomst niet verzuimen (in de steek laten), zoals sommigen de gewoonte hebben enz.

Vers 19 tot en met 25 horen bij elkaar. Dit is erg belangrijk om het geheel (vers 19 tot en met 31) te begrijpen. Gaat het hier over de 'Opname van de gelovigen'? Uit de context blijkt dit beslist niet. Er staat ook niet "met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus" en ook niet "onze vereniging met Hem" zoals in 2 Thessalonicensen 2:1. Er staat wel dat je elkaar zou aansporen, en dat des te meer als je de Dag (des Heeren) ziet naderen. 

Sommige gelovigen hadden de gewoonte om de onderlinge bijeenkomst (elkaar ontmoeten om elkaar aan te sporen) te verzuimen. Als het hier over de 'Opname van de gelovigen' zou gaan, zou je je moeten afvragen of je deze kunt verzui-men. Op geen enkele andere plaats in de Bijbel wordt dit namelijk geleerd. De verzen 19 tot en met 25 gaan ook niet over de toekomende dingen. En als het om de 'Opname van de gelovigen' zou gaan, is het niet logisch dat je deze nu al in de steek kunt laten. De gelovige gaat daar niet over. Alle gelovigen worden door de Jezus Christus zelf opgehaald als het zover is. Alle gelovigen gaan Hem dan tegemoet in de lucht en zullen voor altijd bij Hem zijn (1 Thessalonicensen 4:13-18). Het moet dus wel over de bijeenkomsten van de gelovigen hier op aarde gaan.

Wat wordt er nu eigenlijk in vers 19-31 uiteengezet?

  1.  Wij, gelovigen, mogen vrijmoedig het heiligdom ingaan door het bloed van Jezus, de grote Priester over het huis van God. 
  2. Wij zouden gaan met een waarachtig hart (een hart dat oprecht is, niet schijnheilig), in volle zekerheid van het geloof, omdat ons hart gereinigd is van een slecht geweten. 
  3. Wij zouden de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden. Paulus heeft het in deze brief vijf keer over de hoop nl. de roem van de hoop tot het einde vasthouden (3:6), dezelfde inzet tonen, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe (6:11). De hoop die voor ons ligt vast houden (6:18). Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel (6:19). De betere hoop brengt tot volmaaktheid (7:19) en tenslotte de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden (10:23).
    In hoofdstuk 11 schrijft Paulus over de hoop te volgende:
    Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet (Hebreeën 11:1).

    De dingen die men hoopt liggen vast in het geloof. Wij hopen op de vervulling van Gods beloften. Paulus schrijft aan de Romeinen:

    Want in de hoop zijn wij zalig geworden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen? Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding (Romeinen 8:24-25).

    Deze hoop op de beloften Gods zouden wij tot het einde toe vasthouden. Wij zouden volharden in het geloof.

    Wat beloofd is, is o.a. onze behoudenis (Joh. 6:47 Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven).
  4. Wij hebben elkaar nodig, dus: op elkaar letten, elkaar aanvuren tot liefde en goede werken, de bijeenkomsten bezoe-ken om elkaar aan te sporen.

De aansporingen in dit gedeelte hebben tot doel om niet door verleidingen af te vallen van de levende God, maar om vast te houden en te volharden. Hiervoor heb je elkaar nodig en hiervoor zijn ook de samenkomsten zeer belangrijk. Want als je door de verleidingen afvalt en Christus vertrapt, het bloed van het verbond onrein acht en de Geest der ge-nade versmaadt, dan val je onder de wraak van de Heer, die Zijn volk zal oordelen. Vreselijk is het om te vallen in de handen van de levende God (zie onderstaande verzen).

Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder: De Heere zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God (Hebreeën 10:26-31).

Omdat een aantal gelovigen toch het geloof in de Heere Jezus en Zijn genade bewust de rug toekeerden, waarschuwt Paulus de overige gelovigen in deze brief tegen de verleidingen en roept hen op vast te houden aan wat hen geleerd is. Hij laat zien wie Christus Jezus is, wat Zijn komst naar deze aarde inhield, en wat er in de toekomst nog zal komen.

Na de aansporingen in de verzen 22-25 komen we bij de aansporing in de verzen 35-39. Deze bevestigen het boven-staande.

Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven. Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen beha-gen. Wij zijn echter geen mensen die zich onttrekken en daardoor naar het verderf gaan, maar men-sen die geloven, tot behoud van hun ziel (Hebreeën 10:35-39).

 

Hoofdstuk 11

In hoofdstuk 11 wordt het getuigenis van een aantal gelovigen uit het Oude Testament opgesomd. Zij bleven volharden in het geloof. Dit had grote overwinningen tot gevolg, maar ook verdrukkingen en vervolgingen. Deze gelovigen echter hebben de beloften niet in vervulling zien gaan. Gods doel was dat zij samen met ons tot vol-maaktheid zouden komen.

En deze allen hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen, daar God met het oog op ons iets beters voorzien had, op-dat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen (Hebreeën 11:39-40).

 

Hoofdstuk 12

Hoofdstuk 12 geeft onze positie aan en bevat de aansporing om vanuit dit weten vast te houden aan de genade van God. Zie o.a. de verzen 28 en 29.

In vers 1 t/m 3 worden wij gewezen op de getuigen die volhard hebben. Wij worden opgeroepen om alle last en de zon-de, die ons zo gemakkelijk verstrikt, af te leggen. Paulus roept ons op om niet in een valstrik van de tegenstander te-recht te komen. Laat de lasten en verzoekingen ons niet te pakken nemen, zodat wij de Zoon van God de rug toe keren.

Wij zouden met volharding de wedstrijd lopen en ons oog op Jezus Christus gericht houden, Die niet gevlucht is toen men Hem wilde kruisigen en Die de vernedering die Hij hierbij onderging, heeft verdragen. Want deze Jezus zit nu aan de rechterhand van God. "Verzwak en bezwijk niet" is dan ook de oproep. Vers 4 wordt vaak niet begrepen. Hier staat:

U hebt nog niet tot bloedens toe weerstand geboden in uw strijd tegen de zonde (Hebreeën 12:4).

Vroeger sloeg men zichzelf tot bloedens toe, om zo de zonde als het ware er uit te slaan. Tegenwoordig zie je vaak dat mensen hun uiterste best doen om maar niet te zondigen. Helaas mislukt dit dagelijks en deze gelovigen gaan dan ook vaak gebukt onder deze last. Met alle beloften die wij hebben ontvangen en de vrijheid waarin wij gezet zijn kan dit niet de strekking van dit vers zijn. Het gaat niet om de dagelijkse zonden die wij helaas nog steeds doen. Gelukkig wil de Heere Jezus die telkens weer vergeven en mogen wij leven uit genade (gratie).

Hoe zouden wij dit vers dan moeten lezen?

Als wij hoofdstuk 11 en de 1e 3 verzen van hoofdstuk 12 lezen, dan zien wij dat de getuigen in alle omstandigheden vasthouden aan hun geloof. Zij laten zich niet door de omstandigheden verleiden tot het aan de kant zetten van het ge-loof. Zij blijven vaststaan. Paulus roept ons in dit vers op om ook vast te blijven staan in het geloof, ondanks de om-standigheden. Wat het ook kost. Ook al kost het ons het leven. Paulus wijst ons op Jezus Christus. Hij is de "Leidsman en Voleinder van het geloof". Er staat dat Hij de hoogste of voornaamste Leider (αρχηγος - arche’gos) van het geloof is en dat Hij Degene is Die het geloof voltooid of vervuld (τελειωτης - teleio’tes;) heeft. Deze Jezus heeft alles over zich heen laten komen, diepe vernederingen en zelfs de kruisiging. Hij was God, Zijn Vader, gehoorzaam tot de dood (Filippenzen 2:8). Wij hebben in deze brief al een paar keer gelezen dat er gelovigen waren die het geloof in de genade van Jezus Christus de rug toe keerden. En telkens spoort Paulus de gelovigen aan om het geloof vast te houden. 

In de verzen 5 t/m 11 roept Paulus op om de vermaning c.q. terechtwijzing niet naast je neer te leggen, want hiermee laat God zien, dat je Zijn zoon bent. Paulus citeert in vers 5 en 6 uit Spreuken 3.

11 Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet en heb geen afkeer van Zijn bestraffing. 12 Want de HEERE straft wie Hij liefheeft, zoals een vader doet met de zoon die hij goedgezind is (Spreu-ken 3:11-12).

De gelovigen worden door God bestraft. Het gaat hier niet over straf omdat je iets verkeerd doet, maar het gaat over op-voeding (De Griekse woorden die hier gebruikt worden zijn παιδευω en παιδεια - pai’deuo / pai’deia en betekenen op-voeden, corrigeren, onderwijzen, bestraffing tot verbetering). Hij doet dit tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan Zijn hei-ligheid. Als God dit niet zou doen, zouden wij bastaards zijn en geen zonen. 

In de verzen 12 t/m 17 schrijft Paulus dan ook:

  1. Kom op en laat je niet kisten, (vers 12 en 13).
  2. Probeer vrede met iedereen te hebben en zonder je af van de wereld. (vers 14).
  3. Zorg er voor dat niemand achterop raakt in de genade van God en laat geen bitterheid toe in je hart, waardoor velen bezoedeld zouden kunnen worden. (vers 15).
  4. Word ook niet zo als Ezau, die zijn eerstgeboorterecht weggaf voor een maaltijd. Want toen hij later de grote zegen die bij het eerstgeboorterecht hoort, kwam ophalen, was deze al naar Jacob gegaan. (vers 16 en 17).

Waarom Paulus bovenstaande aansporingen geeft, lezen we in de volgende verzen.

Hij schrijft daar dat wij niet met Mozes en het volk Israël bij de berg Sinaï gekomen zijn, namelijk bij het Oude Verbond dat God sloot met zijn volk. (vers 18 t/m 21)

Maar wij zijn gekomen tot een veel betere toekomst, namelijk

  1. tot de berg Sion, het hemelse Jeruzalem (vers 22).
  2. tot tienduizenden engelen (vers 22).
  3. tot de feestelijke bijeenkomst.
  4. tot de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemel opgeschreven zijn (vers 23).
  5. tot God, de rechter over allen (vers 23).
  6. tot de geesten van de volmaakte rechtvaardigen (vers 23).
  7. tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond (vers 24).
  8. tot het bloed van besprenging, dat van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel (vers 24).

Wij horen, kort gezegd, niet meer bij het oude (de aardse dingen), maar bij het nieuwe (de hemelse dingen).

Omdat God de hemel en de aarde, die wankelbaar zijn, gaat vervangen door een onwankelbare hemel en aarde, roept Paulus de gelovigen opnieuw op om Christus niet te verwerpen, maar vast te houden aan de genade van God, want de gelovigen ontvangen een onwankelbaar Koninkrijk. 

Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied. Want onze God is een verterend vuur (Hebreeën 12:28-29). 

 

Hoofdstuk 13

 

Dan komen we terecht bij het laatste hoofdstuk. Hoofdstuk 13 spreekt over het gemeenteleven. Paulus geeft hier aan hoe wij als gelovigen ons ten opzichte van elkaar zouden gedragen.  

Vers 1 - Broederliefde.

Vers 2 - Herbergzaamheid.

Vers 3 - De gevangenen gedenken.

Vers 4 - Het huwelijk in ere houden. 

Vers 5-6 - Niet geldgierig zijn, tevreden zijn met wat je hebt. De Heer zal ons niet verlaten. Hij helpt ons en dus hebben wij niets te vrezen.

Vers 7-8 - Denk aan je voorgangers die Gods Woord tot je gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levens-wandel en volg hun geloof na.

Vers 9 - Laat je niet meeslepen door vreemde leringen. Blijft bij de genade.

Vers 10-13 - Zij die in de Tabernakel dienen (die onder de wet leven met allerlei spijswetten en verboden), mogen niet eten van het lichaam dat buiten de stad (legerplaats) verbrand werd. De gelovigen echter worden opge-roepen om de smaadheid van Jezus buiten de legerplaats te dragen, en deel te krijgen aan Zijn lichaam. 

Vers 14 - Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken een toekomstige stad.

Vers 15 - Een lofoffer brengen aan God nl. de vrucht van de lippen.

Vers 16 - Weldoen en onderling hulpbetoon niet vergeten.

Vers 17 - Je voorgangers gehoorzamen en hen onderdanig zijn.

Vers 18-19 - "Bid voor ons", zegt Paulus o.a. opdat ik des te eerder aan jullie teruggegeven zal worden.

Vers 20-21 - Een wens van Paulus aan ons, gelovigen, dat God ons zal mogen toerusten tot goede werken, om Zijn wil te doen door Jezus Christus.

Vers 22 - Verdraag deze woorden van vermaning.

Vers 23 - Een mededeling dat Timotheüs is vrijgelaten en dat Paulus met Timotheüs de gelovigen gaat bezoeken.

Vers 24 - Groet al jullie voorgangers en al de heiligen.

In vers 22 noemt Paulus de brief 'woorden van vermaning' en 'een korte brief' en roept hij de gelovigen op om deze woor-den van vermaning ((παρακλησις - para’klesis) te verdragen.

Het doel van de brief is te laten zien wie Christus Jezus is en gelovigen aan te sporen om niet door (godsdienstige) ver-leidingen, af te wijken van het evangelie van Jezus Christus.

Paulus besluit de brief met de woorden:
De genade zij met u allen. Amen. (Hebreeën 13:25)

 

Samenvatting:

Paulus begint de brief met de aanhef dat God in die tijd tot hen gesproken had door de Zoon van God, Jezus Christus. En deze Zoon van God is de Erfgenaam van alles. Tevens heeft God door deze Zoon de wereld (αιων - ai’oon) gemaakt. Hierna beschrijft hij Jezus Christus als de aangestelde hoogste persoon in deze schepping. Hij was wel tijdelijk lager dan de engelen, maar God heeft Hem na de opstanding boven alles gesteld. En de engelen zijn dienende geesten, uitgezonden ten dienste van hen die zalig/behouden zullen worden.

Daarna worden in hoofdstuk 2 de gelovigen opgeroepen om niet deze grote behoudenis te veronachtzamen en weg te drij-ven. Deze ongehoorzaamheid kan rekenen op een rechtvaardige vergelding. En hierna wordt de Heere Jezus beschreven als Degene aan Wie alle dingen onderworpen zijn en dat wij Jezus met heer-lijkheid en eer gekroond zien. Paulus beschrijft in dit hoofdstuk ook de relatie tussen Christus en de gelovige. Hij schrijft dat door de dood van Jezus Christus de duivel zijn macht verloren heeft en dat de gelovige verlost is uit de slavernij van de duivel. En ook dat Hij de gelovigen, als zij verzocht worden, kan helpen.

In hoofdstuk 3 en 4 schrijft Paulus dat Jezus Christus als Zoon van God boven de dienstknecht Mozes is gesteld. Wij, als gelovigen, zijn het huis van Christus, tenminste als wij de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vasthouden. Daarna waarschuwt hij ons om de hoop vast te houden en het hart niet te verharden door de verleiding van de zonde, omdat wij deel gekregen hebben aan Christus, tenminste als wij standvastig blijven tot het einde. Hoofdstuk 4 eindigt met de woorden dat  wij vrijmoedig mogen gaan naar de troon van genade, om barmhartigheid en gena-de van God te krijgen.

In hoofdstuk 5 en 6 schrijft Paulus over Christus als Hogepriester, niet vanuit de stam van Levi en dus tijdelijk, maar eeu-wig overeenkomstig de orde van Melchizedek. Helaas moet hij constateren dat er gelovigen zijn die traag zijn geworden in het horen en dat zij zijn afgevallen. Zij hebben de geestelijke gaven ontvangen en hebben deze weer verworpen. Hij wil niet opnieuw beginnen met de evangelieprediking, want hij kan deze afvalligen toch niet weer tot bekering brengen omdat zij met hun afvalligheid de Heere Jezus opnieuw hebben gekruisigd en openlijk te schande gemaakt. De overige gelovigen roept hij op om niet traag te worden, maar tot het einde door te zetten. En in de laatste 8 verzen van hoofdstuk 6 volgt dan een bemoediging voor de gelovigen nl. dat de gelovigen door geloof en geduld de beloften die God gegeven heeft, zullen beërven. Dit noemt Paulus in vers 9 de "betere dingen" die met de zalig-heid samenhangen.

In hoofdstuk 7:1 - 10:18 spreekt Paulus over Christus en het Hogepriesterschap naar de orde van Melchizedek, het Nieuwe Verbond, het eenmalige offer en de tabernakel. Hij spreekt in deze hoofdstukken over de 'betere dingen'. Hij stelt dat Levi minder is dan Melchizedek. Levi is tijdelijk, Melchizedek is eeuwig (Koning van de gerechtigheid, koning van Salem (= vre-de), zonder begin van dagen en einde des levens). Melchizedek is een type (uitbeelding) van Jezus Christus. Hij is aan de Zoon van God gelijk gemaakt (Let op: de Zoon is niet aan Melchizedek gelijk gemaakt) en daarom blijft hij priester voor eeuwig. Jezus is echter de Hogepriester (en Koning) voor eeuwig. Hij staat boven Levi en ook boven Melchizedek. Levi vertegenwoordigt het oude (de wet, die een schaduw van de werkelijkheid was), maar Christus is het nieuwe (de wer-kelijkheid, die in de hemel is). Het Oude Verbond is sinds Jeremia aan het verdwijnen en sinds de opstanding van Jezus Christus is er een nieuw ver-bond. Dit verbond is ingeluid door het éénmalige offer van Jezus Christus. De offers onder de wet konden niet verzoenen en vol-maaktheid brengen; het offer van Christus deed dit wel.

Vanaf hoofdstuk 10 vers 19 tot aan het einde van dit hoofdstuk krijgen de gelovigen weer een vermaning. Wij zouden vrijmoedig het heiligdom ingaan met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof. Wij zouden de belij-denis van de hoop vasthouden en op elkaar letten door elkaar tot liefde en goede werken aan te vuren. Wij moeten de on-derlinge samenkomsten niet verzuimen, maar elkaar ontmoeten met het doel elkaar aan te sporen om vast te houden aan het geloof. En hoe dichter wij bij de Dag des Heeren komen, des te belangrijker dit wordt.

In hoofdstuk 11 spreekt Paulus over de zekerheid van het geloof en over de gelovigen die volhard hebben tot het einde.

Hoofdstuk 12 bevat één grote aansporing om vast te houden aan de genade van God. Zie o.a. de verzen 28 en 29. De reden hiervoor is, dat wij gekomen zijn tot de hemelse dingen (de berg Sion, tienduizenden engelen, een feestelijke bij-eenkomst, de Gemeente van eerstgeborenen, de Middelaar van het Nieuwe Verbond enz.). Wij horen, kort gezegd, niet meer bij het oude (de aardse dingen), maar bij het nieuwe (de hemelse dingen).

Omdat God de hemel en de aarde, die wankelbaar zijn, gaat vervangen door een onwankelbare hemel en aarde, roept Pau-lus de gelovigen opnieuw op om Christus niet te verwerpen, maar vast te houden aan de genade van God, want de gelovi-gen ontvangen een onwankelbaar Koninkrijk.  

Het laatste hoofdstuk wijdt Paulus aan het leven binnen de Gemeente. Hij spreekt over broederliefde, herbergzaamheid, de gevangenen gedenken, het huwelijk in ere houden, niet geldgierig zijn, tevreden zijn met wat je hebt, aan je voorgangers denken, je niet laten meeslepen door vreemde leringen, bij de genade blijven, de smaadheid van Jezus dragen buiten de legerplaats, een lofoffer brengen aan God, weldoen en onderling hulpbetoon niet vergeten, de voorgangers gehoorzamen en hen onderdanig zijn en hij vraagt gebed voor zichzelf.

In vers 22 zegt hij:
Overigens roep ik u ertoe op, broeders, deze woorden van vermaning te verdragen, ook al heb ik u slechts in het kort geschreven.

Hij besluit de brief met de woorden: De genade zij met u allen. Amen.

KB

Download het hele artikel hier: