Romeinen 11

De klacht is dat de uitleggingen van Romeinen 11 (en vaak ook andere Bijbelgedeelten) gebaseerd zijn op vooraf vastgestelde meningen, overtuigingen en redeneringen. Redeneringen zoals "het kan toch niet zijn dat" en "het is toch duidelijk dat hier iets anders bedoeld moet zijn", en "het is toch logisch dat" enz.. Het gaat er dan niet meer om: 'wat staat er', maar 'wat vinden wij dat er moet staan'. En dus passen wij de Bijbel aan, aan onze eigen leer. Dit ter inleiding.

Wanneer wij Romeinen 11 lezen (nadat wij ook de eerste 10 hoofdstukken hebben gelezen), dan begint dit hoofdstuk met:

Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin. (vers 1)

Uit de voorafgaande verzen in hoofdstuk 10 zou men inderdaad kunnen afleiden dat God zijn volk heeft verstoten. Paulus onderkent dit en zegt "Dat zij verre". De NGB en Voorhoeve vertalen met: "volstrekt niet". Een duidelijke ontkenning dus. God heeft Zijn volk niet verstoten. Hij draagt zichzelf als bewijs aan. "want ik ben ook een Israëliet".

En om een open deur in te trappen: Het volk waar Paulus zichzelf toe rekent, en waar hij in de vorige hoofdstukken ook over sprak, is het volk Israël.

Vers 2 begint dan ook met de woorden: God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. (vers 2a)

Als voorbeeld neemt hij Elia en de zevenduizend mannen die zich ten tijde van koning Achab niet voor de Baäl bogen (1 Koningen 19:10 en 18).

Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende: Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben. (vers 2b t/m 4)

Paulus vervolgt dan ook met de woorden:

Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. (vers 5). Het Israël waar Paulus hier over spreekt is "een overblijfsel".

Dit overblijfsel van Israël is er naar de verkiezing der genade. In het volgende vers stelt hij deze genade tegenover de werken. En omdat Israël de rechtvaardigheid in de werken der wet zocht (Romeinen 9:30-31) heeft zij, wat zij zocht niet gekregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen, de anderen zijn verhard geworden
(vers 7).

En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer. Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. (vers 6-7)

In dit gedeelte zien wij Israël in tweeën gedeeld nl. in een uitverkoren deel (een overblijfsel) en een verhard deel. Paulus rekent zichzelf tot het uitverkoren deel. In vers 8 t/m 10 spreekt Paulus over het verharde deel van Israël.

Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen tot op den huidigen dag. En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen. Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd. (vers 8-10)

Vanaf vers 11 zien wij een tweede partij toegevoegd nl. de heidenen. Er staat in dit vers dat de zaligheid (of behoudenis) naar de heidenen is gegaan om het gevallen deel van Israël tot jaloersheid te brengen.

Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val 1) is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken. (vers 11)

Paulus grijpt hier terug naar hoofdstuk 10:19, waar hij naar Mozes verwijst, die in Deuteronomium het volgende gezegd heeft:

Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver 2) verwekken door diegenen, die geen volk 3) zijn (Lo Am); door een dwaas volk 4) zal Ik hen tot toorn verwekken. (Deuteronomium 32:21)

De val (1) van het verharde deel van Israël is enerzijds positief voor de heidenen, die nog ook deel kunnen krijgen aan de genade Gods, en anderzijds is het Gods bedoeling dat deze genade voor de heidenen weer positief uitwerkt voor de het verharde deel van Israël. Zij zouden jaloers worden om zo weer tot geloof te komen.

  1. Het woord 'val' wordt alleen in vers 11 en 12 zo vertaald, elders twee keer met 'zonde', en de overige keren met 'misdaad'.
  2. ijver is hetzelfde woord als jaloersheid
  3. (lo am) = geen volk
  4. (goy) = volk, natie, heidenen
     

In de volgende verzen gaat hij hier dan ook nader op in. Hij spreekt over de volheid van het verharde deel van Israël.

En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid! (vers 12)

Vandaag de dag kunnen de heidenen tot geloof komen en toegevoegd worden aan de uitverkorenen Gods en in de toekomst zal alsnog geheel Israël behouden worden (vers 26), en zij zullen heersen over de volkeren en hun heerlijkheid zal uitstralen over hen.

Misschien heeft Paulus aan de volgende woorden gedacht, toen hij sprak over de volheid van Israël:

De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. …..
En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen; (Deuteronomium 28:9,10 en 13)

Over deze gebeurtenis spreekt ook o.a. Ezechiël 37 waar de doodsbeenderen van Israël tot leven komen (zie ook Romeinen 11:15 - leven uit de doden) en Gods Knecht David voor eeuwig Koning over hen zal zijn. Het laatste vers van Ezechiël 37 zegt dan ook:

En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid. (Ezechiël 37:28)

In de volgende verzen zegt Paulus dat hij zijn apostelschap voor de heidenen gebruikt om sommigen van zijn vlees tot jaloersheid te brengen, om zo enigen van hen tot geloof te brengen.

Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk; Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht. Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden? (vers 13-15)

Hij herhaalt wat hij in vers 11 en 12 gezegd heeft, maar nu geeft hij zijn eigen rol hierin weer. 'Hun volheid' in vers 12 komt overeen met 'het aannemen' (proslambano) en 'leven uit de doden'. Dit laatste doet weer denken aan Ezechiël 37. In de verzen 16 t/m 24 past Paulus voorgaande toe op de eerstelingen en het deeg en op de wortel en de takken en in vers 25 en 26 past hij dit weer toe op de heidenen en het verharde deel van Israël.

  • vers 16  En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
  • vers 17  En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,
  • vers 18  Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
  • vers 19  Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden.
  • vers 20  Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
  • vers 21  Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.
  • vers :22  Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.
  • vers 23  Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.
  • vers 24  Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden? (vers 16-24)

Paulus neemt de olijfboom tot voorbeeld. Hij spreekt hier over twee olijfbomen nl. de goede olijfboom en de wilde olijfboom (vers 24). Hij zegt in vers 17 dat er takken uit de goede olijfboom zijn weggebroken en in vers 20 geeft hij aan dat de reden hiervoor 'ongeloof' was. Daarnaast zegt hij van de heidenen (vers 13 Ik spreek tot u heidenen), dat zij, een wilde olijftak zijnde, door geloof (vers 20) in hun plaats zijn ingeënt. Dit komt overeen met vers 11-15.

Opgemerkt moet worden dat de Statenvertaling het woord 'olijfboom' gebruikt i.p.v. olijftak of loot.
De NBG vertaalt met 'loot'.

Het Griekse woord 'elaia' kan met beide woorden vertaald worden. Vers 24 zegt: "indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom die van nature wild was". Hier en in vers 17 is dus geen sprake van een hele boom die, maar van takken die overgezet zijn in de goede olijfboom.

Wij lezen dus in vers 17 dat er takken afgebroken zijn. In de context van Romeinen 11 blijkt dat dit het verharde deel van Israël is. Daarnaast lezen we dat er takken ingeënt zijn. Dit zijn duidelijk die heidenen, die tot geloof gekomen zijn. Ongelovigen worden afgehouwen en gelovigen ingeënt (vers 20).

Vers 23 en 24 voegen hier iets aan toe. Paulus zegt hier dat degenen die niet in hun ongeloof blijven opnieuw ingeënt zullen worden. Vers 25 licht dit toe. Daar zegt Paulus dat de verharding over Israël van tijdelijk aard is. Dit blijkt ook uit vele Oud-Testamentische profetieën. Lees o.a. Deuteronomium 30:1-6.
Deze verharding duurt totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. Deze volheid is hetzelfde als de volheid die genoemd is in vers 12.

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. (vers 25)

In vers 12, gekoppeld aan vers 15, spreekt Paulus over de volheid van Israël, zijnde leven uit de doden.Vers 23 spreekt over het opnieuw ingeënt worden van hen die niet in het ongeloof blijven, waarvan vers 25 zegt dat de verharding tijdelijk is. Door geloof komt men dus opnieuw tot leven.
Dit geldt ook voor de heidenen. Als de gelovige heidenen ingegaan zijn, zal de verharding over Israël opgeheven worden.

Dus vervolgt Paulus

En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen. (vers 26-27)

Geheel Israël wordt uiteindelijk toch behouden. Tenminste als men tot geloof komt (vers 23).  Het Oude Testament leert op diverse plaatsen dat dit het geval zal zijn.

En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE. Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid toe. (Jesaja 59:20-21)

Geloof in de Messias is de enige basis tot behoud. Dit geldt zowel voor de volkeren (vers 20) als voor Israël (vers 23). God zal allen die geloven barmhartig zijn, zowel Israël als de heidenen (vers 31). De laatste verzen van dit hoofdstuk zijn dan ook een loflied op de wijsheid en kennis Gods.

Romeinen 11 sluit dan ook af met de woorden:

Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
 

K.B. / 031010