Melk en vast voedsel I

(Er is gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling. Woorden tussen haakjes zijn door de vertalers ingevoegd ten behoeve van de leesbaarheid)

En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot mensen die geestelijk zijn, maar als tot mensen die (nog) vleselijk zijn, als tot jonge kinderen in Christus. Ik heb u met melk gevoed en niet met (vast) voedsel, want u kon (dat) nog niet (verdragen); ja, u kunt (dat) ook nu nog niet, want u bent nog vleselijk. Als er immers onder u afgunst is en ruzie en tweedracht, bent u dan niet vleselijk en wandelt u (dan niet) naar de mens? (1 Korinthe 3:2-3)

Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars zou moeten zijn, hebt u weer (iemand) nodig (die) u onderwijst in de grondbeginselen van de woorden van God. U bent geworden (als mensen) die melk nodig hebben en niet vast voedsel. Ieder immers die van melk leeft, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een kind. Maar voor de volwassenen is (er) het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik (ervan) geoefend hebben om te (kunnen) onderscheiden tussen goed en kwaad. (Hebreeën 5:12-14)
 

Deze tekstgedeelten zijn de enige plaatsen in de Bijbel, waarin de termen 'melk' in combinatie met 'vast voedsel' voorkomen. Toch worden juist deze termen te pas en te onpas gebruikt. Of liever gezegd: misbruikt. Elke keer dat ik broeders/zusters heb horen zeggen: "Die is nog aan de melk" (of een dergelijke uitdrukking), was dit denigrerend bedoeld. "Die is nog niet zo ver" is ook een veel gebruikte zinsnede. De broeder/zuster bedoelt dan te zeggen dat hij of zij verder op de weg is dan de ander en dat hij/zij het beter weet dan de ander. De toon is ook meestal kleinerend. Men gaat er dan prat op dat men meer bijbelstudies heeft gevolgd dan de ander of dat men vervuld is met de Heilige Geest en de ander nog niet. De ander moet nog heel wat leren!!! De Bijbel beschrijft dit gedrag als 'vleselijk' en niet als geestelijk. De vraag is daarom: Wie heeft er eigenlijk melk nodig en wie het vaste voedsel.

 Petrus zegt in zijn eerste brief dat "de zuivere melk van het Woord" de tegenhanger is van de vleselijke dingen (bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij) en dat de gelovige door de melk opgroeit tot volwassenheid. Het vleselijke staat tegenover het geestelijke. Door de melk wordt de gelovige opgebouwd tot een geestelijk huis en een geestelijk priesterschap om geestelijke offers te brengen. Zolang de gelovige nog in het groeiproces zit, en dus kind is, heeft hij of zij nog melk nodig.

 Leg dan af alle slechtheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij. En verlang vurig, als pasgeboren kinderen, naar de zuivere melk van het Woord, opdat u daardoor mag opgroeien, indien u tenminste geproefd hebt dat de Heere goedertieren is, en kom naar Hem toe (als naar) een levende steen, die wel door (de) mensen verworpen is, maar bij God uitverkoren (en) kostbaar, dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd (tot) een geestelijk huis, (tot) een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus. (1 Petrus 2:1-5)
 

Wat zegt het Woord verder over deze dingen?

Als wij de eerste brief van Paulus aan de Gemeente van Korinthe lezen, dan schrijft Paulus in hoofdstuk 1:5:

Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus. U bent (namelijk) in alles rijk geworden in Hem, in alle spreken en alle kennis, naarmate het getuigenis van Christus bevestigd is onder u, zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heere Jezus Christus verwacht. (God) zal u ook bevestigen tot het einde toe, zodat u onberispelijk zult zijn op de dag van onze Heere Jezus Christus. God is getrouw, door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. (1 Korinthe 1:4-9)

 Paulus heeft gehoord dat er ruzies (strijd, twist) onder de Korinthiërs zijn (de één zegt dat hij van Paulus is, de ander van Apollos, weer een ander zegt van Kefas te zijn en weer iemand anders zegt van Christus te zijn). Hij roept hen op om geen scheuringen te veroorzaken (1 Korinthe 1:10-11).

 
In hoofdstuk 2 gaat hij verder over de wijsheid voor de volwassenen, waar ik later nog op terug kom.

In hoofdstuk 3 zegt hij dat de Korinthiërs deze wijsheid nog niet kunnen verdragen.

 
En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot mensen die geestelijk zijn, maar als tot mensen die (nog) vleselijk zijn, als tot jonge kinderen in Christus. Ik heb u met melk gevoed en niet met (vast) voedsel, want u kon (dat) nog niet (verdragen); ja, u kunt dat ook nu nog niet, want u bent nog vleselijk. Als er immers onder u afgunst is en ruzie en tweedracht, bent u dan niet vleselijk en wandelt u (dan niet) naar de mens? Want als iemand zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik van Apollos, bent u dan niet vleselijk? (1 Korinthe 3:1-4)

 
Uit bovenstaande blijkt dat de gelovigen in Korinthe vleselijk zijn, ondanks dat zij rijk geworden zijn in Christus, in alle spreken en alle kennis (1 Korinthe 1:5).

Of zij geestelijk of vleselijk zijn blijkt dus niet uit wat zij weten (de kennis), maar uit de praktijk, uit hun handelen. Zij achten de ene dienstknecht van Christus meer dan de ander, en scharen zich dan achter hun uitgekozen leider. En hierover twisten zij onder elkaar. Paulus roept de Korinthiërs op tot eenheid (1 Korinthe 1:10). Ook in de brief aan de Filippenzen roept hij de gelovigen hiertoe op, waarbij hij niet spreekt over eenheid in (verborgen) kennis, maar over leven uit geloof:

Als er dan enige bemoediging is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innige gevoelens en ontfermingen zijn, maak (dan) mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent (en) één van gevoelen. (Doe) niets uit eigenbelang of eigendunk, maar laat in nederigheid de een de ander voortreffelijker achten dan zichzelf. Laat eenieder niet (alleen) oog hebben voor wat van hemzelf is, maar laat eenieder ook (oog hebben) voor wat van anderen is. Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, ….. (Filippenzen 2:1-5)


Wandelen door de Geest

Ook in de brief aan de Galaten spreekt Paulus over deze dingen. Paulus spreekt over de vrijheid in Christus, maar niet de vrijheid om vleselijk te leven (Galaten 5:1 en 13). In de woorden die daarop volgen worden het vlees en de Geest tegenover elkaar gezet. In 1 Korinthe 3:2-3 wordt gesproken over afgunst, twist en tweedracht, als zijnde vleselijk. Ook bij de opsomming van de werken van het vlees in Galaten 5 staan vijandschappen, ruzie en afgunst. Deze vleselijke dingen worden tegenover vrucht van de Geest gesteld.

De vrucht van de Geest is echter: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Daartegen richt de wet zich niet. Maar wie van Christus zijn, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Als wij door de Geest leven, laten wij dan ook door de Geest wandelen. Laten wij geen mensen met eigendunk worden, elkaar (niet) uitdagen en benijden. (Galaten 5:22-26).
 

De gelovige wordt hier opgeroepen om door de Geest te wandelen. De weg van het vlees naar de Geest is de weg van de melk. Het onvolwassen gedrag van de gelovige die de werken van het vlees voortbrengt staat tegenover de vrucht van de Geest, die zich uit in een volwassen gedrag (liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing).

Heel belangrijk hierin is de liefde, zoals verwoord in 1 Korinthe 13. In 1 Korinthe 12:31 wordt dit omschreven als "Streef dus naar de beste genadegaven. En ik wijs u een weg die dit alles nog overtreft".
De liefde wordt omschreven als een alles overtreffende weg, en is meer dan de talen, profetie, kennis van verborgenheden, geloof tot het doen van krachten en het weggeven van al je bezittingen tot aan je leven toe. Zonder de liefde (zie hieronder wat de liefde inhoud) is dit allemaal zonder enige waarde.
 

Al zou ik de talen van de mensen en van de engelen spreken, maar ik had de liefde niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende cimbaal zijn geworden. En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets. En al zou ik al mijn bezittingen uitdelen tot levensonderhoud van de armen, en al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de liefde niet, het baatte mij niets. (1 Korinthe 13:1-3)

 

De liefde:

 is geduldig,

is vriendelijk,

is niet jaloers,

pronkt niet,

doet niet gewichtig,

handelt niet ongepast,

zoekt niet haar eigen belang,

wordt niet verbitterd,

denkt geen kwaad,

verblijdt zich niet over de ongerechtigheid,

verheugt zich over de waarheid,

bedekt alle dingen,

gelooft alle dingen,

hoopt alle dingen,

verdraagt alle dingen.

De liefde vergaat nooit.

(1 Korinthe 13:4-8)

 

Zowel Galaten 5:22 als 1 Korinthe 13:4-8 spreken over volwassenheid n.l. geleid worden door de Heilige Geest.
In de brief aan de Romeinen staat:

Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn (kinderen) zonen (υιος = zoon) Gods. (Romeinen 8:14)

In Efeze 3:14-21 bidt Paulus o.a. voor de gelovigen: "dat u in de liefde geworteld en gefundeerd bent" en dat "u de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat".

In 1 Korinthe 13 wordt gezegd wat de liefde is en in Galaten 5:22 wordt gezegd dat liefde door de Geest wordt voortgebracht. Als je goed leest dan is de inhoud van DE LIEFDE dezelfde als de VRUCHT van de Heilige Geest.
Wij zouden niet de begeerte van het vlees volbrengen, maar wandelen door de Geest.

 
Ook in alle andere brieven aan de Gemeenten worden de gelovigen opgeroepen om niet naar het vlees te wandelen, maar naar de Geest. Lees o.a. Efeze 5. Hier staat geschreven dat apostelen, profeten, herders en leraars aan de Gemeente zijn gegeven om de gelovigen tot volwassenheid te brengen.
 

En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, (weer) anderen als evangelisten en (nog weer) anderen als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus, opdat wij geen jonge kinderen meer zouden zijn, heen en weer geslingerd door de golven en meegesleurd door elke wind van leer, door het bedrog van de mensen om op listige wijze tot dwaling te verleiden, maar dat wij, door ons in liefde aan de waarheid te houden, in alles toe zouden groeien naar Hem Die het Hoofd is, (namelijk) Christus. Van Hem uit wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden door elke band die ondersteuning geeft, overeenkomstig de mate waarin ieder deel werkzaam is. Zo verkrijgt het lichaam zijn groei, tot opbouw van zichzelf in de liefde. (Efeze 4:11-16)
 

Wat de volwassenheid inhoudt lezen wij hierboven in vers 14. Hier staat dat volwassenen niet meer meegesleurd worden door elke wind van leer en zich niet meer tot dwaling laten verleiden, maar zich in liefde aan de waarheid houden. Ditzelfde lezen wij in Hebreeën 5:12-14 nl. dat de volwassenen door ervaring hun zintuigen (verstand, zinnen, waarneming) hebben geoefend in het onderscheid maken tussen goed en kwaad. Zij weten dus wat goed is en wat kwaad is. De volwassenen zullen dan ook niet meedoen met 'Ik ben van Paulus en ik ben van Apollos' (1 Korinthe 3:4). Zij weten uit ervaring dat dit kwaad (vleselijk) is. Het kind, wat nog melk krijgt, is nog onervaren in het woord der gerechtigheid. Hij heeft in de praktijk nog weinig ervaring opgedaan. Hij weet nog niet wat goed of kwaad (geestelijk of vleselijk) is. Tijdens de melkperiode wordt hem dit onderwezen en pas als hij zijn zintuigen hierin geoefend heeft om dit onderscheid te maken, is hij toe aan het vaste voedsel. Hij is volwassen.
 

U bent geworden (als mensen) die melk nodig hebben en niet vast voedsel. Ieder immers die van melk leeft, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een kind. Maar voor de volwassenen is (er) het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik (ervan) geoefend hebben om te (kunnen) onderscheiden tussen goed en kwaad. (Hebreeën 5:12b-14).
 

Het is niet zo, dat als iemand de wetenschap (kennis) van 'goed en kwaad' onder de knie heeft, dat hij dan aan het vaste voedsel toe is. Pas als je er in de praktijk uit weet te leven (de zintuigen door het gebruik geoefend heeft), dan ben je toe aan vast voedsel. In de brief aan de Korinthiërs heeft Paulus het niet over de theorie, maar over de praktijk. Hij noemt hen vleselijk omdat zij een keuze maken tussen Paulus, Apollos, Kefas en Christus en zeggen dat zij bij één van hen horen. Zij handelen vleselijk en dus hebben zij nog steeds melk nodig.

Jakobus zegt in zijn brief (Jakobus 2:26): "zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood".

 Ik wil dit eerste deel dan ook besluiten met de woorden van Paulus:

de rechtvaardige zal uit het geloof leven (Romeinen 1:17).