Jezus Christus Zoon van God

Deel I
(Er is gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling)

Toen Jezus gekomen was in het gebied van Caesarea Filippi,
vroeg Hij aan Zijn discipelen:
Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
Zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper, en anderen:
Elia, en weer anderen: Jeremia of een van de profeten.
Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben?
Simon Petrus antwoordde en zei:
U bent de Christus, de Zoon van de levende God.
En Jezus antwoordde en zei tegen hem:
Zalig bent u, Simon Barjona,
want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard,
maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
(Mattheüs 16:13-17)

Wie was de Heere Jezus in de jaren dat Hij hier op aarde was? Op deze vraag worden door de gelovigen verschillende antwoorden gegeven. De ene zegt dat Hij 100% God en 100% mens was. Een ander beweert dat Hij 50% God en 50% mens was. Weer een ander zegt dat Hij God was.
En weer een ander beweert dat Hij alleen mens was. Ik geloof dat we hiermee ook wel alle opties gehad hebben. Maar misschien is er iemand die nog in de percentages wil schuiven?

Mijn vraag is: Wat zegt de Bijbel?

Ik bedoel niet:
Hoe pas ik de Bijbel aan om tot het voor mij juiste antwoord te komen.
Of: Wat er staat moet je anders lezen, anders is het niet logisch.
Of: Want het kan toch niet zijn dat…

Met de vraag "wat zegt de Bijbel" bedoel ik: wat staat er geschreven en niet: hoe kunnen we de tekst interpreteren om dit in overeenstemming te brengen met onze zienswijze.

Laat de Bijbel spreken:

Als wij zien naar de geboorte van de Heere Jezus dan zien wij dat Hij geboren is uit de Heilige Geest en uit Maria.
Er worden geen percentages gegeven maar er wordt gewoon melding gemaakt van een gebeurtenis die zal plaatsvinden.

En de engel antwoordde en zei tegen haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom ook zal het Heilige Dat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden. (Lukas 1:35)

In hetzelfde gedeelte van Lukas wordt het volgende gezegd:

En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.
(Lukas 1:31-33)

Maria zou een zoon baren en let op dat het dan verder gaat over de God, Zijn Vader en Zijn vader David. Er staat dat Hij de Zoon van de Allerhoogste genoemd zal worden en tegelijk dat Zijn vader David is. Uit God geboren en uit Maria (uit het geslacht van David) geboren.
Dit komt overeen met Lukas 1:35 (zie hierboven)

Wie is de Heere Jezus nu eigenlijk? Wat zegt de Heere Jezus hier Zelf over?

Enkele van de vele teksten:

Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. (Mattheüs 10:32)

Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon het wil openbaren. (Mattheüs 11:27)

En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt. (Mattheüs 26:39)

De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. (Johannes 3:35)

Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf; (Johannes 5:26)

En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid die Ik bij U bezat voordat de wereld er was. (Johannes 17:5)

In de volgende tekstgedeelten spreekt de Heere Jezus over "Mijn Vader":
Johannes 5:17-23; Johannes 10:27-30; Johannes 14:9-13 en Johannes 20:17

Uit bovenstaande teksten blijkt duidelijk dat de Here Jezus Zichzelf als de Zoon van God beschouwt en dat God Zijn Vader is. Zelfs in een heel nauwe relatie zoals blijkt uit Johannes 10:27-30, waar staat: "Ik en de Vader zijn één". De Here Jezus spreekt betreffende Zijn Zoonschap niet over het verleden of over de toekomst, maar over het hier en nu. 2 teksten waar de Here Jezus duidelijk zegt dat Hij de Zoon van God is:

Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende? En Jezus zei: Ik ben het. (Markus 14:61-62)

Als de wet hén goden noemde tot wie het woord van God kwam, en aangezien de Schrift niet gebroken kan worden, zegt u dan tegen Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? (Johannes 10:35-36)

In deel II wil ik verder gaan met het gegeven, dat de Heere Jezus Zichzelf de 'Zoon des mensen' noemt.