Jezus Christus Zoon van God III

(Er is gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling)

Toen Jezus gekomen was in het gebied van Caesarea Filippi,
vroeg Hij aan Zijn discipelen:
Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
Zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper, en anderen:
Elia, en weer anderen: Jeremia of een van de profeten.
Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben?
Simon Petrus antwoordde en zei:
U bent de Christus, de Zoon van de levende God.
En Jezus antwoordde en zei tegen hem:
Zalig bent u, Simon Barjona,
want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard,
maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
(Mattheüs 16:13-17) 

Nu wij bij deel III en tevens laatste deel zijn aangekomen, zullen we de getuigenissen bestuderen van hen die zeggen dat Jezus Christus de Zoon van God is.

Het getuigenis van God zelf:
Ten eerste God zelf, Die getuigd heeft. Twee keer is Zijn stem gehoord. De eerste keer bij de doop van de Heere Jezus en daarna nog een keer op de berg, waar de Heere Jezus verheerlijkt werd.

En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb! (Mattheüs 3:17)
Zie ook Markus 1:11/Lukas 3:22 

Sommigen verklaren deze gedeelten typologisch, omdat zij van mening zijn dat de Heere Jezus pas de Zoon van God werd na Zijn opstanding; God zou dan deze uitspraak gedaan hebben, ziende op de tijd na de opstanding. Dit blijkt echter nergens uit. Toen de Heere Jezus gedoopt werd, kwam er een stem uit de hemel, die gewoon een feit vermeldde nl.:
"Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in Dewelken Ik Mijn welbehagen heb!"
Je maakt God tot een leugenaar als je stelt dat Gods uitspraak nog niet op dat moment gold. God maakt daar Zelf namelijk geen melding van. En Gods uitspraak aan te passen aan je eigen bijbelinzicht lijkt mij geen goede zaak. Je zou je eigen bijbelinzicht aan de Bijbel moeten aanpassen.

Na dit getuigenis van God over Zijn Zoon, komt de duivel om de Heere Jezus te verzoeken. Hij grijpt terug op het getuigenis van God en zegt: "Indien Gij Gods Zoon zijt ………….". Dit heeft God immers gezegd en de duivel maakt hier gebruik van. Opgemerkt moet worden dat de Heere Jezus niet ontkent dat Hij Gods Zoon is en dat de duivel niet zegt "Indien Gij Gods zoon zult worden……...

Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk overschaduwde hen; en zie, een stem uit de wolk zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! (Mattheüs 17:5) 

Zie ook Markus 9:7/Lukas 9:35

Ook Petrus bevestigt Gods uitspraak op de berg der verheerlijking:
Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, toen een stem als deze van de verheven heerlijkheid tot Hem kwam: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. (2 Petrus 1:17)

Het getuigenis van de Heere Jezus:
Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende? En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechter hand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel. (Mark.14:61) Zie ook Mattheüs 26:63-64

En toen Jezus dat hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood, maar is er met het oog op de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt. (Johannes 11:4)

... zegt u dan tegen Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet, maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem. (Johannes 10:36-38)

Jezus hoorde dat zij hem uit de synagoge geworpen hadden, en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: Gelooft u in de Zoon van God? Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, zodat ik in Hem kan geloven? En Jezus zei tegen hem: Die u gezien hebt én Die met u spreekt, Die is het. En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem. (Johannes 9:35-38 - de genezing van de blindgeborene)

Opmerking betreffende Johannes 9:35: Er zijn enkele vertalers die vertalen met 'Zoon Gods', de meesten vertalen echter met 'Zoon des mensen', Dit is afhankelijk van welke Griekse tekst gebruikt is.
In o.a. de Texus Receptus en de Byzantijnse Majority Griekse tekst staat 'Theos' (God) en o.a. in de Nesle, de Nesle-Atland en de Tischendorf staat 'anthropos' (mens)

De getuigenissen van God en de Heere Jezus zijn duidelijk genoeg. Nu naar andere getuigenissen.

Het getuigenis van Markus: 
Het begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God. (Markus 1:1)

Het getuigenis van Petrus: 
Simon Petrus antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Zalig bent u, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. (Mattheüs 16:16-17) Zie ook Markus 8:29/Lukas 9:20

Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heengaan? U hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God. (Johannes 6:68-69)

Het getuigenis van Johannes de Doper: 
En Johannes getuigde: Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar Hij Die mij gezonden heeft om te dopen met water, Die had tegen mij gezegd: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met de Heilige Geest doopt. En ik heb gezien en getuigd dat Híj de Zoon van God is. (Johannes 1:32-34)

Het getuigenis van Nathanaël: 
Nathanaël antwoordde en zei tegen Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël. Jezus antwoordde en zei tegen hem: Omdat Ik tegen u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom, gelooft u. U zult grotere dingen zien dan deze. En Hij zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u allen: Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen. (Johannes 1:50-52)

Het getuigenis van Martha:
Jezus zei tegen haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat? Zij zei tegen Hem: Ja, Heere, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou. (Johannes 11:25-27)

Het getuigenis van de hoofdman:
En toen de hoofdman over honderd en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en de dingen die gebeurden, werden zij erg bevreesd en zeiden: Werkelijk, Dit was Gods Zoon! (Mattheüs 27:54

Het getuigenis van de Joden:
Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte.  (Johannes 5:18)

Het getuigenis van de Farizeën:
En de voorbijgangers lasterden Hem, schudden hun hoofd, en zeiden: U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af! En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de Farizeeën, en zij zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen Hem geloven. Hij heeft op God vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. (Mattheüs 27:39-43)

Opmerking:
Dat Hij Gods Zoon was, bewees Hij niet door van het kruis af te komen, maar door op te staan uit de dood. (zie Romeinen 1:1-4)

Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften, ten aanzien van Zijn Zoon, Die wat het vlees betreft geboren is uit het geslacht van David. Wat de Geest van heiliging betreft, is Hij met kracht bewezen te zijn de Zoon van God, door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heere. (Romeinen 1:1-4)

Het getuigenis van de demonen: 
En zie, zij riepen: Jezus, Zoon van God, wat hebben wij met U te maken? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd? (Mattheüs 8:29)

En telkens wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen: U bent de Zoon van God! En Hij gebood hun streng en met klem dat zij niet bekend zouden maken wie Hij was. (Markus 3:11-12)

en met luide stem schreeuwde hij: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God dat U mij niet pijnigt! (Want Hij had tegen hem gezegd: Onreine geest, ga uit van deze man!) En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen. (Markus 5:7-9) Zie ook Lukas 8:28

Ook gingen er van velen demonen uit, die schreeuwden en zeiden: U bent de Christus, de Zoon van God! Maar Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was. (Lukas 4:41)

Tenslotte nog een getuigenis van de schrijver van de Hebreeënbrief:
Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem heeft gesproken: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt. Zoals Hij ook op een andere plaats zegt: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. In de dagen dat Hij op aarde was, heeft Hij met luid geroep en onder tranen gebeden en smeekbeden geofferd aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen. En Hij is uit de angst verhoord. Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij toch gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden. En toen Hij volmaakt was geworden, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden. Door God is Hij Hogepriester genoemd naar de ordening van Melchizedek. (Hebreeën 5:5-10)

Opmerking:
Omdat sommigen beweren dat je hier moet vertalen met "hoewel Hij de Zoon zou zijn" i.p.v. "hoewel Hij de Zoon was" of "hoewel de Zoon zijnde", wil ik opmerken dat de mij geraadpleegde vertalingen (Canisius - HSV - Leidse vertaling - Lutherse vertaling - Naardense Bijbel - NBG - SVV - Voorhoeve - Willibrord 95) unaniem vertaald hebben met "hoewel Hij de Zoon was".

(Voor de taalkundigen: Het woord 'zijn' is hier een tegenwoordig deelwoord, en vindt dus gelijktijdig plaats met "nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden").

Ik heb een heel aantal teksten niet kunnen aanhalen omdat dit artikel dan te uitvoerig zou worden. Maar ik mag aannemen dat een gelovige aan bovengenoemde schiftgedeelten een uitgebreide schat aan waarheden heeft om vast te kunnen stellen Wie de Heere Jezus Christus was en is en zijn zal.

De vragen waar mee begonnen werd in deel I was:

  • Wie was de Heere Jezus in de jaren dat Hij hier op aarde was?
  • 100% God en 100% mens?
  • 50% God en 50% mens?
  • God?
  • Mens?

 

De Bijbel spreekt nergens over percentages. De Bijbel spreekt over Wie Hij was.

Uit alle geciteerde tekstgedeelten blijkt m.i. duidelijk dat de Heere Jezus zowel de Zoon des mensen (geboren uit Abraham, Izak, Jakob, Juda, David en tot slot Maria; zie Mattheüs 1), als de Zoon van God was. Hiervan hebben God en de Heere Jezus en alle andere bovengenoemde getuigen duidelijk getuigenis gegeven. Dit betreft de tijd die Hij hier op de aarde was, de tijd die Hij nu zit aan de rechterhand Gods, en Zijn toekomstige eeuwige heerschappij.

Tot slot nog Filippenzen 2:5-11. Dit Bijbelgedeelte verduidelijkt misschien ook nog het één en ander:

Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, Die, hoewel Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.

De Heere Jezus was God gelijk, maar heeft dit alles afgelegd. Hij is slaaf geworden aan de mensen gelijk. Hij (de Zoon) was gehoorzaam aan Zijn Vader tot aan de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd en Hij heeft een Naam boven alle naam ontvangen. Hij is opgestaan en zit aan de rechterhand Gods. Hij was Gods Zoon, werd als mens geboren en ging als zodanig door het leven en stierf ook als zodanig. Na de opstanding is deze Zoon des mensen, die hiermee bewees Gods Zoon te zijn, opgevaren naar de hemel en zit daar tot Zijn wederkomst aan de rechterhand Gods.

Onze Heer en Christus Jezus zal dan voor eeuwig regeren op de troon van David.

Jezus Christus was de Zoon van God en Zoon des mensen,
is de Zoon van God en Zoon des mensen, 
en zal zijn de Zoon van God en Zoon des mensen.
Jezus Christus was zonder zonde, 
is zonder zonde, 
en zal zijn zonder zonde.
Jezus Christus was de Gezalfde (Messias/Christus),
is de Gezalfde (Messias/Christus),
en zal zijn de Gezalfde Messias/Christus).
Jezus Christus was de Herder,
is de Herder,
en zal zijn de Herder. 
Jezus Christus was gisteren dezelfde,
is heden dezelfde
en zal zijn dezelfde in der eeuwigheid.

Ik ben
de Alfa en de Omega,
het Begin en het Einde,
zegt de Heere,
Die is en Die was en Die komt,
de Almachtige.

(Openbaring 1:8).

 

Wilt u hierover een gesprek of hebt u een vraag dan kunt u via deze website met mij contact opnemen.

K. Boersma
11-07-2011