Het zoonschap in Romeinen 8 en Galaten 4

Ik kreeg kort geleden een vraag over Romeinen 8:14-17 en 23 en Galaten 4.

14 Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen (huios - zoon) van God.
15 Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen (huios - zoon) ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!
16 De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen (teknon - kind) van God zijn.
17 En als wij kinderen (teknon - kind) zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; wanneer wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
(Romeinen 8:14-17)

23 En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuch-ten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen (huios - zoon), namelijk de verlos-sing van ons lichaam. (Romeinen 8:23)

De broeder vroeg mij of wij al 'zoon' zijn (vers 14) of dit nog moeten worden in de toekomst (vers 23).
Opgemerkt moet worden dat er in de Griekse grondtekst, zowel in vers 14 als in vers 23, 'zonen' staat i.p.v. kinderen, zoals sommige vertalingen geven. Vandaar ook de vraag naar het 'zoonschap'.
Vaak wordt door gelovigen het begrip 'zoon' vervangen door 'erfgenaam' en gesteld dat je van 'kind' moet opgroeien tot 'zoon (in de betekenis van geestelijk volwassen en erfgenaam).
En het antwoord dat dikwijls gegeven wordt op de vraag naar het zoonschap is: "Je bent nu een 'zoon', maar je bent nog niet aangesteld tot 'zoon'. Dit gebeurt pas in de toekomst, als je de erfenis ontvangt."

Als ik Romeinen 8 in zijn context lees, blijkt het antwoord iets anders dan vaak geleerd wordt.
Het gaat in de verzen voorafgaand aan vers 14 over 'vlees' en 'geest'. Het vlees resulteert in de dood en de Geest resul-teert in het leven en vrede (vers 6 en 13).
Als je overeenkomstig het vlees leeft woont de Geest van God niet in je en kun je God niet behagen en als je de Geest van Christus niet hebt behoor je Hem niet toe.(vers 8-9).
Vers 14 daarentegen zegt dat als je door de Geest van God geleid wordt, je dan een zoon van God bent.
En vers 15 voegt nog toe dat wij niet een Geest van slavernij hebben ontvangen, maar de Geest van het zoonschap (aan-stelling tot zonen). Wij noemen God dan ook onze Vader.
Het gaat in dit tekstgedeelte (vers 14-17) niet zozeer om het verschil tussen 'kind' en 'zoon', in de zin van wel of niet erfge-naam, maar tussen 'slaaf' en 'zoon' in de zin van wel of niet vrij zijn.
Slaaf (van de zonde) en vrijheid (in Christus) staan hier tegenover elkaar. Dit staat ook al beschreven in hoofdstuk 6 en 7.
Hoofdstuk 6 spreekt over het vrij zijn van de zonde en hoofdstuk 7 spreekt over het vrij zijn van de wet, waardoor wij aan de zonde waren gebonden.
Hoofdstuk 8:2 zegt dan:

Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood. (Romeinen 8:2)

Als je je dan door de Geest laat leiden dan ben je vrij en dus 'zoon'.

In vers 16 en 17 van Romeinen 8 lezen wij dat wij kinderen (teknon) Gods zijn en dus erfgenamen. Kinderen die niet meer onder de wet of slaaf van de zonde zijn. Wij zijn vrije kinderen en dus zonen (huios).
(in deze 2 verzen wordt het woord 'kind' (teknon) i.p.v. het woord 'zoon' (huios) gebruikt)

Johannes schrijft:

Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen (teknon) Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. (Johannes 1:12-13)

Een kind, dat uit God geboren is, is niet meer onder de wet; maar hij/zij is vrij, zoon en erfgenaam. Een kind dat onmondig is en nog onder de wet, voogden en beheerders, moet nog vrij worden om te kunnen erven. Dit brengt mij bij Galaten 4, waar, in een ander verband, ook over deze dingen wordt gesproken.

1 Ik zeg echter: Zolang de erfgenaam een onmondig kind (nepios - minderjarig) is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer is van alles;
2 maar hij staat onder voogden en beheerders, tot het tijdstip dat de vader van tevoren heeft bepaald.
3 Zo waren ook wij, toen wij nog onmondige kinderen waren (nepios - minderjarig), als slaven onderworpen aan de grondbeginselen van de wereld.
4 Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon (huios) uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet,
5 om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanne-ming tot kinderen (huiothesia - zoonschap) zouden ontvangen.
6 Nu, omdat u kinderen (huios - zoon) bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon (huios) uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
7 Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon (huios); en als u een zoon (huios) bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus.
(Galaten 4:1-7)

Opgemerkt moet worden dat in vers 1 en 3 het woord 'nepios' (= een jong, minderjarig of onmondig kind) gebruikt wordt en niet het woord teknon (= kind, nakomeling), en in vers 5 en 6 het woord 'huios' (= zoon).

In dit tekstgedeelte wordt gesteld dat de gelovigen, die leefden voor de komst van de Heere Jezus Christus, weliswaar "heer van alles" waren, maar in die tijd nog onmondige kinderen en als slaven onderworpen aan de grondbeginselen van de wereld. Het doel was dat de Heere Jezus Christus deze onmondige kinderen zou vrijkopen van onder de wet, zodat zij niet meer in de positie van een slaaf zouden zijn, maar als zoon aangesteld zouden worden, en dus erfgenaam.

Vaak wordt er gezegd dat een kind niet erft en een zoon wel. Dit is niet helemaal juist.
Een kind (teknon) dat onmondig is (nepios), en daarbij gelijk aan een slaaf, erft niet. Een kind (teknon) dat een zoon (huios) is, en dus vrij, erft wel.

De kinderen die onder de wet willen blijven (dus onmondig (nepios) willen blijven) worden door Paulus in Galaten 4:21-31 als slaven aangemerkt.
Paulus spreekt in dit gedeelte over Abraham die twee zonen (huios) had, Ismaël, de zoon van Hagar, de slavin en Izak, de zoon van Sarah, de vrije.
De slaaf (of: zoon van de slavin) is niet vrij en erft niet; dit in tegenstelling tot het kind (teknon) van de belofte, zoals Izak (vers 28). Vers 31 stelt dan dat wij niet kinderen (teknon) van de slavin zijn, maar van de vrije.

Vers 23 zegt:

Maar hij die van de slavin was, is naar het vlees geboren, hij echter die van de vrije was, door de be-lofte. (Galaten 4:23)

Ismaël, die naar het vlees geboren is, is niet vrij en erft niet. Gezegd met de woorden van Romeinen 8:13

Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. (Romeinen 8:13)

Izak echter, de zoon van de vrije en kind van de belofte, zal wel erven.
En wij zijn kinderen van de vrije en dus erfgenamen, zoals in Galaten 4:28-30 vermeld staat.

Maar wij, broeders, zijn kinderen (teknon) der belofte, als Izak was.
29 Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.
30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon (huios); want de zoon (huios) der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon (huios) der vrije.
31 Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen (teknon) der dienstmaagd, maar der vrije.
(Galaten 4:28-30)

En wat beloofd is kunnen we lezen in 1 Johannes 2:25

En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven. (1 Johannes 2:25)

Net zoals in Romeinen 8 gaat het in Galaten 4 om 'het slaaf (niet vrij) zijn' en 'het zoonschap (vrij zijn) in Christus'.

Dan nu nog naar Romeinen 8 vers 23, waar gesproken wordt over een verwachting, dus over de toekomst. Ook in dit vers wordt gesproken over het zoonschap (aanstelling tot zonen), nl. over de verwachting van het zoonschap.

In Romeinen 8:14 staat:

Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen (huios - zoon) van God. (Romeinen 8:14)

En in Romeinen 8:23 staat:

En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen (huiothesia - zoonschap), namelijk de verlossing van ons lichaam.
(Romeinen 8:23)

Romeinen 8:14 geeft aan dat degenen die door de Geest Gods geleid worden, zonen zijn en vers 23 wekt de indruk dat je nog zoon zou moeten worden.
De vraag is dus: Ben je nu al zoon of moet je dat nog worden?

Het antwoord hangt weer af van de context waarin de uitdrukking wordt gebruikt.
We hebben gezien dat het begrip 'zoon' in Romeinen 8:14-17 en in Galaten 4:1-7 te maken heeft met 'gebonden zijn' of 'vrij zijn'.

Ik heb hierboven al geschreven dat de verzen voorafgaand aan vers 14 over 'vlees' en 'geest' gaan.
Vers 10 zegt dat het lichaam dood is vanwege de zonde en vers 11 zegt dat de sterfelijke lichamen van ons (gelovigen) levend gemaakt zullen worden door Gods Geest, Die in ons woont.

Als Christus echter in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En als de Geest van Hem Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont. (Romeinen 8:10-11)

In vers 12 tot en met 17 spreekt Paulus over de geestelijke kant van de zaak en vanaf vers 18 gaat hij verder met de licha-melijke kant.
Hij sprak in vers 10 over het lichaam dat dood is vanwege de zonde, waarop hij verder gaat in vers 18 waar hij zegt:

Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heer-lijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.
(Romeinen 8:18)

In de verzen hierna spreekt hij over de zinloosheid waaraan de gehele schepping onderworpen is. En ons lichaam is hier ook nog onderhevig aan.
En in dit kader spreekt Paulus in vers 23 over het toekomstige zoonschap van de gelovige, namelijk de verlossing van zijn lichaam.
Hij zegt dat het lichaam nog sterfelijk (vers 11) en in slavernij is (vers 19-23) en dat dit lichaam bevrijd moet worden van dit slaaf-kind-gebonden zijn en verlost moet worden (zoonschap / vrijheid).
En deze verlossing van het lichaam ligt nog in de toekomst.

Wij worden in Romeinen 6 t/m 8 opgeroepen om het lichaam niet te gebruiken voor de zonde - het vlees (dienstknecht van de zonde) maar in dienst te stellen van God - de Geest.
Vers 13 zegt:

Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven.
(Romeinen 8:13)

Het vlees leidt tot de dood; de Geest tot het leven.

Bovenstaande nog even in het kort samengevat:
In Romeinen 8 en Galaten 4 wordt gesproken over de wet (onmondig kind, slaaf, gebonden zijn) en de vrijheid (zoonschap).
In hoofdstuk 4 van de brief aan de Galaten begint Paulus over de mens die onderworpen is aan de beginselen van deze wereld. Hij vergelijkt dit met de erfgenaam die nog een onmondig kind is en dus onder de wet en de voogdij staat. Het on-mondige kind moet zoon worden (vrij). Hij vervolgt dan met de komst van de Heere Jezus, Die tot doel had om degenen die onder de wet waren (de onmondige kinderen) vrij te kopen en hen die geloven (hun vertrouwen stellen op) de Heere Jezus Christus de status van zoon te geven.
In hoofdstuk 6:1 t/m 8:17 van de brief aan de Romeinen spreekt Paulus over de wet die ons tot zonde brengt en die ons maakt tot een slaaf van de zonde. Van deze slavernij moeten wij vrij worden. Dit kan door ons door de Geest van God te laten leiden.
Als wij de Geest van God hebben ontvangen en ons er door laten leiden zijn wij zonen Gods en dus vrij. Zo niet dan zijn wij nog onder de wet, onder voogden en in slavernij.
Hij gaat dan verder in vers 18 t/m 23 en spreekt dan over de oude schepping en over ons lichaam dat nog steeds gebonden is aan deze oude schepping en dus slaaf. Paulus zegt dat wij, gelovigen, wachten op de verlossing van ons lichaam, namelijk het zoonschap (vrijheid van het lichaam).
De gelovigen, die door de Heere Jezus Christus zijn vrij gemaakt van de dienst aan de wet en daarmee vrij van de dienst (slavernij) aan de zonde, zijn zonen geworden en wachten alleen nog op het verlost (vrij) worden (zoonschap) van ons lichaam.

En zoals een oud kerklied zegt:

Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog!
Voor hen, die 't heil des Heren wachten,
zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet af te meten,
o vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemd'lingschap vergeten,
en wij, wij zijn in 't Vaderland!

(Gezang 291:2 Liedboek voor de Kerken)

KB 17-01-2013

(Er wordt gebruik gemaakt van de Herziene Statenvertaling)