Het Melchizedeks Priesterschap

Wie was Melchizedek?

We slaan in onze Bijbel Gen. 14:18-20 en Hebr. 7: 1-2 op.

“En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.”  (Gen. 14:18-20)

“Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende; Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes;”   (Hebr. 7:1-2)

Twee dingen treffen ons, ten eerste wordt Melchizedek koning der gerechtigheid en ten tweede koning des Vredes genoemd. Als type van Christus heeft deze aanduiding zeer zeker betrekking op het toekomstige Koninkrijk van Jezus Christus, dat ten volle zal openbaar worden in de bedeling die na de genade, waarin wij thans leven, zal aanbreken. Toen Abraham gestreden had tegen de koningen die hij versloeg, trad Melchizedek hem tegemoet en zegende Abraham. De volle zegen die straks zal openbaar worden en die de eindfase is van de overwinning die Christus behaalde op Golgotha, zal plaatsvinden als alle vijanden gelegd zijn tot een voetbank Zijner voeten. Melchizedek was koning,  maar tevens priester des Allerhoogste.

Dat hij hoog boven Abraham verheven was, blijkt uit het feit, dat hij Abraham zegende, Abraham hem eer bewees, en van alles de tienden gaf.
“Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit den buit.”  “Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.”  (Hebr. 7:4,7)

Verder blijkt zijn priesterschap uit het brengen van brood en wijn. Zie de treffende overeenkomst met het avondmaal.  “Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.”  (1 Cor 11:23-25)
Het avondmaal is geen genademiddel, doch geeft uitdrukking aan het feit dat genade bewezen en in dank aanvaard werd. Alleen verlosten kunnen, mogen dit feit der gedachtenis vieren.
 

Zijn afkomst.

Nérgens wordt, wat bij het Levitische priesterschap wél zo was, gesproken over Melchizedeks afkomst: zijn vader en moeder. Hij had zijn priesterschap niet in de lijn der overlevering verkregen zoals dit bij de priesters uit de stam van Levi – wél het geval was. Als zodanig is Melchizedek een voorafschaduwing van Christus in die zin, dat Christus de Zoon van God is, en Priester der Eeuwigheid. Daarom lezen we van Melchizedek, dat zijn priesterschap "geen beginsel der dingen, noch einde des levens had". Deze woorden uit Hebr. 7:3 zien niet op Melchizedek als mens, maar worden gesproken in betrekking tot zijn priesterschap.
 

De offers der Levitische priesters.

Hebr. 10:4 ( “Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.”) en Hebr. 9:9 ( “Welke (tabernakel) was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die den dienst pleegde, niet konden heiligen
 naar het geweten;”) zeggen ons dat hun offers onvolkomen waren, dat die geen zonde konden wegnemen noch het geweten konden heiligen. Zelf waren de priesters als mens onvolkomen, zwak, zondig en moesten voor eigen onvolkomenheden telkens offers brengen.

“En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.”  (Hebr. 5:3)

“Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.”
  (Hebr. 7:27)

De machteloosheid en onbekwaamheid der priesters, of ze nu Joods, heidens of Christelijk zijn, komt wel duidelijk naar voren. In werkelijkheid kan geen priester iets voor een ander bewerken. In plaats van ons te bepalen bij het Aäronitisch priesterschap, waarbij nog zovele van Gods kinderen blijven stilstaan, worden we gewezen op het priesterschap van Melchizedek, als type van Christus, de volkomen priester. Vele Christenen staan altijd bij het wasvat en komen geen stap verder, zien altijd op zichzelf en gaan nooit het heiligdom binnen. Ze zijn altijd bezig met wassingen en reinigingen en vergeten dat Christus een volkomen verlossing teweeg bracht, waardoor wij met volle vrijmoedigheid mogen ingaan in het binnenste heiligdom. We hebben vrije toegang tot de troon der genade en gaan in langs een verse en levende weg, die Hij ons geopend heeft door Zijn bloed en niet door onze wassingen of inspanningen en reinigingen.

“Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;”  (Hebr 10:19-20)
 

Wat het O.T. reeds over het Priesterschap zegt.

In Ps.110 wordt reeds duidelijk, dat er een priester zou opstaan, niet naar de ordening van Aäron, doch naar die van Melchizedek. “De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.”  (Ps.110:4)

Deze priester zou Davids Heer, maar ook Zijn Zoon zijn. “Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.”
 (Ps. 110:1)

“En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heere? zeggende: De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?”
 (Matth. 22:42-45)

Dit zou een priester zijn, niet uit de stam van Levi, noch uit het huis van Aäron, maar uit de stam van Juda en uit Davids huis. Als Israël had willen zien en letten op Gods woord, zou het gezien hebben dat Jezus, de Zoon en Heere van David was en tevens Priester in Eeuwigheid.

Laten wij niet de fout van Israël maken door steeds bij het aardse priesterschap stil te staan, doch verstaan de heerlijkheid van Christus' eeuwige priesterschap, het volle genot er van ervaren, naar "de kracht van het onvergankelijke leven".

 “Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.”  (Heb. 7:24)

 

Genomen uit: Band de vredes Febr. 1946

J. Kits