Het enige nodige II

HET ÉNE NODIGE (2) 

In het vorige nummer hebben we alleen gesproken over het kennen van God, de Vader, het is van het grootste belang, dat wij waarachtige kennis van Christus hebben. Dat is het enige doel van de Christen en is voor hem het eerste nodige. Wij vinden het met merkwaardige klaarheid en kracht uitgedrukt in Fil 3. In het negende vers zien wij daar onze positie in Christus uitgedrukt met de woorden: 

"IN HEM GEVONDEN".
"En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;"  (Fil 3:9) Dit betekent, dat de rechtvaardigheid, waarmee wij bekleed zijn, niet door onszelf verworven is, maar door het geloof van Christus, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof. Als wij dusdanig bekleed zijn met Zijn rechtvaardigheid, dan is van onszelf niets zichtbaar voor God. Evenals de stenen in de tempel, die bedekt waren met cederhout, waarover nog: goud. Dan wordt daaraan toegevoegd: "geen steen werd gezien".  (1Ko 6:18)

Deze woorden zijn in de tekst schijnbaar overbodig; want hoe zou een steen gezien kunnen worden, die op dusdanige wijze dubbel bedekt is? Maar neen! Het heeft de vriendelijke God goedgedacht, deze woorden erbij te voegen, om daardoor in 't bijzonder de nadruk te leggen op het gezegende feit, dat, wanneer wij bekleed zijn met de rechtvaardigheid van Christus, absoluut niets van onszelf gezien wordt, wanneer wij voor God staan. Wij zijn reeds "in de hemel in Christus"; en zijn getooid met de heerlijkheid, die Hem siert; wij staan volmaakt voor God in al Zijn volmaaktheid; worden aanvaard om Zijn verdienste; worden gerechtvaardigd, omdat Hij gerechtvaardigd is; ja, wij zijn heilig, omdat Hij heilig is en wij worden geliefd, omdat Hij geliefd is. Dit alles ligt opgesloten in de woorden "in Hem gevonden".

En terwijl dit "in Hem gevonden" onze positie, onze staat tekent, vinden wij in de verzen 20 en 21 (van Fil 3) onze hoop uitgedrukt:  "Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus; Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen."  (Fil 3:20, 21)
En deze hoop is "HEM GELIJK" te zijn in de opstanding en de heerlijkheid der openbaring met Hem bij Zijn wederkomst   (Col 3:4). "Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Daarom verwachten wij de Zaligmaker, de Here Jezus Christus: Die ons vernederd lichaam veranderen zal naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven onderwerpen kan."

Dit is onze "gezegende hoop". Wij hebben deze hier naar voren gebracht, direct na de behandeling van vers 9, waarmee wij dus het begin en het einde van onze Christelijke loopbaan op aarde hebben aangegeven.En wat ligt nu tussen dat begin en het einde in? Wat moet onze harten vervullen vanaf het ogenblik, waarop wij "in Christus" zijn, Die ons leven is, tot op het ogenblik, wanneer wij "Hem gelijk" zullen zijn, Die onze heerlijkheid zal zijn? Wat is het éne onderwerp, dat voor altijd onze ziel moet vervullen en onze gedachten moet bezig houden? "DAT IK HEM KENNE !"
Dit is voortaan het grote doel van de Christen. Niets anders dan dit éne: Christus leren kennen, zo lezen we in Fil 3:10. "Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende".  Terwijl vers 9 een nadere uitlegging van het "in Hem gevonden" bevat, zo is de inhoud van vers 10 de uitlegging, hoe en waarom wij Christus moeten "leren kennen". Wij moeten Hem voortaan niet meer naar het vlees kennen, maar wij moeten Hem leren kennen in Zijn opstanding; als Hoofd van de Nieuwe Schepping (2 Cor 5:16, 17).
Want dit "kennen" wordt aldus omschreven: "dat ik Hem kenne en de kracht zijner opstanding". Dus niet het simpele feit van Zijn opstanding, maar de "kracht" ervan; dat is wat deze wondere kracht voor ons gedaan heeft en doet.

Zijn kracht?
Maar hoe kunnen we deze "kracht" leren kennen?  O, alleen door te aanvaarden de "gemeenschap Zijns lijdens"; door te leren, dat toen Hij, het Hoofd van het Lichaam leed, alle leden van het Lichaam met Hem leden in mystieke en gezegende "gemeenschap met Hem". Dan zullen we leren verstaan, dat wij "Zijn dood gelijkvormig" geworden zijn. Eerst als we verstaan hebben dat wij leden, toen Hij leed, en stierven, toen Hij stierf, kunnen we beginnen te leren, hoe wij ook met Christus zijn opgestaan, zodat wij leren "kennen de kracht Zijner opstanding". Hoe weinigen onder ons weten, wat deze "kracht" eigenlijk is, die ons uit de oude schepping overzet in de nieuwe schepping, waar "alle dingen uit God zijn". (2 Cor 5:17).

Dit dus is ons doel, te leren alles, wat Christus voor ons is gemaakt in de kracht van Zijn opstanding. Hoe verbazing- wekkend moeten deze woorden geklonken hebben in de oren der Grieken. Want deze Griekse stad Filippi was de eerste stad, de Paulus in Europa bezocht. Zij waren immers 
 opgevoed met het bekende woord van de grote wijsgeer Solon. Dat woord, dat geacht werd de belichaming te zijn van de opperste wijsheid en dat gebeeldhouwd stond boven elke Griekse hogeschool: "KENT U ZELVE". En toch, hoe dwaas zijn deze woorden. Want hoe kan iemand iets van zichzelf leren kennen, door zichzelf te beschouwen? Als hij naar anderen ziet, dan kan hij zien, hoe hij van hen verschilt; en hoeveel beter of slechter hij is of zij. Maar alleen als wij onszelf vergelijken met Christus, Die de wijsheid en heerlijkheid Gods is, leren wij zien, hoe wij werkelijk zijn; en hoever wij daarvan verwijderd zijn (Rom 3:10–20). Alleen wanneer wij onszelf zien, gewogen in de "weegschaal" van het Allerheiligste of meten langs de richtsnoer van Zijn Volmaaktheid, constateren wij, in welk een totaal verloren en verdorven toestand wij verkeren. En daar klinkt nu dat nieuwe woord vanuit de hemel als een donderslag in de oren van hen, die zichzelf  zochten te leren kennen: "Dat ik Hem kenne". Ja, dat is ons enige doel. Dat is het, wat de machtige hervormende kracht van ons leven kan worden.

Of onszelf zoeken?
Ieder ogenblik, dat wij gebruiken, om onszelf te zoeken, is een verloren ogenblik; en niet alleen verloren, maar het is gebruikt om ons af te houden van het éne, dat alleen ons het doel kan doen bereiken en omtrent onszelf kan inlichten. Als we trachten onszelf te leren kennen, mislukt die poging niet alleen, maar wij worden dan verhinderd Christus te leren kennen. En toch, hoevelen brengen hun levenstijd niet door met dit vruchteloze zoeken? Zij lopen van de één naar de ander, willen allerlei mensen horen. En terwijl zij voortdurend bepaald worden bij dit bezig-zijn met zichzelf, met deze zelf-overgave en met deze zelfbeschouwing, geraken zij slechts in moeilijkheden; of hoogstens in een kunstmatiger vreugderoes, die slechts duurt zolang als de opwinding volgehouden wordt.

O, bezig te zijn met Christus, Hem als doel te hebben en de kracht Zijner opstanding in ons leven te ervaren.En die zullen wij steeds meer en meer ervaren, naarmate we Christus meer leren kennen. Nog eens, wat was het, dat de heidenwereld voerde tot zijn duisternis, verderf en zonde? Immers dit: "Het heeft hun niet goedgedacht, God in erkentenis te houden; zij zijn dwaas geworden en hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijke mens."  (Rom 1:22–28).

Evenzo scheppen heden ten dage zij, die God niet kennen, zoals Hij Zichzelf heeft geopenbaard in Zijn Woord, zichzelf een God, hetzij met eigen handen, hetzij in eigen gedachten. Hij is, wat zij denken dat Hij is en zij aanbidden dus, gelijk de heidenen "de onbekende God", een wezen als zijzelf zijn.Wat was het, dat Israël deed afdwalen en alle kommer en ellende over het volk bracht? Het boek Jesaja begint met de goddelijke aanklacht, die in de meest beknopte vorm, de éne grote oorzaak  samenvat, die aan alles ten grondslag ligt: "Een os kent zijn bezitter en een ezel de krib zijns heren; maar Israel geen heeft kennis, Mijn volk verstaat niet".Zie, hoe de Heer Jezus dit bevestigt in Luc 19:42–44, wanneer Hij weent over Jeruzalem. Alles samengevat in de begin- en slot-woorden:  "Of gij ook bekendet, ook nog in deze uwe dag, hetgeen tot uwe vrede dient". En dan doelend op de oorzaak van dat oordeel, voegt Hij er aan toe: "Daarom, dat gij de tijd uwer bezoeking niet bekend hebt". En wat wordt het toppunt van Israëls glorie op de dag van herstel? O, dan zullen ze niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder, leren zeggen: "Kent de Here, want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af, tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken" (Jer 31:34).

En wat zal de glorie der schepping zijn; en de vrede en vreugde van de gehele aarde? Gij vindt het aldus samengevoegd: "De aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, gelijk de wateren, de bodem der zee bedekken."(Jes. 11 : 9).

Alleen roemen in de Here
En wat is het geheim, dat wij in staat zijn, alleen te roemen in de Heer en Zijn zegeningen genieten? Het staat opgetekend in Jer 9 : 23-24  "Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de HEERE ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de HEERE. "

Wij worden zodoende bepaald bij die éne grote plicht, die voortaan ons hart en onze geest geheel in beslag moet nemen en die onze dagen en jaren moet vervullen; getrouw zijn in de bestudering van het Woord van God, dat aan ons gegeven is met het éne grote bijzondere, alles overheersende doel: de openbaring van Hemzelf, opdat wij HEM LEREN KENNEN.

Jb. K. H.