Het eerstgeboorterecht deel IV

(We gaan nu verder met het bespreken van punt 2: voor een overzicht van alle punten: zie deel1)

Punt 2. De eerstgeborenen onder Israël, zijnde het eigendom des Heeren, die vervangen werden door de Levieten.

De Levieten werden, in plaats van alle eerstgeborenen onder Israël, aan God gewijd.

Nu wij in de vorige delen gezien hebben dat de inhoud van het recht van de eerstgeborenen onder de mensheid weinig aandacht krijgt, komen we bij de eerstgeborenen onder Israël terecht.

Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen Israels, van mensen en van beesten, dat is Mijn.
(Exodus 13:1-2)
 

den eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven. (Exodus 22:29b)

 

Hier wordt gezegd dat de eerstgeborenen onder Israël aan God zouden worden gegeven.
Het eerstgeboorterecht onder Israël hield dus in dat de eerstgeborenen (mens en dier) aan God gewijd zouden worden.

Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israëls is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.
(Numeri 8:17)

Alle eerstgeborenen in Egypte werden door de ongehoorzaamheid van de Farao door de Heere gedood

 Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland (Exodus 13:15a)

en alle eerstgeborenen van Israël werden door gehoorzaamheid (het bloed van een lam gestreken aan de deurpost van het huis), vanaf dat moment, door God als Zijn eigendom aangemerkt.

Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.
(Exodus 12:23)


Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!
(Numeri 3:13)

Wij zien in de Bijbel een prachtig voorbeeld in Hannah, de moeder van Samuël. Zij belooft God, dat zij, als zij een zoon zou krijgen (zij had geen kinderen), zij deze aan God zou wijden. Zij kreeg een zoon en wijdde deze, zoals beloofd, aan God.

Door het geloof en de gehoorzaamheid van Hannah werd Samuël in de tempel gebracht en door God tot profeet (1 Samuël 3:20, 1 Kronieken 29:29, 2 Kronieken 35:18 en Handelingen 13:20) en richter
(1 Samuël 7:6 en 15) aangesteld over geheel Israël.
Zo werden ook de eerstgeborenen van de Israëlieten, die geloofden en gehoorzaam het bloed aan de deurposten hadden aangebracht, het eigendom
van God.

Een ander beeld zien wij in onze Here Jezus Christus, die door Zijn bloed verzoening tot stand heeft gebracht.Iedereen die zich in Zijn huis bevindt (typologisch: achter de deur met het bloed van het lam dat door de Israëlieten aan hun deurposten was aangebracht), wordt niet gedood, maar door God gesteld tot eerstgeborene en aan Hem gewijd (zie hieronder bij punt 4).

 

Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik. (Exodus 13:14-15)

 
(Hetzelfde wordt ook verwoord in
Exodus 34:19-20).

 

De eerstgeborene zonen in Israël werden gelost door de Levieten, zoals uit onderstaande teksten blijkt.
Het recht, van Godswege, van de eerstgeborenen werd overgedragen aan de Levieten. Zij zouden God dienen in de tent der samenkomst. 

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israëls; en de Levieten zullen Mijne zijn. Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE! (Numeri 3:11-13)

 

(Lees ook Numeri 3:40-51, waar deze lossing besproken wordt.)

 

En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn. En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen. Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israëls; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israëls, heb Ik ze Mij genomen. Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israëls is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd. En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls. En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israëls, om den dienst van de kinderen Israëls in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israëls verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israëls, als de kinderen Israëls tot het heiligdom naderen zouden.
(Numeri 8:14-19)

 

De Levieten zouden voor de kinderen Israëls verzoening doen. De stam van Levi blijkt hier een type van Christus te zijn, die alle dingen met God verzoend heeft.

En dat Hij (= God), door Hem (=Jezus Christus) vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.
(Kolossensen 1:20)

Het is wel bijzonder wat hier gebeurt. Als we de zegening van Jakob aan Levi lezen (hij wordt samen met Simeon genoemd), lijkt deze zegening niet erg positief. Jakob distantieert zich van hun daden en hij zegt dat hij hen zal verstrooien onder Israël:

 Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld! Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.
(Genesis 49:5-7)

God ziet, zoals al eerder gesteld, blijkbaar weer eens anders tegen de dingen aan. Hij kiest Mozes (uit Levi) uit om Zijn volk uit Egypte te leiden en God stelt Aäron (ook uit Levi) aan als Hogepriester en de Levieten worden in de plaats van de eerstgeborenen van Israël aan God toegewezen, om Hem te dienen.
De eerstgeborenen onder Israël zouden immers aan God gewijd moeten worden, maar God koos Levi hiervoor uit. Wat dit eerstgeboorterecht (of: plicht) van Godswege in de praktijk inhield, kunnen we uitgebreid lezen in diverse Bijbelboeken, waarin gesproken worden over de dienst van de levieten in de tabernakel en later in de tempel.

Levi krijgt geen erfdeel onder de stammen van Israël en bevindt zich inderdaad overal onder Israël, maar God beschouwt hen als de eerstgeborenen van Israël en Hij is hun erfdeel. De levieten nemen de rechten en plichten tegenover God van de eerstgeborenen over en hebben een zeer belangrijke taak onder Israël. Zij doen o.a. verzoening voor het volk, zoals wij hierboven hebben kunnen lezen.

Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israëls, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.
(Jozua 13:33)

Levi werd bestemd voor het priesterschap en Juda werd bestemd voor het koningschap. Dit waren de belangrijkste functies onder Israël. De beide functies werden later samengevoegd in onze Here Jezus Christus. Hij is onze Koning - Hogepriester.

 

Punt 3. God, Die Israël zijn eerstgeboren zoon noemt.

Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israel. En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!
(Exodus 4:22-23)
 

Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. (Hosea 11:1)

In Exodus 4 wordt voor het eerst gesproken over de eerstgeboren zoon van God. In Hosea wordt aan Exodus gerefereerd. Overigens blijkt Hosea 11:1 tevens een profetie te zijn, die vervuld wordt in onze Here Jezus Christus (zie punt 4). God noemt in Exodus een heel volk 'Zijn eerstgeboren zoon'. We moeten de uitspraak "Mijn eerstgeborene" lezen in relatie met de eerstgeborenen van Egypte, want God noemt Israël niet alleen Zijn eerstgeboren zoon maar ook 'Zijn volk', daarnaast Zijn vrouw (Hij was met Israël getrouwd)
en ook Zijn schapen.

Deze verschillende benamingen moeten gelezen worden in de context waarin dit geschreven wordt. Al deze benamingen zijn juist, ook al lijken ze in tegenstelling met elkaar. Normaal kun je nl. niet iemands zoon zijn en tegelijk iemands vrouw. Maar het gaat in de Bijbel altijd om de relatie die de mens met God heeft. En zo is het ook met de Gemeente in het Nieuwe Testament. De Gemeente heeft ook meerdere benamingen in relatie met God en de Here Jezus Christus (lichaam, man, gebouw, tempel enz.). Uit de context blijkt wat er mee uitgedrukt wordt.

Hier in Egypte gaat het over de Farao en het Egyptische volk met hun eerstgeborenen en daartegenover God met Zijn eerstgeborene nl. Israël.

En daarna gingen Mozes en Aaron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn! (Exodus 5:1)

 

Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; (Jeremia 31:32)
 

En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. (Jeremia 23:3)
 

Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.
(Hosea 10:1)

In Exodus 4 gaat het over de eerstgeborenen van Egypte en Israël, Gods eerstgeborene. Egypte houdt Israël gevangen en daarom zal God de eerstgeborenen van Egypte doden, zodat Israël, de eerstgeboren zoon van God, bevrijd wordt. Over een eerstgeboorterecht van Israël wordt in de Bijbel niet gesproken.

Over de eerstgeborene, in verband met Israël, wordt alleen nog in Jeremia gesproken.

Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden. Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God! Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël. Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene. Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde. Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij. Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed (Jeremia 31:1-12a)

In vers 9 van Jeremia 31 wordt gesproken over Efraïm, de eerstgeboren zoon van God. Hij mag duidelijk zijn dat het hier niet gaat over Efraïm, de zoon van Jozef, en ook niet over de stam Efraïm, maar over het volk Israël, dat met de naam Efraïm aangeduid wordt.

Nadat het koninkrijk van Israël van het huis van David was afgescheurd en aan Jerobeam (uit Efraïm) gegeven, werd de naam 'Efraïm' gebruikt voor het koninkrijk van Israël. Als we dan in vers 9 lezen "want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene", dan lezen we dat hier Israël met de naam Efraïm wordt aangeduid. God wordt de Vader van Israël genoemd en Efraïm de eerstgeborene.
Het gaat hier niet over 2 zonen, Israël en Efraïm, maar slechts over één zoon nl. Israël, genaamd Efraïm.
En we weten uit Exodus dat Israël (de 12 stammen Israëls) de eerstgeborene zoon van God wordt genoemd. Omdat Juda afgezonderd is van Israël en beide hier in Jeremia een rol spelen, wordt Israël aangeduid met de naam Efraïm.

In het Nieuwe Testament zien we dat de naam Israël uitsluitend op het joodse volk van toepassing is. Efraïm is in ballingschap gegaan en wordt in het Nieuwe Testament niet genoemd. Hier in Jeremia 31
(vanaf vers 23) zien we dat beide (Efraïm en Juda) weer één zullen zijn in een nieuw verbond. Ook Ezechiël 37 geeft deze eenheid aan, namelijk dat Jozef toegevoegd zal worden aan Juda tot een eenheid (19-23) en Ezechiël voegt er aan toe dat David hun Koning zal zijn (vers 24-25).

Vandaar dat in Jeremia 31 beide volken Israëls genoemd worden en wel bij hun naam Efraïm en Juda.
Ik hoop dat deze zeer beknopte toelichting duidelijk laat zien dat Israël hier in Jeremia de eerstgeboren zoon van God wordt genoemd, zoals dit voor eerst door God gezegd was in Exodus 4. Vaker dan deze twee keer komt het niet voor.

 We zien dat uit dit volk, namelijk uit Juda, de eniggeboren en eerstgeboren Zoon van God, onze Heer Jezus Christus, is voortgekomen.
De eerstgeborene zoon van God blijkt Degene te zijn die uit de eerstgeboren zoon "Israël" is voorgekomen, namelijk Jezus Christus, uit het geslacht van David, uit het geslacht van Juda en uit het geslacht van Abraham.

 

Punt 4. Christus Jezus als
de Eerstgeborene, en de Gemeente Die een Gemeente van Eerstgeborenen wordt genoemd.

Wij zijn nu aangekomen bij het laatste punt en ook het belangrijkste: De Here Jezus Christus. In het Oude Testament lezen we een profetie in Psalm 89:

Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken. De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen. En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren. Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.
(Psalm 89:21-30)

Deze profetie zien we terug in Openbaring 1, waar Johannes spreekt over de Here Jezus Christus, zijnde de Eerstgeborene uit de doden en de Overste der koningen der aarde.

En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. (Openbaring 1:5)

Ook in de brief aan de Hebreën kunnen we lezen over de Eerstgeborene. Hier worden citaten aangehaald uit het Oude Testament. Het blijkt dus dat in het Oude Testament over de Here Jezus Christus wordt gesproken en dat Hij de Eerstgeboren Zoon is.
 Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft. Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? a) En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? b) En als Hij wederom den Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden c).
 (Hebreën 1:4-6)


a) Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. (Psalm 2:6-7)
 

b) En het zal geschieden, als uw dagen zullen vervuld zijn, dat gij heengaat tot uw vaderen, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, hetwelk uit uw zonen zijn zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in der eeuwigheid. Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn; en Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wenden, gelijk als Ik die weggenomen heb van dien, die voor u geweest is; Maar Ik zal hem in Mijn huis bestendig maken, en in Mijn Koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.
(1 kronieken 17:11-14)
 

c) Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden! (Psalm 97:7)
 

Bij deze tekst is een kleine toelichting nodig, omdat er een tegenstrijdigheid in lijkt voor te komen. In Hebreën 1 wordt gesproken over "alle engelen Gods". In Psalm 97 over "alle gij goden".
Het Hebreeuwse woord wat in Psalm 97 staat is 'Elohim'. Dit woord betekent 'goden'. De Septuaginta* heeft hier vertaald met 'engelen'.
Ditzelfde komt ook voor in Psalm 8:5 waar zowel de Septuaginta* als de Statenvertaling het woord 'Elohim' weergegeven hebben met 'engelen'.

Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
(Psalm 8:5-7)

De NBG heeft 'een weinig minder gemaakt dan de engelen' vertaald met 'bijna goddelijk gemaakt'.
Met de goden worden hier engelen bedoeld, zoals in Hebreën 2:7 vermeld staat.

Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;
(Hebreën 2:7)

Ook in Zacharia wordt het verband gelegd tussen de enige zoon en de eerstgeborene. In deze tekst wordt gesproken over de Here Jezus Christus, Degene die zij doorstoken hebben.

Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. (Zacharia 12:10)

Dat de Here Jezus de eniggeboren Zoon is, kunnen we lezen in de volgende teksten:

En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.
(Johannes 1:14)
 

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. (Johannes 1:18)
 

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
(Johannes 3:16)
 

Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.
(Johannes 3:18)
 

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. (1 Johannes 4:9)

Daarmee is de Here Jezus automatisch de eerstgeborene; de eerste en voor God ook de enige Die er wat toe doet. Engelen worden ook zonen Gods genoemd en ook wij als gelovigen worden zo genoemd. Maar dat is alleen zo, omdat alles uit Christus is voortgekomen.

Johannes spreekt over de Here Jezus Christus als het Woord Gods:

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.
(Johannes 1:1-3)

En Paulus zegt:

Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. (Romeinen 11:36)
 

Nochtans hebben wij maar een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar een Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.
(1 Korinthe 8:6)
 

Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;
(Kolossensen 1:16-17)

Uit bovenstaande schriftgedeelten mogen we concluderen dat de Here Jezus Christus de Eerste is, want alles komt uit Hem voort. Eenzelfde verschijnsel doet zich voor bij Izak. Hij wordt de enige of eniggeboren zoon genoemd, terwijl Ismaël zijn oudere broer was en ook de zoon van Abraham werd genoemd. Izak, de enige of eniggeboren zoon van Abraham:

En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
(Genesis 22:16)
 

Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, (Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken; Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.
(Hebreën 11:17-19)

Ismaël, de zoon van Abraham:

Genesis 25:9  En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem (= Abraham), in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;
 

Genesis 25:12  Dit nu zijn de geboorten van Ismael, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.

Dan wil ik nog even verband leggen tussen Hosea 11:1 en Mattheüs 2:15

Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. (Hosea 11:1)

In Hosea 11 wordt gesproken over Israël, zijnde de zoon die uit Egypte geroepen is. De twaalf stammen Israëls zijn inderdaad uit Egypte geroepen. Maar lezen we Mattheüs 2, dan zien we dat Hosea 11:1b een profetie blijkt te zijn over de Here Jezus. Hij is de (eerstgeboren) zoon die uit Egypte geroepen is. In Hem wordt de profetie vervuld.

Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte; En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
(Mattheüs 2:14-15)

Dat de Here Jezus Christus de eerstgeborene Gods is, is uit bovenstaande wel gebleken. Hij is het begin van alles, zoals uit onderstaande teksten blijkt.

Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen. (Kolossensen 1:15)

 

En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem; En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. (Kolossensen 1:17-18)

 

Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. (Romeinen 8:29)

Bovenstaande tekst geeft aan dat de Here Jezus Christus de Eerstgeborene is onder vele broeders, maar onderstaande tekst geeft aan dat wij, die de Gemeente van Jezus Christus vormen, een Gemeente van eerstgeborenen zijn.

Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, ..
(Hebreën 12:22-24).
 

Wij zijn gekomen tot Christus, de Eerstgeborene,
Die de Middelaar is van het nieuwe verbond en in Hem vormen wij een Gemeente van eerstgeborenen. 

Tot slot nog het volgende:

Christus is de Eniggeboren en Eerstgeboren Zoon van God. Over een eerstgeboorterecht van Christus wordt echter niet gesproken. Wel wordt er gesproken over 'alle' of 'alles'.

En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.
(Epheze 1:22-23)
 

En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
(Mattheüs 28:18)
 

En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft; Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen. (Kolossensen 3:10-11)
 

Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is; (Epheze 1:10)

Tenslotte wil ik dit gedeelte afsluiten met het tekstgedeelte waarmee ik begonnen ben:

Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. (Psalm 89:27-28)

Alles nog even op een rijtje:

1.  De eerstgeborene heeft een eerstgeboorterecht. Dit is een kwestie tussen vader en zoon. Over de inhoud wordt weinig of niets gezegd. Van de zoon van de gehate vrouw, mag volgens de wet, indien hij de eerstgeborene is, dit recht niet afgenomen worden, ten gunste van de zoon van de geliefde vrouw.

Dit recht blijft lang niet altijd bij de eerstgeborene. God kiest vaak voor Zijn plannen (en dit in de geslachtslijn van Adam tot Christus) niet de eerstgeboren zoon uit, maar degene die Hij voor Zijn doel wil gebruiken.

Iets wat je door geboorte hebt ontvangen, moet je niet verachten, zoals Ezau deed. Verkoop van het eerstgeboorterecht wordt beschouwd als hoererij waaruit volgt dat er geen zegen wordt geërfd.

Het eerstgeboorterecht kan weggenomen worden en aan een ander gegeven, zoals bij Ruben. Hij bleef de eerstgeboren zoon van Jakob, alleen de rechten had hij verspeeld.

Ondanks dat Jozef niet de eerstgeborene is, wordt hij door God wel aangesteld tot hoofd over zijn familie en heel Egypte. De eerstgeboorte ging via Jozef naar zijn beíde zonen. Zij kregen dus samen het eerstgeboorterecht, maar zij werden niet als eerstgeborenen gerekend.

Want ook al raakte Ruben zijn eerstgeboorterecht kwijt aan de beide zonen van Jozef, de eerste onder de broeders zou niet Ruben zijn en ook niet Jozef (of Efraïm en Manasse), maar Juda (uitlopend op de Here Jezus). Wij zien door de hele Bijbel heen, dat God Juda heeft uitverkoren.

2. De eerstgeborenen onder Israël zouden, sinds de uittocht uit Egypte, aan God gewijd moeten worden. Maar God koos in hun plaats Levi hiervoor uit. De Levieten worden in de plaats van de eerstgeborenen van Israël aan God toegewezen, om Hem te dienen. Levi is daarmee een type van het hogepriesterschap van Christus.

Hun eerstgeboorterecht bestaat hieruit dat de levieten de rechten en plichten tegenover God van de eerstgeborenen over nemen.

3. De verschillende benamingen die God aan zijn volk geeft moeten gelezen worden in de context waarin ze geschreven worden. In Egypte gaat het over de Farao en het Egyptische volk met hun eerstgeborenen en daartegenover God met Zijn eerstgeborene:Israël. Egypte houdt Israël gevangen en daarom zal God de eerstgeborenen van Egypte doden, zodat Israël, de eerstgeboren zoon van God, bevrijd wordt. Over een eerstgeboorterecht van Israël wordt in de Bijbel niet gesproken

Nadat het koninkrijk van Israël van het huis van David was afgescheurd en aan Jerobeam (uit Efraïm) gegeven, werd de naam 'Efraïm' gebruikt voor het koninkrijk van Israël. Als we dan in Jeremia 31:9  lezen "want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene", dan lezen we dat hier Israël met de naam Efraïm wordt aangeduid.

4. De eerstgeborene zoon van God blijkt Degene te zijn die uit de eerstgeboren zoon "Israël" is voorgekomen, namelijk Jezus Christus, uit het geslacht van David, uit het geslacht van Juda.

     Dat de Here Jezus de eniggeboren Zoon is, lezen we o.a. meerdere malen in Johannes. Daarmee is de Here Jezus automatisch de eerstgeborene. De twaalf stammen Israëls zijn uit Egypte geroepen. Uit Mattheüs 2 blijkt dat dit een profetie is over de Here Jezus. Híj is de (eerstgeboren) zoon die uit Egypte geroepen is.

In Hem is de gemeente een Gemeente van eerstgeborenen. Over een eerstgeboorterecht van Christus wordt niet gesproken.

Van onze Here Jezus Christus wordt gezegd dat alle dingen uit Hem en door Hem en tot Hem zijn (Romeinen 11:36) en dat alle dingen aan Zijn voeten zijn onderworpen (Epheze 1:22 en Hebreën 2:8).

Deze korte uiteenzetting over het eerstgeboorterecht wil ik graag afsluiten met de woorden uit Psalm 89 en Openbaring 19:

Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.
(Psalm 89:27-30)

 

En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hij Zelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. En de heirlegers in den hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods. En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren. Openbaring 19:11-16

 

K.B. / 170110

 


--------------------------------------------------------------------------------

* Voor degenen die niet weten wat de Septuaginta is, heb ik het volgende citaat overgenomen uit de Wikipedia:

Septuagint of Septuaginta (Latijn: zeventig), afkorting van interpretatio septuaginta interpretum virorum, Grieks: η μετάφραση των εβδομήκοντα, "vertaling van de zeventig mannen"), vaak afgekort tot LXX (= 70 in Romeinse cijfers), is de naam voor de Griekse vertaling van de Tenach of Oude Testament die tussen circa 250 v.Chr. en 100 v.Chr. werd gemaakt.