Het eerstgeboorterecht deel III

Korte samenvatting van het voorafgaande:

Deel 1: God bepaalt wie voor Hem belangrijk is en wie Hij zegent. God kiest niet op grond van eerstgeboorte, maar op grond van gehoorzaamheid en geloof. (Noach, Abram)Alle door God uitverkoren en gezegende personen zijn voorouders van de Here Jezus.

           Het eerstgeboorterecht komen we voor het eerst tegen bij Jakob en Ezau.

            Ezau verkoopt zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Verkoop wordt beschouwd als hoererij (Hebr. 12) waaruit volgt dat er geen zegen wordt geërfd.

           Jakob ging er niet vanuit dat hij door het kopen van het eerstgeboorterecht automatisch ook de zegen zou ontvangen. Want de zegen verkrijgt hij door bedrog (en conform de
bedoeling van God).

Deel 2:  Ruben is de eerstgeboren zoon van Jakob. Jozef had zowel bij Jakob als bij God een bijzondere positie. Ondanks dat hij niet de eerstgeboren is, wordt hij wel aangesteld tot hoofd over zijn familie en heel Egypte.
Juda, die eerst winst behaalt door de verkoop van Jozef, stelt later zijn leven
borg voor dat van Benjamin.
 

Nu we de geschiedenis van Jakob en zijn zonen in vogelvlucht hebben bekeken, gaan we naar Genesis 48 en 49. Hier komen we een paar merkwaardige gebeurtenissen tegen, die overigens gemakkelijk verkeerd begrepen en verklaard kunnen worden.
We nemen de draad op in Genesis 48.

Jakob en de zijnen zijn in Egypte komen wonen en worden onderhouden door Jozef. Dan krijgt Jozef bericht dat zijn vader ziek is.Hij gaat dan met zijn 2 zonen Manasse (de eerstgeborene) en Efraïm, die in Egypte geboren zijn, naar zijn vader Jakob.Dan doet Jakob iets wat niet gebruikelijk is. Hij neemt de twee zonen van Jozef en neemt hen aan als zijn eigen zonen, zoals ook Ruben en Simeon zijn.

Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend; En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven. Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon. Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
(Genesis 48:3-6)

Er staat in bovengenoemd Bijbelgedeelte overigens nog iets wat onze aandacht vraagt. Het geslacht dat Jozef hierna nog zou verwekken zou hun erfdeel onder Efraïm en Manasse krijgen. Dit houdt dus in dat Efraïm en Manasse samen het geslacht van Jozef voortzetten onder de zonen van Jakob. Soms wordt Jozef in plaats van één van zijn zonen genoemd en soms worden gewoon beide zonen genoemd.

Een paar voorbeelden:

Bij de marsorde in de woestijn (Numeri 10) worden Efraïm en Manasse samen genoemd in de plaats van Jozef.

Bij de uitzending van de 12 verspieders (Numeri 13) staat Jozef voor de stam van Manasse, want er staat:

Van den stam van Efraïm, Hosea, de zoon van Nun. (Numeri 13:8)

Van den stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi. (Numeri 13:11)

In het boek Openbaring worden in hoofdstuk 7
de 144000 verzegelden uit alle geslachten Israëls genoemd. In dit gedeelte wordt Jozef genoemd in plaats van Efraïm.

Ik heb hierboven drie voorbeelden genoemd. Er zijn er nog een paar. Deze kun je o.a. lezen in Numeri 1 en Jozua 13. In beide worden Efraïm en Manasse genoemd.

In Genesis 48 zien we dat de beide zonen van Jozef door Jakob worden gezegend. De jongste zoon van Jozef wordt geplaatst boven de oudste.

En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem. Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en leide die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
(Genesis 48:13-14)

Als Jakob Efraïm en Manasse wil zegenen, zorgt Jozef er voor dat Manasse, als eerstgeborene, tegenover de rechterhand van Jakob komt en Efraïm tegenover de linkerhand, zodat de zegen ook in die volgorde zou worden uitgesproken. Eerst de eerstgeborene en daarna de tweede zoon. De eerstgeborene zou dan de belangrijkste zegen krijgen. Maar Jakob draait de zaak om, zoals ook met hem zelf was gebeurd. Niet de eerstgeborene van Jozef, maar de jongste zoon krijgt de belangrijkste zegen. Jozef ging er vanuit dat de oudste zoon de belangrijkste zegen zou moeten krijgen, maar Jakob dacht daar blijkbaar anders over. Jakob zegt hier niets over het eerstgeboorterecht. Hij gaf Efraïm een grotere zegen en plaatst daarmee Efraïm boven Manasse. Doch Manasse blijft gewoon de eerstgeboren zoon van Jozef.

De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan. (Jozua 17:1)

Zo was het ook bij Ezau en Jakob. Zelfs toen Ezau zijn eerstgeboorterecht had verkocht, bleef hij de eerstgeboren zoon van Izak. En Ezau zou de grote zegen hebben ontvangen als God niet via Rebekka had ingegrepen. (Zie deel I)

Jakob doet hier hetzelfde met de beide zonen van Jozef. Hij stelt Efraïm voor Manasse, door middel van een grotere zegen. Let wel, hij stelt Efraïm niet voor alle zonen van Jakob, maar alleen voor Manasse. Zij worden ook niet tegelijk gezegend met de andere zonen van Jakob. Jozef wordt met de andere zonen van Jakob gezegend (lees over deze zegen het artikel 'De zegen van Jakob aan Jozef').

De zegen houdt in dat het zaad van Efraïm groter in aantal (volle menigte van volken) zal worden dan Manasse (een groot volk).

Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm leide, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen. En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse. (Genesis 48:17-20)

In Genesis 48 staat: "zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden" en dat houdt dus in dat er uit Efraïm zelf zaad zou voortkomen wat tot een volle menigte van volkeren zou worden. Dat kunnen dus niet de 10 stammen van Israël zijn, omdat deze niet uit het zaad van Efraïm zijn voortgekomen. En van Manasse staat dat hij zelf tot een groot volk zou worden.

Wat hier ook niet staat is dat Efraïm boven de zonen van Jakob zou gesteld worden, alleen dat Efraïm groter zou worden dan Manasse. Sommigen beweren dat alleen Efraïm, de zoon van Jozef, de (klein)zoon van Jakob, het eerstgeboorterecht heeft onder de stammen van Israël. Dit wordt in de Bijbel nergens vermeld.
Men voert dan aan dat dit zou moeten blijken uit
1 Kronieken 5:1.

De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.) De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
(1 Kronieken 5:1-3)

Ruben heeft zich, door zijn vaders bed te ontheiligen, nogal wat op de hals gehaald. Uit Genesis 49:1 blijkt dat hij de belangrijkste zegen misloopt en in 1 Kronieken 5:1 blijkt dat hij ook zijn eerstgeboorterecht kwijtraakt.
Ondanks dat dit gebeurt, blijft Ruben in de geslachtsregisters de eerstgeborene en dat blijkt ook uit vers 3 want dit vers begint met de woorden: "De kinderen (Hebr. Benim = zonen) van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn…".

De eerstgeboorte ging via Jozef naar zijn beide zonen. De zonen van Jozef kregen dus samen het eerstgeboorterecht, maar zij werden niet als eerstgeborenen gerekend. Ruben bleef de eerstgeboren zoon van Jakob. Alleen de rechten had hij verspeeld.

Wij zien in bovengenoemd tekstgedeelte nog iets anders. Er worden drie namen genoemd: Ruben, Jozef en Juda. Deze personen speelden in de voorafgaande geschiedenis van Jakob al een belangrijke rol, zoals wij eerder hebben kunnen lezen. De derde persoon die wordt genoemd is Juda. Van hem wordt hier gezegd dat hij machtig werd onder zijn broers en dat de voorganger uit Juda was. Dus Juda zou de eerste zijn. Dit is in overeenstemming met de zegen die Juda in Genesis 49 van Jakob ontvangt.

De conclusies tot dusver zijn:

1. De zonen van Jozef worden toegevoegd aan de zonen van Jakob, waarbij Jozef niet zelf nog aan aparte stam vormt.

2. Daarnaast moeten we vaststellen dat Efraïm boven Manasse gezegend wordt, buiten en los van de 12 zonen van Jakob.

    Samen hebben zij het eerstgeboorterecht van Jakob ontvangen.

3. Het blijkt dat Juda de belangrijkste zal zijn onder de zonen van Jakob en

4. dat Ruben de eerstgeboren zoon van Jakob blijft.

Tot zover hoofdstuk 48.

 

In het nu volgende hoofdstuk verkondigt Jakob zijn zonen wat hen in de toekomende tijden overkomen zal. Nog even voor de duidelijkheid. Hoofdstuk 49 wordt bij ons onderwerp behandeld, omdat de zegen door velen ten onrechte gekoppeld wordt aan het eerstgeboorterecht.

Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal. Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader. Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen! (Genesis 49:1-4)
 

Van Ruben wordt gezegd dat hij de eerstgeborene is, Jakobs kracht en het begin van zijn macht. En ook is hij de voortreffelijkste in hoogheid. Toch zal hij de voortreffelijkste niet zijn. Dit recht wordt hem afgenomen. De vraag is: Wie zal de voortreffelijkste dan wel zijn?

Laten we gaan naar de volgende zoon nl. Simeon en Levi. Zij worden samen genoemd.

De broeders Simeon en Levi, hunne zwaarden zijn moorddadige wapenen. Mijne ziel kome niet in hunnen raad, en mijne eer zij niet in hunne vergadering; want in hunnen toorn hebben zij de mannen vermoord, en in hunnen moedwil hebben zij de ossen verlamd. Vervloekt zij hun toorn, daar hij zo hevig is, en hunne grimmigheid, daar zij zo hardnekkig is; ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël.
(Genesis 49:5-7)

Ook zij zullen niet de voortreffelijksten zijn, want zij hebben mensen vermoord (Genesis 34). Zij zullen verstrooid worden onder Israël. Maar God beslist blijkbaar anders dan Jakob voor ogen had. We zien dat er van Ruben, Simeon en Levi geen positieve dingen worden gezegd. Ik wil hierbij opmerken dat Levi onder Israël later inderdaad geen erfdeel kreeg, maar dat de Levieten, in plaats van de eerstgeborenen van Israël, aan God gewijd werden. God zou hun erfdeel zijn. Zij kregen het Priesterschap onder Israël. En Mozes was de eerste leidsman onder hen en Aäron de eerste Hoogepriester.

Van Simeon vermeldt de Bijbel niet dat hij verstrooid werd onder Israël. Simeon kreeg een erfdeel binnen het gebied van Juda. De reden hiervoor kun je in onderstaande tekst lezen.

Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda. (Jozua 19:1)

 

Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel. (Jozua 19:9)
 De volgende zoon is Juda.

Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed. Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk. (Genesis 49:8-12)


Juda wordt hier gesteld als de machtigste en de voortreffelijkste. Zijn vijanden en ook al zijn broers (inclusief Efraïm en Manasse) zouden zich voor Juda neerbuigen. Zoals dit eerder was gebeurt bij Jozef in Egypte, zou dit in de "navolgende dagen" (Genesis 49:1) in Juda vervuld worden. Juda zou een leeuw zijn, machtig en sterk, want wie heeft de macht om hem te doen opstaan als hij zich neerlegt?
Hierna wordt van Juda gezegd dat de scepter van Juda niet zal wijken en ook de wetgever (degene die vaststelt of besluiten neemt) niet. Dit totdat Silo (Rust, Vrede) komt en Hem zullen alle volken gehoorzamen. Dat dit laatste van de Here Jezus spreekt wordt door niemand betwijfeld. De Here Jezus, Die uit Juda is voortgekomen, zou heersen over alle volken. Dit wordt ook door diverse profetieën in de Bijbel bevestigd en komt ook overeen met wat in 1 Kronieken 5:2 vermeld staat.

Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef. (1 Kronieken 5:2)

Ook al raakte Ruben zijn eerstgeboorterecht kwijt aan de beide zonen van Jozef, de eerste onder de broeders zou niet Ruben zijn en ook niet Jozef (of Efraïm en Manasse), maar Juda (uitlopend op de Here Jezus). God bepaalt wie de eerste zal zijn en wij hebben al eerder gezien (o.a. bij Abram, Izak en Jakob) dat dit niet de eerstgeborene hoeft te zijn en ook niet degene met het eerstgeboorterecht. Wij zien door de hele Bijbel heen, dat God Juda heeft uitverkoren. Uit Juda werd David door God uitverkoren en uit hem is Christus Jezus,
de Eerstgeborene van God en de
Koning der koningen.

Deze uitverkiezing was niet op grond van het eerstgeboorterecht dat Jakob aan de zonen van Jozef gaf, want God koos Juda en Jeruzalem (Sion). De koning werd David, en uit hem kwam de Christus,
Gods Eerstgeborene.

Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn. En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan. Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraïm verkoos Hij niet. Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Siona), dien Hij liefhad. En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid. En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien; Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
(Psalm 78:65-72)

 

a)Psalm 2:6 Ik toch heb Mijn
Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
 

Psalm 132:13 Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats

 

Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken. De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen. En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren. Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.
(Psalm 89:21-30)

Het eerstgeboorterecht wat Jakob aan de zonen van Jozef gaf krijgt in de Bijbel verder geen aandacht. Als dit eerstgeboorterecht in 1 Kronieken 5:1 (de enige plaats in de Bijbel waar dit voorkomt) niet genoemd was, zouden we niet eens weten dat dit van Ruben naar de zonen van Jozef was gegaan. Ook bij de verdeling van de erfenis (het land Kanaän) onder de stammen van Israël wordt nergens melding gemaakt van het feit dat er vanwege een eerstgeboorterecht bepaalde rechten op meer land zou zijn. Er is in de Bijbel maar één Eerstgeborene belangrijk en dit is Gods Eerstgeborene: Christus. (zie punt 3 en 4)

De vraag die nog steeds beantwoord moet worden is: Wat houdt het aardse eerstgeboorterecht van de oudste zoon eigenlijk in? Het antwoord is dat de Bijbel wel de eerstgeborene noemt, maar nauwelijks aandacht besteed aan de inhoud van het eerstgeboorterecht. Wel is zo dat als je de eerstgeborene bent, je het eerstgeboorterecht niet zomaar kunt verkopen. Dit lezen wij in de brief aan de Hebreën. We lezen dan:

Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beerven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.
(Hebreën 12:16-17)

Tenslotte wil ik nog een paar zaken noemen met betrekking tot de eerstgeborene en zijn eerstgeboorterecht, hoewel dit laatste er niet altijd bij vermeld wordt. In Genesis 43 lezen we over Ruben:

En zij zaten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en de jongere naar zijn jonkheid; dies verwonderden zich de mannen onder elkander.
(Genesis 43:33)

We zien hier dat Jozef, als deze een maaltijd voor zijn broers heeft bereid, de broers een plaats aan de tafel geeft in volgorde van geboorte. Er staat: de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte(recht). De eerste plaats werd dus aan Ruben gegeven en de laatste plaats aan Benjamin. Maar kreeg Ruben dan ook het beste of het meeste? Nee, want wij lezen, dat iedereen hetzelfde kreeg, uitgezonderd Benjamin, de jongste:

En men bracht hun van de gerechten die voor hem stonden, en het gerecht voor Benjamin was vijfmaal zo groot als het gerecht van ieder hunner.
(Genesis 43:34 - NBG)

Ruben was de eerste en kreeg dan wel het recht van de eerste plaats, maar de jongste kreeg het meeste.

In de volgende teksten lezen wij over de eerstgeborene zoon van de koning en een zoon die hoofd werd, alhoewel hij de eerstgeborene niet was.

En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao’s eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou,…...
(Exodus 11:5)

 

En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.
(2 Kronieken 21:3)

 

En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd). (1 Kronieken 26:10)

 

Daarnaast weten wij dat de eerstgeboren zoon van David (Amnon) niet op de troon kwam, maar de troon ging naar Salomo, de zoon van Bathseba, de zoon, waarvan de Heer zei, dat Hij hem liefhad.

Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Salomo; en de HEERE had hem lief (2 Samuël 12:24)

Dan tenslotte nog het eerstgeboorterecht, waarover we lezen in Deuteronomium 21.

Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is. Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is het zijne.(Deuteronomium 21:15-17)

In dit Bijbelgedeelte wordt gesproken over "erven". Hier wordt een situatie geschetst van een man die twee vrouwen heeft, een beminde en een gehate. En deze vrouwen hebben zonen gebaard. Het uitgangspunt is dat de eerste zoon, de eerstgeborene dus, van de gehate vrouw is. De overige zonen zijn hier niet belangrijk. De wet leert hier, dat bij de verdeling van de erfenis, de eerstgeboorte niet aan de zoon van de geliefde mag worden gegeven i.p.v. aan de eerstgeborene zoon, zijnde de zoon van de gehate vrouw. De vader moet zijn eerstgeboren zoon (van de gehate vrouw) erkennen, door hem een dubbel deel te geven van alles wat hij heeft. Uit dit gedeelte blijkt niet dat de eerstgeborene per definitie een dubbel deel kreeg. Er wordt hier alleen melding gemaakt van de gehate vrouw, die de eerstgeboren zoon baart. De vader moet deze eerstgeboren zoon erkennen door hem een dubbel deel te geven. Ook lezen wij nergens in de Bijbel dat een eerstgeboren zoon ook inderdaad een dubbel deel van de erfenis kreeg. De enige twee geschiedenissen, waar melding gemaakt worden van een man, die een geliefde en een gehate vrouw had, zijn Jakob met Rachel (de geliefde) en Lea (de gehate) en dan nog Elkana met Hanna (de geliefde) Peninna (de gehate).

En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter. (Genesis 29:18)
 

Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.
(Genesis 29:31)
 

En het geschiedde op dien dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochteren, delen. Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de HEERE had haar baarmoeder toegesloten.
(1 Samuël 1:4)

In beide geschiedenissen wordt geen melding gemaakt van de verdeling van de erfenis en dus ook niet van een dubbel deel.
Als er in de Bijbel al melding gemaakt wordt van de dubbel deel (de uitdrukking 'dubbel deel' komt 3 x voor), zoals bij Elia en Elisa in 2 Koningen 2:9 en twee van de drie delen in Zacharia 13:8), dan heeft dit geen betrekking op het eerstgeboorterecht. Ook als iemand iets dubbel krijgt zoals o.a. Job, staat dit los van het eerstgeboorterecht.

De conclusie is dan ook als volgt:

1.  De eerstgeborene heeft een eerstgeboorterecht. Dit is een kwestie tussen vader en zoon. Over de inhoud wordt weinig of niets gezegd.

2.  Dit recht blijft lang niet altijd bij de eerstgeborene.

3.  Iets wat je door geboorte hebt ontvangen, moet je niet verachten, zoals Ezau deed. Het eerstgeboorterecht kan echter wel bij je weggenomen worden en aan een ander gegeven, zoals bij Ruben.

4.  Van de zoon van de gehate vrouw, mag volgens de wet, indien hij de eerstgeborene is, dit recht niet afgenomen worden, ten gunste van de zoon van de geliefde vrouw.

5.  God kiest vaak voor Zijn plannen (en dit in de geslachtslijn van Adam tot Christus) niet de eerstgeboren zoon uit, maar degene die Hij voor Zijn doel wil gebruiken. Zoals Izak, Jakob, Juda, David en Salomo. Zij waren niet de eerstgeboren zoon, maar werden wel door God uitgekozen en boven de anderen gezegend.


In het volgende en laatste deel worden de punten 2-4 behandeld. Deze punten zijn:

2.     De eerstgeborenen onder Israël, zijnde het eigendom des Heeren, die vervangen werden door de Levieten.

De Levieten werden, in plaats van alle eerstgeborenen onder Israël, aan God gewijd.

3.     God, Die Israël zijn eerstgeboren zoon noemt.

4.     Christus Jezus als de Eerstgeborene, en de Gemeente Die een Gemeente van Eerstgeborenen wordt genoemd.

K.B. / 170110