Het eerstgeboorterecht deel II

Dat Jakob het eerstgeboorterecht blijkbaar belangrijk vond, is gebleken in deel 1. Maar wat het in de praktijk inhoud is nog steeds niet duidelijk. De eerstgeboorte of het eerstgeboorte- recht heeft blijkbaar alleen een betekenis op aards niveau, binnen een gezin. De Bijbel gaat tot dusver niet op de inhoud van dit aardse recht in. Wel blijkt telkens weer dat God uitkiest wie voor Hem belangrijk is en of dit de eerstgeborene uit een gezin is, speelt geen rol. (zie Izak bij Abram-Ismaël-Izak en Jakob bij Izak-Ezau-Jakob). God kiest de mensen uit op grond van geloof (Abraham) en de belofte (Izak) en liefde (Jakob), zoals wij dit hebben kunnen zien. Dat heeft met het eerstgeboorterecht blijkbaar niets te maken.
God is begonnen met Adam en via een aantal geslachten zien we dat God een verbond met Noach maakte. Na de zondvloed zien we dat God via een aantal geslachten een verbond maakt met Abraham. Daarna gaat dit verbond direct over op zijn zoon Izak en daarna op diens zoon Jakob. Dit alles was in het vorige deel te lezen.
We zijn nu aangekomen bij de zonen van Jakob. Het hele verhaal kunnen we lezen in Genesis 37-50. Tot dusver werd er één zoon uitgekozen om de geslachtslijn voort te zetten. Bij Jakob gaat dit anders. Jakob krijgt van God een andere naam nl. de naam Israël en deze naam gaat over op al zijn zonen en tezamen vormen zij het volk Israël.

In verband met het onderwerp "eerstgeboorterecht" zouden we nu moeten lezen Genesis 48 en 49. Maar omdat er een hele geschiedenis over Jakob en zijn 12 zonen aan voorafgaat (Genesis 37 t/m 47) lijkt het mij beter om een kort overzicht te geven van deze geschiedenis. Enkele zonen spelen namelijk een belangrijke rol in deze geschiedenis. Dit zijn Ruben, de eerstgeboren zoon van Jakob. Juda, de 4e zoon van Jakob (beide zonen van Lea) en Jozef, de 11e zoon van Jakob  (1e zoon van Rachel). De grootste rol in deze geschiedenis is aan Jozef toebedeeld, daarna Juda en tenslotte Ruben.

Deze drie zonen hebben dan ook rechtstreeks of zijdelings te maken met het eerstgeboorterecht; want Ruben is de eerstgeborene. De zonen van Jozef krijgen het eerstgeboorterecht en uit Juda komt de Messias voort (zie deel III - wordt nog gepubliceerd - red.).

En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaan. Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader. En Israel had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok. Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken. (Genesis 37:1-4)
 

 Wij lezen hier over de relatie tussen Jakob en Jozef enerzijds en anderzijds tussen Jozef en zijn broers.
Jakob had Jozef meer lief dan zijn andere zonen en ook van Godswege ontving Jozef een bijzondere positie, wat overigens door de andere broers niet gewaardeerd werd, sterker nog, zij haatten hem om zijn dromen en woorden.
 
Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer. En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb. En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof. Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder. En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen? Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.  (Genesis 37:5-11)

Als de broers (vanaf vers 12) de schapen bij Sichem weiden, stuurt Jakob Jozef naar hen toe. Als men Jozef aan zien komen, maken ze plannen om hem te doden. Ruben echter is hier tegen en probeert hem te bevrijden. Vervolgens haalt Juda de broers over om Jozef aan de Midianieten en Ismaëlieten te verkopen (vers 28). En zo gebeurt het.

Als Jozef naar Egypte is verdwenen gaat de geschiedenis verder met Juda. We lezen in Genesis 38 over het nageslacht van Juda. Daarna gaat de geschiedenis weer verder met het leven van Jozef. (vanaf Genesis 39)
In dit vervolg zien we Jozef in Egypte bij Potifar:

Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden. En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar. Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte; Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.
(Genesis 39:1-4)

daarna in de gevangenis:

En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis. Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis. En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij. De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.
(Genesis 39:20-23)

en daarna zijn verhoging:

Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij. Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld. Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. (Genesis 41:40-41)

Later, als er honger is in het land, komen zijn broers bij Jozef om voedsel te kopen. Bij die gelegenheid buigen zij allemaal voor hem. Jozef herinnert zich dat hij dit gedroomd heeft.

Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde. Als Jozef zijn broederen zag, zo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met hen, en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaan; om spijze te kopen. Jozef dan kende zijn broederen; maar zij kenden hem niet. Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.
(Genesis 42:6-9)

Als Jakob aan het eind van zijn leven Jozef zegent, refereert hij aan hetgeen Jozef is overkomen en zijn positie, waarin Jozef door God in staat gesteld was om zijn familie te bewaren.

Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur. De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israels (1
(Genesis 49:22-24)

Dit lezen wij ook in de volgende teksten:

En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt. Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens. Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal. Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. (Genesis 45:4-7)

 
En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had. En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.
(Genesis 47:11-12)

Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten! En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God? Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden. Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart. Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.
(Genesis 50:18-22)

 
 Ondanks dat Jozef niet de eerstgeborene is, zien we dat God hem aanstelt tot hoofd. Niet alleen over zijn familie, maar over geheel Egypte. En dit alles is geschied "om een groot volk in het leven te behouden ". In Jozef zien we een type van de Here Jezus, die verworpen en verhoogd werd om een groot volk in het leven te behouden.

Over Ruben lezen we het volgende:

De eerstgeborene van Jakob: Ruben. (Genesis 46:8)  Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! (Genesis 49:3)


Ruben probeert Jozef te bevrijden uit de handen van zijn broers:

Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan. Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.
(Genesis 37:21-22)

Ruben stelt het leven van twee van zijn zonen als borg voor het leven van Benjamin (wat overigens door Jakob afgewezen wordt).
Opgemerkt moet worden dat Ruben niet zijn eigen leven (en ook niet het leven van zijn eerstgeborene) borg stelt voor Benjamin. Dit doet Juda wel. (Zie Genesis 44:33)

Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: Dood twee mijner zonen, zo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weder tot u brengen! Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broeder is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op den weg, dien gij zult gaan, zo zoudt gij mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.
(Genesis 42:37-38)

Ook lezen wij van Ruben dat hij het bed van zijn vader schendt.

En het geschiedde, als Israel in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israel hoorde het. (Genesis 35:22)

Wat is de rol van Juda. Wij lezen over hem het volgende:

Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? Komt, en laat ons hem aan deze Ismaelieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.
(Genesis 37:26-27)

In diezelfde tijd neemt Juda een vrouw uit de Kanaänieten. Haar naam is niet bekend. Haar vader heette Sua en kwam uit Adullam.

En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira. En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaanietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in.
(Genesis 38:1-2)

Wij lezen in dit hoofdstuk over de kinderen van Juda. De eerstgeborene is Er, de tweede zoon heet Onan en de derde zoon heet Sela. Daarna krijgt Juda nog 2 kinderen bij Thamar, de vrouw van zijn overleden zoon. Deze kinderen zijn een tweeling en hun namen zijn: Perez en Zera. Deze geschiedenis staat in Genesis 38.

En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
(Genesis 46:12)

De 4e zoon van Juda is Perez en Perez (Griekse vorm = Fares) zien wij terug in de geslachtsregister van de Here Jezus.

En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, (Mattheüs 1:3)

Na deze geschiedenis lezen pas weer over Juda, als hij zich borg stelt voor Benjamin. (Interessant is het feit dat later in de geschiedenis, bij de scheuring het van Israëlische rijk, Benjamin bij Juda blijft.

Juda blijft ook dan voor Benjamin zorg dragen.)

Toen zeide Juda tot Israel, zijn vader: Zend den jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens. Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben! (Genesis 43:8-9)

 

En Juda kwam met zijn broederen in het huis van Jozef; want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde. En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude? Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is. Maar hij zeide: Het zij verre van mij zulks te doen! de man, in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uw vader. Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Farao! Mijn heer vraagde zijn knechten, zeggende: Hebt gijlieden een vader, of broeder? Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling des ouderdoms, den kleinsten, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief. Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla. En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven. Toen zeidet gij tot uw knechten: Indien uw kleinste broeder met u niet afkomt, zo zult gij mijn aangezicht niet meer zien. En het is geschied, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden mijns heren verhaald hebben; En dat onze vader gezegd heeft: Keert weder. koopt ons een weinig spijze; Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; indien onze kleinste broeder bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van dien man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broeder niet bij ons is. Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gijlieden weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft. En de een is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gewisselijk verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe. Indien gij nu dezen ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen! Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (alzo zijn ziel aan de ziel van dezen gebonden is), Zo zal het geschieden, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haren van uw knecht, onzen vader, met droefenis ten grave doen nederdalen. Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben! Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat den jongeling met zijn broederen optrekken! Want hoe zoude ik optrekken tot mijn vader, indien de jongeling niet met mij was, opdat ik den jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou. (Genesis 44:14-34)

Juda, die er eerst op uit is om winst te halen door de verkoop van zijn broer Jozef, is later degene die met zijn leven borg staat voor zijn jongste broer. Hij heeft zich dus bekeerd en dat is echte winst. Daarna lezen wij in Genesis 46 nog dat Jakob Juda een leidende rol geeft.

En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen. (Genesis 46:28)

Uit het bovenstaande hebben we een beetje een beeld kunnen krijgen van de gebeurtenissen in het gezin van Jakob. Niet alles is weergegeven, maar alleen datgene wat nodig is in verband met het eerstgeboorterecht. Wij komen nu dan ook terecht bij het einde van het leven van Jakob en bij het moment dat Jakob zijn zonen zegent en er iets aan de hand is met het eerstgeboorterecht van Ruben.

(1 daarvan is hij een herder, een steen Israels" wordt door de NBG weergegeven als: "daar de Steenrots Israëls zijn herder is".

K.B. / 091109