Het eerstgeboorterecht deel I

Men heeft mij gevraagd om eens een artikel te schrijven over het eerstgeboorterecht in de Bijbel. Dit vanwege de vele vragen over dit onderwerp. Vragen als: "Wat zegt de Bijbel eigenlijk over het eerstgeboorterecht" en "welke betekenis heeft dit voor ons" en "heeft de oudste zoon (de eerstgeborene) altijd het eerstgeboorterecht, en zo niet, waarom dan niet". Ik wil graag proberen hieronder aan te geven wat in de Bijbel hierover geschreven staat.

Deze verschillende aspecten zal ik in het vervolg van dit artikel stuk voor stuk nader toelichten. Het totale artikel zal uit meerder delen bestaan.

In de Bijbel komen we het volgende tegen:

1.     Het eerstgeboorterecht dat de oudste
zoon ontvangt.

2.     De eerstgeborenen onder Israël, zijnde het eigendom des Heeren, die vervangen werden door de Levieten.

De Levieten werden, in plaats van alle eerstgeborenen onder Israël, aan God gewijd.

3.     God, Die Israël zijn eerstgeboren zoon noemt.

4.     Christus Jezus als de Eerstgeborene, en de Gemeente Die een Gemeente van Eerstgeborenen wordt genoemd.
 

1. Het eerstgeboorterecht dat de oudste
zoon ontvangt.

Het is een open deur intrappen om te stellen dat de eerste zoon die in een gezin geboren wordt, de eerstgeborene wordt genoemd, en daarmee het recht van de eerstgeborene krijgt. Wel moeten we nog vaststellen wat dit recht volgens de Bijbel inhoudt. Laten we gewoon bij het begin van de Bijbel beginnen.

We lezen in Genesis 1:27 dat Adam geschapen werd. Hij is dus niet geboren dus was hij geen eerstgeborene.

Hij  heeft dan ook geen eerstgeboorterecht. God geeft hem echter een opdracht.


En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. (Genesis 1:27-29)

Als we dan verder lezen, dan komen we de eerste eerstgeboren zoon tegen. Deze krijgt de naam Kaïn. Daarna wordt Abel geboren.

En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde, Kain, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen! En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer. (Genesis 4:1-2)

Abel wordt later door Kaïn gedood en God stuurt Kaïn weg. Ook hier lezen we niets over een eerstgeboorterecht.

Wel komt het woord 'eerstgeboorterecht' (bekowrah), ook wel 'eerstgeboorte' genoemd, in dit hoofdstuk voor nl. bij de dieren. Het is de eerste keer dat dit woord in de Bijbel voorkomt.

En Habel bracht ook van de eerstgeborenen (bekowrah) zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag, Habel en zijn offer aan; (Genesis 4:4)

We zien hier dat het niet zo zeer om een (eerstgeboorte)recht gaat, maar dat de eerstgeboorte gevolgen had voor sommige van de eerstgeboren schapen nl. dat deze aan God werden geofferd. Ditzelfde komen wij later bij het volk Israël tegen, waar God overigens alle eerstgeborenen onder Israël voor Zichzelf opeist. Maar daarover schrijf ik later nog in punt 2.

En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israels; en de Levieten zullen Mijne zijn. (Numeri 3:12)

Als we het verhaal volgen komen we in Genesis 5 een geslachtsregister tegen. Dit begint bij Adam en eindigt bij Noach. In dit geslachtsregister zien we dat alleen de eerste zoon wordt genoemd en dat er dan vervolgens staat: "en hij gewon zonen en dochteren". Adam krijgt na Kaïn en Abel een 3e zoon en noemt hem Seth

God heeft mij een ander zaad gezet voor Abel. (Genesis 4:25)

Via Seth, de 3e zoon, gaat de geslachtslijn verder tot Noach (Genesis 5). Nog steeds wordt er niets gezegd over het eerstgeboorterecht en dus moeten we verder lezen.
De Bijbel vermeldt in Genesis 6 t/m 9 de zondvloed, waarbij slechts 8 mensen bewaard worden. Voordat de grote vloed over de aarde komt, worden de 3 zonen van Noach geboren nl. Sem, Cham en Jafeth.

En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth. (Genesis 5:32)

Ook bij Noach wordt niets gezegd over een eerstgeboorterecht, maar hij wordt wel door God uitgekozen om het menselijke geslacht na de zondvloed in stand te houden en uit te breiden. God gebruikt Noach voor Zijn doel.
Wel kunnen wij ons afvragen: "Op grond waarvan werd Noach uitverkoren?"  Het antwoord kunnen we lezen
in Genesis 6.

Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN. Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. (Genesis 6:8-9)

 

En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij. Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht. (Genesis 6:22-7:1)

We lezen dus dat Noach door God werd uitverkoren op grond van rechtvaardigheid en gehoorzaamheid en daarna gezegend.

En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde! En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven. Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid. (Genesis 9:1-3)

Laten we verdergaan. We komen nu terecht bij de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Nog steeds lezen we niets over het eerstgeboorterecht (of: eerstgeboorte). Dus weten we nog steeds niet wat dit inhoudt. Wel wordt er door Noach een zegen resp. vloek over zijn zonen/kleinzoon uitgesproken. Jafeth, de oudste zoon, krijgt niet de belangrijkste zegen. Deze gaat naar Sem.

Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.

(Genesis 10:21)

Kanaan, de 4e zoon van Cham wordt vervloekt vanwege een gebeurtenis die wij kunnen lezen in Genesis 9:20-24.

En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen! Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaan zij hem een knecht! God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht! (Genesis 9:25-27)

Sem, die niet de oudste is en waarvan ook niet gezegd wordt dat hij het eerstgeboorterecht krijgt, wordt wel gezegend boven de anderen (Jafeth wone in Sems tenten en Kanaan zij hem een knecht) en het is goed om dit in gedachten te houden. Via Sem, en niet via Jafeth, de oudste, zien wij de geslachtslijn verder gaan en uiteindelijk bij de Here Jezus uitkomen. (Lukas 3:23-38) In Genesis 11 lezen we daarna over de geslachtslijn van Sem tot Abram. Ook Abram blijkt niet de oudste te zijn. De oudste zoon van Terah wordt geboren als Terah 70 jaar is. Als Abram wordt geboren is Terah 130 jaar. Dit laatste blijkt uit het feit dat Abram 75 jaar is als Terah, op een leeftijd van 205 jaar, sterft.  Abram wordt door God geroepen en gezegend. De reden dat God hem uitkiest om tot een groot volk te worden is niet op grond van eerstgeboorte, maar op grond van gehoorzaamheid en geloof.

En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. (Genesis 11:26)
 

En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. (Genesis 11:32)

De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. (Genesis 12:1-4)

en:

En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid

(Genesis 15:6).

God bepaalt

We vervolgen de geschiedenis, en komen bij de zonen van Abram. God heeft intussen de naam van Abram veranderd in Abraham en die van Saraï in Sarah. Dus deze namen zal ik vanaf nu ook gebruiken. Abraham krijgt 8 zonen. (Dit in tegenstelling met een volksliedje in Nederland wat zegt: zeven zonen had vader Abraham.) Bij de slavin Hagar verwekt Abram zijn eerstgeboren zoon Ismaël. De 2e zoon Izak verwekt hij bij Sarah en na de dood van Sarah verwekt Abraham nog 6 zonen bij Ketura. Lees dit alles maar eens in resp. Genesis 16, 21 en 25. We zien dat Ismaël wordt weggezonden met een kruik water (Gen. 21:14), omdat hij niet zal erven met Izak. Ook de kinderen die Abraham, na de dood van Sarah, bij Ketura verwekt, worden weggezonden en krijgen alleen geschenken. Er blijft dus maar één zoon over nl. Izak en deze erft alle bezittingen van Abraham.

En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende. En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.  Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.

(Genesis 21:9-12)

 

Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.

(Genesis 21:14)

 

Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had. Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.

(Genesis 25:5-6)

Wat opvalt in deze geschiedenis is dat ook hier niet wordt gesproken over een eerstgeboorterecht, maar dat God bepaalt met wie Hij zijn verbond zal oprichten.
Ten tweede valt op dat de andere zonen weggezonden worden, opdat zij niet met Izak zouden erven. Op andere plaatsen lezen we dat alle zonen (of dochters als er geen zonen zijn -  Jozua 17:3-6) erven. We komen dit nog wel tegen. Izak erft dus alles van zijn Vader Abraham en tevens zegent God hem en maakt een verbond met hem.

En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. En aangaande Ismael heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.

(Genesis 17:19-21)

Izak is de zoon waar God mee verder gaat. God noemt hem zelfs de enige (of eniggeboren) zoon van Abraham. Let wel:
Er staat niet eerstgeboren zoon maar enige zoon.
Izak is de zoon die door God beloofd was en Izak is ook de enige die er voor God toe doet. Wel wordt Ismaël, op grond van het gebed van Abram, gezegend. Ook uit hem zullen 12 vorsten komen en hij zal tot een groot volk worden. Maar Izak is de zoon van de belofte, die door God gegeven is en voor God de enige zoon is.

En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal. (Genesis 22:2)

 

Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. (Genesis 22:12)

Hebreën 11 zegt het met de volgende woorden:

 

Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, (Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken; Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.

(Hebreën 11:17-19)

Toch zijn Izak en Ismaël, volgens de Bijbel, beide zonen van Abraham. De andere 6 zonen, die Abraham verwekt heeft bij Ketura, worden zonen van Ketura genoemd.

En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is

(Genesis 25:9)

 

De kinderen (hebr.: ben = zoon) van Abraham waren Izak en Ismael
(1 Kronieken 1:28).

 

De kinderen (hebr.: ben = zoon) nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah
(1 Kronieken 1:32).

Maar nogmaals, God heeft Izak beloofd en uitverkoren en door God wordt Izak als enige zoon aangemerkt. En dit is niet omdat Hagar de slavin van Sarah was of Ketura Abraham's bijwijf en dus minder in aanzien.

Nee, God had Sarah uitverkoren en op grond van Gods belofte zou de zoon van Sarah (de vrije - lees Galaten 4:23) erven. Jakob, waar we het later nog over zullen hebben, heeft 2 vrouwen en 2 bijwijven. En alle 12 zonen worden door God erkent. Uit deze 12 zonen komen de 12 stammen voort, die tezamen het volk Israël vormen.
 Voordat ik dit eerste deel afsluit, wil ik nog even naar Ezau en Jakob, de zonen van Izak. Bij Jakob en Ezau komen we voor het eerst het eerstgeboorterecht tegen. We zijn ruim 2000 jaar in de geschiedenis gevorderd (Uitgezonderd eerstgeborenen (bekowrah) zijner schapen in Genesis 4:4.)Bij deze 2 zonen van Izak zien we, dat niet de eerstgeborene (Ezau), maar de jongste (Jakob) het eerstgeboorterecht verkrijgt (door koop en verkoop). We komen, in verband met ons onderwerp, twee zaken in deze geschiedenis tegen. Ten eerste de uitverkiezing van God en Zijn zegen daarover en ten tweede het eerstgeboorterecht.

Bij de geboorte van de tweeling lezen we:

En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.

(Genesis 25:23)

God zegt hier dat Jakob, en het volk dat uit hem voort zou komen, zou heersen over Ezau en over het volk dat uit Ezau zou voortkomen .

En dit blijkt ook uit de volgende teksten:

Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de HEERE; nochtans heb Ik Jakob liefgehad. En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en zijn erve voor de draken der woestijn

(Maleachi 1:2b en 3).

 

Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende; Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen. Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat (Romeinen 9:11-13).

Nu eerst even naar het eerstgeboorterecht (of: de eerstgeboorte). Uit het leven van Ezau blijkt dat hij zich weinig interesseert voor zijn eerstgeboorte. Hij verkoopt zijn eerstgeboorte aan zijn tweelingbroer Jakob, en veracht zijn eerstgeboorterecht.

Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte. En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte. En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte. (Genesis 25:31-34)

Overigens wil hij wel de zegen die Izak aan hem wil geven. Hij is dan ook zeer verbitterd als Jakob deze zegen krijgt. God heeft echter andere plannen. Niet met Ezau maar met Jakob. Ezau werd verworpen.

Dit was overigens voor de geboorte van de Ezau en Jakob al door God bepaald, zoals we hierboven in Romeinen 9:11-13 al hebben gelezen. In Hebreën 12 lezen we dat een hoereerder of onheilige niet de zegen kan beërven, zoals Ezau overkwam. Als je je eerstgeboorte wegdoet, wordt dat als hoererij beschouwd, en dan beërf je dus ook geen zegen. Izak was echter van plan de zegen gewoon aan Ezau te geven, maar God bepaalde anders. Dit is ook een les voor ons. Lees ook 1 Korinthe 6:10

Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht (Hebreën 12:16-17)

 

Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.
(1 korinthe 6:10)

We lezen in Genesis 27:36 dat Ezau zich tweemaal bedrogen voelt:

Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen!

Ezau ging er blijkbaar vanuit dat het eerstgeboorterecht en de zegen los van elkaar stonden. Het eerstgeboorterecht had hij automatisch doordat hij als eerste geboren werd en dit recht kon hij (en hij deed dit ook) van de hand doen. Blijkbaar ging Jakob er niet van uit dat hij recht had op de zegen. Want dan had hij gewoon naar zijn vader Izak kunnen gaan en zeggen dat hij hier recht op had omdat hij het eerstgeboorterecht van Ezau had gekocht. Maar niets daarvan. Rebekka moet Jakob overhalen om zijn vader te bedriegen en hij meldt zich bij zijn vader als Ezau, de eerstgeborene van Izak.

Als Ezau de zegen van Izak zal ontvangen, zegt hij niet "deze zegen hoort bij het eerstgeboorterecht, en dat heb ik aan mijn broer verkocht". Hij beschouwt deze zegen en als iets wat zijn vader Izak aan hem wil geven, voordat deze sterft. Dit los van het eerstgeboorterecht.

En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet. Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad; En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.
(Genesis 27:2-4)

Alleen ging dit in tegen Gods belofte, die Hij, bij de geboorte van Ezau en Jakob, over Jakob had uitgesproken. Het was God bedoeling dat de zegen bij Jakob kwam en zo gebeurt het dus ook. Als Jakob eenmaal gezegend is, wordt deze zegen echter niet, vanwege bedrog, alsnog overgeheveld naar Ezau. En dus wordt Gods belofte in deze zegening aan Jakob bevestigd.
(Het hele verhaal staat vermeld in Genesis 27).

De zegen van Izak:

… en (Izak) zegende hem (Jakob); en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft. Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!
(Genesis 27:29)

 

De zegen van God:

En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.

(Genesis 25:23)

Over het eerstgeboorterecht wordt niet meer gesproken. En we weten dus nog steeds niet wat dit recht inhoudt. Het eerstgeboorterecht komt dus terecht bij Jakob (de jongste zoon) en Jakob krijgt de zegen van zijn vader, een zegen die door Izak later nog wordt aangevuld.
En daarna ontvangt Jakob nog een zegen van God zelf.

En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.  En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft. (Genesis 28:3-4)

 

Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden a). En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. (Genesis 28:13-15)

a)    Door God aan Abraham beloofd:

Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.
(Genesis 22:17-18)

Door God aan Izak beloofd:

Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde (Genesis 26:3-4)

 

Conclusie tot dusver:

1.  We lezen na ruim 2000 jaar pas voor het eerst over het eerstgeboorterecht onder de mensen.

2.  Ook dan lezen wij pas over de zegen van vader op zoon nl. bij Izak en zijn zonen. Daarvoor lezen we alleen dat God zijn zegen geeft. God bepaalt wie hij uitkiest.

3.  Eerstgeboorte en de zegen zijn blijkbaar ook niet onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

4.  Abraham had geen eerstgeboorterecht onder zijn broers. We lezen ook niet dat hij van zijn vader iets erfde.

Hem werd door God een erfenis beloofd en hij werd door God gezegend (Genesis 12:1-3).

5.  Bij Abraham en Izak lezen we dat hij erfde van Abraham (Genesis 25:5), niet dat Izak door Abraham gezegend werd. Daarnaast werd Izak, net als Abraham, rechtstreeks door God gezegend
(Genesis 26:3-5).

6.  Jakob kocht het eerstgeboorterecht en kreeg door bedrog ook nog de zegening van Izak (Genesis 27:-29 en 28:3-4). Daarnaast werd hij rechtstreeks door God gezegend (Genesis 28:13-15; 32:26-29 en 35:9-12).

7.  God bepaalt wie Hij zegent en het maakt blijkbaar niet uit of je de eerstgeborene in de familie bent of niet. David was de achtste zoon en Salomo was ook niet de eerstgeborene. Maar daarover hebben we het later nog.

Tenslotte moet nog vermeld worden dat bovengenoemde, door God uitverkoren en gezegende personen, de voorouders zijn van de Here Jezus. (Zie de geslachtsregisters in
 Mattheüs 1:1-17 en  Lukas 3:23-38.)

Hoe dit verder gaat zullen we zien in het volgende deel, waar wij o.a. zullen ingaan op het eerstgeboorterecht en de zegen bij de zonen van Jakob.

K.B. / 091109