Goud of hout

(De aangehaalde teksten zijn geciteerd uit de Herziene Statenvertaling)

Paulus spreekt in 1 Kortinthe 3:12 over het bouwen met goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi of stro; kort gezegd: goud of hout. Veel gelovigen kennen deze tekst, maar over wie spreekt Paulus hier eigenlijk?

Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. (1 Korinthe 3:12-13a)

Het antwoord op deze vraag wordt duidelijk als we context lezen. En daarom beginnen we bij de ontvangers van deze brief, de Korinthiërs. Vaak wordt er negatief over de Korinthiërs gesproken, omdat Paulus nog al wat kritiek uit in zijn brieven aan hen. Toch rekent Paulus hen tot de gelovigen, want Paulus noemt hen de Gemeente van God, geheiligden in Christus Jezus en geroepen heiligen.

Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus door de wil van God, en Sosthenes, de broeder, aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen die de naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen, in elke plaats, zowel hun als onze Heere: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus. (1 Korinthe 1:1-3) 

Paulus stelt zelfs dat zij rijk geworden zijn in Christus nl. in spreken en in alle kennis en het hen niet ontbreekt aan genadegaven.

Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus. U bent namelijk in alles rijk geworden in Hem, in alle spreken en alle kennis, naarmate het getuigenis van Christus bevestigd is onder u, zodat het u aan geen genadegave ontbreekt, terwijl u de openbaring van onze Heere Jezus Christus verwacht. (1 Korinthe 1:4-7) 

Maar deze Korinthiërs hebben een probleem. Zij hebben onderling ruzie. De één zegt namelijk dat hij van Paulus is, een ander zegt van Apollos te zijn en weer anderen zeggen van Petrus te zijn. En dan zijn er ook nog gelovigen die zeggen dat zij van Christus zijn (deze laatste groep zet zich hiermee af tegen de anderen). Wij zien in deze gemeente dus een grote verdeeldheid, ondanks dat zij gelovigen zijn.

De één denkt dat hij belangrijker is en het beter weet dan de ander. En hier worden Paulus, Petrus (in onderstaande tekst 'Kefas' genoemd), Apollos en zelfs Christus o.a. voor gebruikt. Misschien komt dit ons wel bekend voor. 

Want mij is over u bekendgemaakt, mijn broeders, door de huisgenoten van Chloë, dat er ruzies onder u zijn. Ik bedoel dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, ík van Apollos, ík van Kefas, en ík van Christus. (1 Korinthe 1:11-12) 

Paulus stelt dat Christus echter niet verdeeld is, maar dat wij allen van Christus zijn.

… alles is van u. U echter bent van Christus en Christus is van God. (1 Korinthe 3:22b-23)

Deze onderlinge verdeeldheid, beschreven in hoofdstuk 1, wordt vervolgd in hoofdstuk 3. Paulus noemt de afgunst en de ruzies vleselijk (1 Korinthe 3:3). Hij zegt:

Want als iemand zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik van Apollos, bent u dan niet vleselijk?

Wie is Paulus dan, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door wie u tot geloof gekomen bent, en dat zoals de Heere aan ieder van hen gegeven heeft? (1 Korinthe 3:4-5)

Hij stelt dat alle dienstknechten van God gelijk zijn en dat elke dienstknecht zijn eigen taak heeft. De ene is niet belangrijker dan de ander, want allemaal zijn ze met dezelfde akker of hetzelfde bouwwerk bezig. Je moet je er dus niet op laten voorstaan dat je één van deze dienaren toebehoort en daardoor een bepaalde status hebt.

Van Gods dienstknechten neemt Paulus hier zichzelf en Apollos als voorbeeld, met als doel, aan te geven dat de een zich niet boven de ander moet verheffen.

Deze dingen nu, broeders, heb ik ter wille van u op mijzelf en Apollos toegepast, met de bedoeling dat u van ons leert niets te bedenken boven wat er geschreven staat, opdat niemand zich ten gunste van de een boven de ander verheft. (1 Korinthe 4:6)

Hij zegt dan ook over zichzelf en Apollos:
Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft laten groeien. Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien. En hij die plant en hij die begiet, zijn één, maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen overeenkomstig zijn eigen inspanning. Want Gods medearbeiders zijn wíj. Gods akker en Gods bouwwerk bent ú. (1 Korinthe 3:6-9)

Paulus neemt als voorbeeld een akker. Hij zegt dat hij degene is, die geplant heeft, en dat Apollos begoten heeft en dat God het laat groeien. En dat degene die geplant heeft en degene die begoten heeft één zijn. Zij, Paulus en Apollos, zijn medewerkers op de akker van God en deze akker is de Gemeente (in deze brief past hij dit principe toe op de Gemeente van Korinthe). 

In de volgende verzen verandert Paulus het voorbeeld van de akker in het voorbeeld van een gebouw, waar hij in vers 9 al even naar verwezen heeft. Maar hij spreekt nog steeds over zichzelf en Apollos. 

In vers10 zegt hij:
Overeenkomstig de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. (1  Korinthe 3:10-11)

In het voorbeeld van de akker geeft Paulus aan dat hij geplant had en Apollos begoten. 

Nu neemt hij een gebouw als voorbeeld en noemt zichzelf een wijs bouwmeester die het fundament legt en dit fundament is Jezus Christus. Niemand kan een ander fundament leggen, want er is maar één fundament. En zowel de fundamentlegger (Paulus) en bouwers op dit fundament (zoals o.a. Apollos en Petrus) bouwen hierop. Zij zijn allemaal dienstknechten van God. Het fundament is Jezus Christus en het bouwwerk is de Gemeente. En dit is één geheel. 

Want Gods medearbeiders zijn wíj. Gods akker en Gods bouwwerk bent ú. (1 Korinthe 3:9)

Ook aan de Gemeente van Efeze schrijft Paulus dat de Gemeente een bouwwerk is, maar daar noemt hij Christus de hoeksteen, waar het gebouw op gebouwd wordt tot een woning (tempel) van God in de Geest. In beide gevallen wordt er op Christus (de Hoeksteen of het Fundament) gebouwd. Het gebouw is één. De Gemeente is één met Christus. 

Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is, en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere; op Wie ook u mede gebouwd wordt tot een woning van God, in de Geest. (Efeze 2:19-22)

Terug in 1 Korinthe 3 lezen wij vanaf vers 12 over het bouwen op het fundament. Paulus stelt dat het belangrijk is met wat voor soort materiaal gebouwd wordt. 

Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen. (1 Korinthe 3:12-15)

Paulus heeft in Korinthe het fundament gelegd en anderen bouwen daarop met goud, zilver enz.  Het gaat in dit gedeelte niet over het bouwen aan jezelf, als gelovige, maar over het bouwen aan de Gemeente op het fundament door Apollos en anderen. Dit werk, dat door deze bouwlieden aan de Gemeente verricht wordt, zal geoordeeld worden en dan zal blijken of het goud of hout is geweest waarmee ze hebben gebouwd.

Daarnaast worden de gelovigen opgeroepen om zich door de bouwlieden te laten gebruiken als stenen van het bouwwerk of zoals hierboven in Efeze 4:12 staat: Je laten toerusten tot het werk van dienstbetoon. Of zoals Petrus schrijft: Naar Christus komen, want dan wordt je zelf als een levende steen gebruikt tot de bouw van een geestelijk huis enz.:

 … en kom naar Hem toe als naar een levende steen, die wel door de mensen verworpen is, maar bij God uitverkoren en kostbaar, dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus. (1 Petrus 2:4-5)

In Efeze 4 schrijft Paulus dat God sommigen heeft aangesteld om op dit fundament het gebouw (de Gemeente) te bouwen. Hij gebruikt hier het voorbeeld van een lichaam; het Lichaam van Christus. Hier worden niet alleen degenen genoemd, die de wereld doortrokken om het evangelie te brengen, zoals de apostelen en evangelisten, maar ook degenen die in een plaatselijke gemeente werkten aan de opbouw van de Gemeente. Maar al deze dienstknechten van God bouwden aan het bouwwerk op het fundament Jezus Christus.

En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus. (Efeze 4:11-13)

Hoewel het eigenlijk buiten dit onderwerp ligt, wil ik toch even kort ingaan op de verantwoordelijkheid van de individuele gelovige. Hij wordt, nadat hij door genade behouden is geworden, opgeroepen om zichzelf op te bouwen in het geloof.

Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen, en leert ons de goddeloosheid en de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig te leven, terwijl wij verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker, Jezus Christus. Hij heeft Zichzelf voor ons gegeven, opdat Hij ons zou vrijkopen van alle wetteloosheid en voor Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. (Titus 2:11-14)

Maar toen de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, maakte Hij ons zalig, niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. (Titus 3:4-5)

Maar u, geliefden, bouwt u uzelf op in uw allerheiligst geloof en bid in de Heilige Geest, bewaar uzelf in de liefde van God en verwacht de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus, tot het eeuwige leven. (Judas 1:20-21)

Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. (Romeinen 1:17)

De gelovige heeft een persoonlijk leven hier op aarde en zal hiervan verantwoording moeten afleggen. Het gaat er niet om of hij wel of niet behouden wordt, want door genade heeft hij al eeuwig leven ontvangen. Het gaat erom hoe hij als gelovige geleefd heeft. Dit blijkt o.a. uit de volgende 2 tekstgedeelten:

Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. (Efeze 2:8-10) W

Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. (2 Korinthe 5:10)

De gelovige wordt samen met de andere gelovigen door de bouwlieden opgebouwd (opgevoed) tot een huis/gebouw/tempel/lichaam van de Heer.

In de Gemeente van Korinthe ging het niet goed, want er was blijkbaar binnen de leiding ruzie ontstaan over wie de belangrijkste was. Men beriep zich op degene die hen tot geloof had gebracht en hen had gedoopt. En zo ontstonden er scheuringen onder de gelovigen in de Gemeente van Korinthe. Paulus noemt dit vleselijk en stelt dat er maar één fundament en één bouwwerk is. En de fundamentlegger en de bouwers zijn gelijk.

Er is maar één Heere, één geloof, één doop en één God en Vader van allen, schrijft hij aan de Efeziërs:

… en u te beijveren om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede: één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die boven allen en door allen en in u allen is. (Efeze 4:3-6)

Hij betoogt in 1 Korinthe 3 dat de dienstknechten van God, die aangesteld zijn om mee te bouwen aan de Gemeente, ieder voor zich hun eigen taak en verantwoording hebben, en dat zij allen op gelijke voet staan. God zal hun werk later beoordelen door vuur. Men zou dus de één niet hoger achten dan de ander en ook geen positief of negatief oordeel over hen uitspreken. 

Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet. Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd. Wie mij echter beoordeelt, is de Heere. Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt. Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen. (1 Korinthe 4:3-5)

Voor deze dienstknechten is het dus belangrijk welke materialen zij voor het bouwwerk gebruiken. Er worden als voorbeeld genoemd: goud, zilver, edelstenen (eigenlijk: kostbare stenen, waar een hoge prijs voor betaald is). Daartegenover worden ook genoemd: hout, hooi en stro (brandbaar materiaal). 

Deze voorbeelden van goud, zilver en kostbare stenen, die het vuur kunnen doorstaan, spreken van geestelijk werk en hout, hooi en stro, die verbranden, spreken van aards werk (1 Korinthe 3:1 noemt dit vleselijk). Het ene komt uit Christus voort, en daarbij staat Christus centraal. Het andere komt voort uit de aardse mens, en daarbij staat de mens centraal. Het gaat er om hoe de Gemeente wordt opgevoed, met welk materiaal gebouwd wordt. De voorgangers en oudsten (herders en leraars) zouden goud, zilver en kostbare stenen moeten bezitten en deze dingen aan de gelovigen doorgeven (opvoeden).

In de Gemeente van Korinthe stelde de één zich boven de ander. Daarbij stond Christus niet centraal.

Deze dingen nu, broeders, heb ik ter wille van u op mijzelf en Apollos toegepast, met de bedoeling dat u van ons leert niets te bedenken boven wat er geschreven staat, opdat niemand zich ten gunste van de een boven de ander verheft. (1 Korinthe 4:6)

Enkele andere aardse werken van de Korinthiërs, waarin Christus niet centraal stond, waren:

Als er immers onder u afgunst is en ruzie en tweedracht, bent u dan niet vleselijk en wandelt u dan niet naar de mens? (1 Korinthe 3:3)

Laat niemand zichzelf bedriegen. Als iemand onder u denkt dat hij wijs is in deze wereld, laat hij dwaas worden, opdat hij wijs zal worden. Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, ….. (1 Korinthe 3:18-19a)

Laat daarom niemand roemen in mensen, want alles is van u: hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood, hetzij tegenwoordige dingen, hetzij toekomstige dingen, alles is van u. U echter bent van Christus en Christus is van God. (1 Korinthe 3:21-23)

Maar sommigen hebben zich heel gewichtig voorgedaan, alsof ik niet naar u toe zou komen. Maar ik zal spoedig naar u toe komen, zo de Heere wil. En ik zal dan van hen die zich zo gewichtig hebben voorgedaan, niet de woorden leren kennen, maar de kracht. Want het Koninkrijk van God bestaat niet in woorden, maar in kracht. (1 Korinthe 4:18-20)

Deze dingen wijst Paulus af en roept op tot o.a.:

Maar ik roep u ertoe op, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat u allen eensgezind bent in uw spreken, en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat u hecht aaneengesmeed bent, één van denken en één van gevoelen. (1 Korinthe 1:10)

Wie roemt, laat hij roemen in de Heere. (1 Korinthe 1:31b)

Worden wij uitgescholden, dan zegenen wij. Worden wij vervolgd, dan verdragen wij. Worden wij belasterd, dan bidden wij. (1 Korinthe 4:12-13a)

Het gaat om Christus en de eenheid in Hem. Dit brengt een andere levenshouding met zich mee. Paulus zegt tegen de Galaten:

Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. (Galaten 2:20)

Het gaat hier niet om Paulus zelf, maar om Christus. Als dienstknecht van Christus gaat het om trouw aan Hem. In 1 Korinthe 4:1 zegt hij opnieuw, dat zij (Paulus, Apollos en Petrus) allen dienaren van Christus zijn. 

Laat ieder mens ons zó beschouwen, namelijk als dienaren van Christus en beheerders van de geheimenissen van God. En verder wordt van de beheerders verlangd dat zij betrouwbaar blijken te zijn. (1 Korinthe 4:1-2)

De dienstknechten, die God heeft aangesteld om de Gemeente te bouwen, zouden trouw met goud, zilver en kostbare stenen bouwen. Christus zal hun werk (het gebouwde op het fundament) beoordelen. Ieders werk zal door het (geestelijke) vuur gaan. Dit oordeel over de werken is dus in de eerste plaats van toepassing op hen die een bediening tot opbouw hebben in de Gemeente. En God zal elke dienstknecht de plaats geven die hem toekomt. En hij zal van God lof of loon ontvangen als zijn werk het vuur doorstaat of hij zal beschadigd worden als zijn werk verbrandt. 

Laat daarom niemand roemen in mensen,
want alles is van u:
hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas,
hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood,
hetzij tegenwoordige dingen, hetzij toekomstige dingen,
alles is van u.

U echter bent van Christus en Christus is van God.
(1 Korinthe 3:21-23)