De vervallen hut van David is al opgericht

In Handelingen vinden we een verslag van een vergadering van apostelen en oudsten over de vraag of de heidenen zalig kunnen worden zonder besneden te worden. Wanneer er een discussie ontstaat over dit onderwerp, staat als eerste Petrus op en doet verslag van zijn roeping om het evangelie aan de heidenen te verkondigen, zoals uitgebreid beschreven staat in Handelingen 10 en 11. Na Petrus staan ook de apostelen Barnabas en Paulus op om verslag te doen van Gods grote wonderen en tekenen onder de heidenen. En daarna komt Jakobus aan het woord:

En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij. Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit (hen) een volk aan te nemen voor Zijn Naam. En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten. Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. (Handelingen 15:13-18)

Jakobus zegt dat de woorden van de profeten overeenstemmen met het feit dat God de heidenen bezocht heeft om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam. Jakobus citeert vervolgens Amos, maar alvorens hier op in te gaan is het nuttig om even stil te staan bij deze Simeon.

Er zijn in de Bijbel verschillende Simeons, maar er zijn er maar twee die in verband gebracht kunnen worden met de heidenen. De ene Simeon zegt het volgende over de Heere Jezus, wanneer Hij in de tempel is gebracht:

Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. (Lukas 2:32).

Ten eerste moet opgemerkt worden dat het woord verlichting in de grondtekst “apokalupsis” is en dat is “onthullen”. Wat deze Simeon dus zegt is dat de Heere Jezus als een Licht zal zijn en dat door dit Licht het volk Israël heerlijkheid zal ontvangen en dat door dit Licht de heidenen geopenbaard zullen worden. Dus een verlichting in de zin van openbaarmaking van wat er nu in de duisternis is. Er wordt dus niks gezegd over een volk uit de heidenen voor de Naam van God.

Ten tweede moet opgemerkt worden dat Jakobus zegt dat de Simeon, waarnaar hij refereert, verhaald heeft over hoe God de heidenen heeft bezocht om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam. Door de Simeon in de tempel is niet “verhaald”, want hij vertelt juist waartoe de Heere Jezus een licht zal zijn. En ook zegt deze Simeon niks over het feit dat God de heidenen zal bezoeken. Dus deze Simeon komt in geen geval overeen met de uitspraak van Jakobus dat Simeon verhaald heeft dat God uit de heidenen een volk verzamelt voor Zijn Naam.

De andere Simeon die in aanmerking komt, is Petrus die genoemd wordt “Cefas” en “Simon Petrus” en “Simeon Petrus” (2 Petrus 1:1). Dat Jakobus ook gewoon “Simeon” noemt zonder enige toevoeging geeft aan dat de toehoorders wel geweten moeten hebben wie hij bedoelde en ook de schrijver Lukas voegde er niks aan toe om ons te wijzen op een andere Simeon. Deze Petrus had net voor Jakobus gezegd:

Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons (mij) verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.
En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. (Handelingen 15:7b-9)

In tegenstelling tot de andere Simeon verhaalt deze Petrus wel over de heidenen, waaruit een volk voor Gods Naam wordt verkregen. Namelijk dat de heidenen via Petrus voor het eerst het evangelie hoorden en geloofden en dat dit bevestigd werd door de ontvangst van de Heilige Geest. Door de Heilige Geest zijn wij Gods tempel (1 Korinthe 3:16) en dus zijn wij Gods volk (2 Korinthe 6:16).

Wat Jakobus echter zegt is dat de profeten ermee in overeenstemming zijn dat er volk uit de heidenen verzameld wordt. En hij vervolgt met de woorden: “gelijk geschreven is”. Hij citeert vervolgens één profetie. Dat er andere profetieën mee in overeenstemming zijn, blijkt heel duidelijk uit Romeinen 9 t/m 11 en 15 waarin Paulus de roeping uit de heidenen onderbouwt vanuit het Oude Testament. Jakobus kiest echter Amos 9 en zijn citaat is net even wat anders dan wat er bij ons in Amos 9 staat. Als men de twee gedeeltes in de Statenvertaling naast elkaar legt, wordt het verschil duidelijk:

Amos 9 (Statenvertaling) Handelingen 15 (statenvertaling)
11 Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;
12  Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet.
16  Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.
17  Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.

I.p.v. Edom staat er adam (mensen)
I.p.v. bezitten (jarash)staat er darash (zoeken, vragen)
I.p.v. jiresjoe (zij zullen in bezit nemen) staat er jidresjoe (zij zullen zoeken)
 
In het Nieuwe Testament komt het vaker voor dat niet de Hebreeuwse grondtekst aangehaald wordt, maar juist de Griekse vertaling van deze Hebreeuwse grondtekst, namelijk de Septuagint. En juist de Septuagint heeft in Amos 9 het volgende:

Amos 9 (Septuagint) Amos 9 (Engelse vertaling Septuagint)
11 εν τη ημερα εκεινη αναστησω την σκηνην δαυιδ την πεπτωκυιαν και ανοικοδομησω τα πεπτωκοτα αυτης και τα κατεσκαμμενα αυτης αναστησω και ανοικοδομησω αυτην καθως αι ημεραι του αιωνος
12 οπως εκζητησωσιν οι καταλοιποι των ανθρωπων και παντα τα εθνη εφ ους επικεκληται το ονομα μου επ αυτους λεγει κυριος ο θεος ο ποιων ταυτα
11 {1} In that day I will raise up the tabernacle of David that is fallen, and will rebuild the ruins of it, and will set up the parts thereof that have been broken down, and will build it up {2} as in the ancient days: 1) Ac 15:16, 17. 2) Gr. as the days of the age}
12 that the remnant of men, and all the Gentiles upon whom My Name is called, may earnestly seek me, saith the Lord who does all these things.

Dit is bijna exact zoals Jakobus het aanhaalt. Het enige verschil is dat in Handelingen 15 de beginwoorden staan: “Na dezen zal Ik wederkeren”, in plaats van “In die dag” in Amos. Volgens de Bijbelcommentaren van Patrick, Pollus en Wels (appendix A) is het mogelijk dat door Jakobus een andere versie van de Septuagint geciteerd wordt, waarin de vertalers “zal Ik wederkeren” hebben geschreven. Dat dit een plausibele verklaring is, blijkt uit hoe Jakobus dit citeert, namelijk door “te dien dage” weg te laten en het dusdanig te citeren alsof “na dezen zal Ik wederkeren” er staat.

Jakobus zegt dat de woorden van de profeten ermee in overeenstemming zijn dat God uit de heidenen een volk aanneemt voor Zijn Naam. Dus ook al zou Jakobus “na dezen zal ik wederkeren” toevoegen aan deze profetie, dan heeft dit geen enkele invloed op de profetie zelf. Het gaat om de profetie die juist na deze woorden volgt, en dat wordt bewezen doordat hij niet één maar twee volle verzen aanhaalt. En juist dit laatste vers gaat over de heidenen.

Er is wel een aanleiding te vinden waarom Jakobus of de andere Septuagint deze woorden “na dezen zal ik wederkeren” gebruikt, namelijk, de daarvoor geschreven  verzen in Amos 9:

Ziet, de ogen des Heeren HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de HEERE. Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israëls onder al de heidenen schudden, gelijk als (zaad) geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen. Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch (ons) voorkomen. (Amos 9:8-10)

Amos profeteerde onder Israël en verkondigde de ballingschap van het volk (vers 9). Tussen de oordelende woorden door lezen we ook dat niet geheel Israël verdelgd wordt (vers 8). Het oordeel komt over de zondaars onder het volk (vers 10), zij zullen sterven. En het oprichten van de vervallen hut van David gebeurt in de dagen die daarna volgen. Dat daar een periode tussen zit, was voor Jakobus bekend, want hij leefde in de dagen dat een deel van Israël verdelgd was en dat er nog een deel overgebleven was. De woorden “na dezen” slaan in dit verband dan op “nadat de verstrooiing is begonnen”.

Hoezo dan het woord “wederkeren”? Daarvoor is het voorgaande hoofdstuk in Amos verhelderend:

2 En Hij zeide: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een korf met zomervruchten. Toen zeide de HEERE tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
....
11 Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.
12  En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.
(Amos 8:2, 11-12)

Amos profeteerde dat er een tijd zou zijn dat de Heere niet meer voorbij zou gaan aan Zijn volk en dat Zijn Woorden niet meer gesproken zouden worden onder hen. Dat dit niet meer het geval was in de dagen van de Heere Jezus behoeft geen uitleg. En dus is het op zijn plaats te concluderen dat de Heere weer voorbijgaat en Hij dus wedergekeerd is in die dagen.

Jakobus haalt de profetie aan om juist aan te wijzen dat Amos ermee overeenstemt dat God uit de heidenen een volk verzamelt voor Zijn Naam. Dat staat in het tweede vers dat hij aanhaalt:

Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet. (Handelingen 15:17).

Hier worden twee groepen genoemd die de Heere zouden zoeken, te weten de overgebleven mensen en de heidenen over welke de Naam des Heeren is aangeroepen. De overgeblevenen zijn het overblijfsel van Israël, zoals Paulus in Romeinen 11:5 de geroepen Joden noemt die tot geloof gekomen zijn in de Heere Jezus. En Paulus zegt dat God niet alleen uit de Joden zijn volk roept, maar ook uit de heidenen (Romeinen 9:24). En om deze heidenen gaat het.

De uitdrukking “al de heidenen over welken Mijn Naam is aangeroepen” zal dus een overeenkomst hebben met “een volk aannemen voor Zijn Naam”. En dat dit zo is, blijkt uit de woorden van Jakobus in zijn brief:

Lasteren zij niet den goeden Naam, die over u aangeroepen is? (Jakobus 2:7)

In Handelingen 15:17 en Jakobus 2:7 staan exact dezelfde grondwoorden voor “aangeroepen” en “over”. Over ons, gelovigen, is de Naam van de Heere geroepen. Het betekent dus zoveel als heidenen die genoemd worden naar de Naam van de Heer. En daarmee komt de uitdrukking “al de heidenen over welken Mijn Naam is aangeroepen” treffend overeen met “een volk aannemen voor Zijn Naam”. En dat daarin een overeenkomst is, valt ook op te maken uit de vergelijkingen tussen Amos 9 en Handelingen 15 in de Statenvertaling.

Dus samen met het overblijfsel van Israël zoeken wij de Heere. En de profetie die dit voorzegde, begint met het woordje “opdat” en dat slaat terug op het daarvoor liggende vers dat Jakobus ook citeerde, namelijk:

Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten. (Handelingen 15:16)

Tabernakel is een oud Nederlands woord voor tent en de vervallen tent van David is dus weer opgericht met het doel dat de gelovigen van onze tijd, uit Joden en heidenen, de Heere zouden zoeken. De tent van David slaat niet op zomaar een woning, maar doelt op  heerschappij en koningschap en dus op het koningshuis. Een andere profetie bevestigt dit:

Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en op denzelven zal bestendig een zitten in de tent van David, een, die oordeelt en het recht zoekt, en vaardig is ter gerechtigheid. (Jesaja 16:5)

En dit wijst op het verband tussen de tent van David en diens troon. En dat de Heere Jezus zou zitten op de troon van David, zegt Petrus, sprekende over David, de profeet:

Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om (Hem) op zijn troon te zetten; (Handelingen 2:30)

David had reeds voorzegd dat de Heere Jezus op Zijn troon zou zitten. En dat de Heere Jezus reeds in het huis van David zit, vinden we terug in Openbaring:

En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent: Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend. (Openbaring 3:7,8)

De Gemeente in Filadelfia heeft een geopende deur gekregen en dit is de deur die niemand kan sluiten dan Diegene die hem geopend heeft. En Diegene die hem geopend heeft, heeft dat gedaan met de sleutel van David. Wanneer we schrift met schrift vergelijken, weten we ook waartoe deze sleutel toegang geeft, namelijk het huis van David:

En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. (Jesaja 22:22)

Wij hebben dus toegang gekregen tot het huis van David door de Heere Jezus. Daarmee is nogmaals duidelijk dat het huis van David niet meer vervallen is, maar dat het opgericht is. En de Heere Jezus zit dus op de troon van David. Dit koninkrijk waaraan wij deel gekregen hebben, is nu een verborgen koninkrijk, maar straks bij de openbaring van Christus zal het geopenbaard worden. 

Ook de profetie van Amos zelf wijst erop dat eerst deze vervallen hut opgericht zou worden en dat daarna Israël weer terug zal komen in hun land, want Amos vervolgt met:

Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat de ploeger den maaier, en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten. En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten.
En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de HEERE, uw God. (Amos 9:13-15)

In Amos wordt dus achtereenvolgens het volgende voorzegd:

  1. Israël zal verstrooid worden (9:9)
  2. De vervallen hut van David zal opgericht worden (9:11)
  3. Het overblijfsel zal samen met gelovige heidenen de Heere zoeken (9:12)
  4. De gevangenis van Israël zal gewend worden en de steden zullen herbouwd worden. (9:14)
  5. Israël zal voor eeuwig in het land wonen (9:15)

En dus is het ook deze tijdslijn logisch dat de vervallen hut van David al opgebouwd is. De Heere Jezus is de vervulling van deze profetie. En dat dat zo is, is terug te vinden in de woorden van Paulus:

En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk! En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!
En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen. (Romeinen 15:9-12)

Jessai is de vader van Koning David en de Heere Jezus komt uit zijn geslacht en Hij is opgestaan zodat de heidenen op Hem hopen. Jakobus zegt dat er meerdere profetieën spreken over het feit dat God uit de heidenen een volk wil aannemen voor Zijn Naam. En Paulus noemt in Romeinen 15 een paar die daarmee in overeenstemming zijn. Jakobus koos ervoor om die van Amos te citeren, daarin wordt van de wederoprichting van het huis van David vermeld. Er is een oorzakelijk verband tussen het feit dat dit huis van David is opgericht en het feit dat de overgebleven Israëlieten samen met de gelovige heidenen de Heere zoeken. Jakobus voegt aan de aanhaling van de profetie toe:

Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere. (Handelingen 15:18)

God had onze tijd en roeping van de heidenen al overzien en daarover al gesproken via Zijn profeten. En Jakobus oordeelt op grond daarvan dat de gelovige heidenen niet beroerd zouden worden. En dus hoeven we niet besneden te worden om zalig te worden.

De profeten spreken over de roeping van de heidenen in onze tijd maar toch was het in het Oude Testament verborgen hoe dit precies zou gaan en Paulus schrijft daarover:

Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus), waaraan gij, (dit) lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest;(namelijk)dat de heidenen zijn medeërfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie; (Efeze 3:4-6)

Het was in de voorliggende eeuwen niet op dezelfde wijze bekendgemaakt als in de tijd van Paulus. Want in de dagen van Paulus werd aan de apostelen en profeten bekendgemaakt dat de gelovigen uit de heidenen samen met de gelovige Joden zouden erven, samen deel van hetzelfde Lichaam zouden zijn en dat zij samen zouden delen in de beloften Gods.

Dit stemt ons tot verwondering over Gods kennis betreffende de toekomst en tot dankbaarheid dat Hij in Zijn barmhartigheid naar ons heeft omgekeken.

GHB

Appendix A

Bijbelcommentaar van Patrick Pollus en Wels op Handelingen 15

Appendix A