De oren doorboord

De oren doorboord (Psalm 40:7), een lichaam toebereid (Hebreeën 10:5)

Opmerking: In dit artikel wordt gebruik gemaakt van de Statenvertaling.

In het Nieuwe Testament komen vaak aanhalingen voor uit de Oude Testament. Meestal kan men dit letterlijk terugvinden, maar men komt ook verwijzingen tegen, die in het Nieuwe Testament anders verwoord worden dan in het Oude Testament. In Hebreeën 10:5 wordt Psalm 40:7 aangehaald. Deze aanhaling is afwijkend van de uit het Hebreeuws vertaalde tekst. In Psalm 40:7 wordt gesproken over het doorboren van het oor, terwijl in Hebreeën 10:5 wordt gesproken over een lichaam dat gereedgemaakt is. Op het eerste gezicht lijkt het ene vers toch iets geheel anders dan het andere vers.

In Hebreeën 10:4-7 staat het volgende:

4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid; 6 Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. 7 Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!

In Psalm 40:7-11 staat:

7 Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord (1) ; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist. 8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. 9 Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. 10 Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het. 11 Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.

Dit verschil is echter niet zo moeilijk om te verklaren. De schrijvers van het Nieuwe Testament hebben bij aanhalingen uit het Oude Testament gebruik hebben gemaakt van de Septuagint (LXX). Dit is een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach; bij ons bekend als het Oude Testament. De Septuagint werd een paar honderd jaar voor Christus geschreven en werd in de dagen van de Heere Jezus en de Apostelen door zowel (Grieks sprekende) Joden als Christenen gebruikt.

Vertalen we Psalm 40:7 vanuit het Hebreeuws, dan staat er: U hebt Mij de oren doorboord.
Vertalen we deze tekst vanuit de Septuagint, dan staat er: U hebt Mij een lichaam toebereid.
De schrijver van de brief aan de Hebreeën heeft blijkbaar gebruik gemaakt van de Septuagint (2).

Waarom de Joodse schrijvers van de Septuagint deze woorden anders hebben vertaald, blijft onduidelijk. En zoals we wel vaker tegenkomen: Hier wordt verschillend over gedacht. Overigens zijn er in de het Oude Testament meer verschillen tussen het Hebreeuws en de Septuagint.

Een voorbeeld in het Nieuwe Testament waar de Septuagint wordt aangehaald:
In Handelingen 7:14 staat dat er 75 personen naar Egypte gingen. Genesis 46:27 maakt melding van 70 personen:

Hebreeuws: De zonen van Jozef, die bij hem in Egypte geboren waren: twee zielen. Het totale aantal zielen die tot het huis van Jakob behoorden en die naar Egypte kwamen, was zeventig (Genesis 46:27).

Septuagint: υιοι δε ιωσηφ οι γενομενοι αυτω εν γη αιγυπτω ψυχαι εννεα πασαι ψυχαι οικου ιακωβ αι εισελθουσαι εις αιγυπτον εβδομηκοντα πεντε (= 75) (Genesis 46:27).

Naast de vraag waarom er verschillen zijn tussen de Septuagint vertaling en de Hebreeuwse tekst, is het belangrijker om te weten of het consequenties heeft voor de aanhaling van Psalm 40: 7 in Hebreeën 10.
Wat willen Psalm 40: 7 (Hebreeuwse tekst of de Septuagint vertaling) en Hebreeën 10:5 (Griekse tekst) ons vertellen.

Psalm 40:7 wordt vaak in verband gebracht met Exodus 21:6 waar gesproken wordt over een knecht die vrij wordt, maar bij zijn heer wil blijven. Hij wordt dan naar de deurpost gebracht waar zijn oor wordt doorboord.

5 Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan; 6 Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan den post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren (3), en hij zal hem eeuwiglijk dienen (Exodus 21:5-6).

Hetzelfde wordt verwoord in Deuteronomium 15:

16 Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is; 17 Zo zult gij een priem nemen, en steken (4) in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen (Deuteronomium 15:16-17).

In Exodus 21 wordt gesproken van 'doorboren' (3) en in Deuteronomium 15 over plaatsen (4). In Psalm 40:7 wordt weer een ander woord gebruikt nl. doorgraven (1). Hiernaast wordt in Jesaja 50 gesproken over het openen (5) van het oor (6) (In Jesaja 48:8 worden dezelfde woorden gebruikt als in Jesaja 50 (7)).

4 De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met den moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt allen morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden. 5 De Heere HEERE heeft Mij het oor (6) geopend (7), en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts. 6 Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken;Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. 7 Want de Heere HEERE helptMij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden (Jesaja 50:4-7).

Wat bovengenoemde Bijbelgedeelten gemeenschappelijk hebben, is gehoorzaamheid.
Psalm 40:7-8 en Jesaja 50 en ook Hebreeën 10 spreken over de gehoorzaamheid van de Heere Jezus.
Je kunt echter Exodus 21:6 niet als uitgangspunt gebruiken om Psalm 40:7-8 te verklaren.
Het verschil tussen Exodus 21 en Deuteronomium 15 enerzijds, en Psalm 40, Jesaja 50 en Hebreeën 10 anderzijds, is dat Exodus en Deuteronomium spreken over een slaaf, die na 7 jaar zijn vrijheid krijgt, maar slaaf wil blijven en dat Psalm 40, Jesaja 50 en Hebreeën 10 spreken over Iemand die vrij is en Zich, als Zoon, vrijwillig overgeeft aan de wil van Zijn Vader, om zo de mensheid, die slaaf is, vrij te kopen.

Dit wordt in nog sterkere mate uitgedrukt in Filippenzen 2:

5 Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; 6 Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; 7 Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; 8 En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. 9 Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; 10 Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. 11 En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Filippenzen 2:5-11).

In Psalm 40:7 gaat het over het verstaan van de wil van God, doordat de oren doorboord (of: uitgegraven) of geopend (NBG) zijn. Het was Gods wil dat de Heere Jezus in een aards lichaam kwam (U hebt mij een lichaam bereid) om te sterven voor de zonde van de mensheid.

Als wij Psalm 40:7-9 nader bestuderen, zien we dat God geen vreugde beleefde aan de slachtoffers, graanoffers, brandoffers (vrijwillige offers) of zondoffers (verplicht offer). Deze offers konden de zonde niet wegnemen. Er was echter wel een offer nodig om de zonde weg te nemen, maar niet dat van granen of een dier.

4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid (8); (Hebreeën 10:4-5).

Er was iemand nodig die zonder zonde was, maar wel in een sterfelijk lichaam. Die bestond op aarde niet. De mens was immers door de zonde sterfelijk geworden.

12 Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben (Romeinen 5:12).

Dus gaf God Zijn Zoon Jezus Christus. Hij kwam uit de hemel in een aards en sterfelijk lichaam, zonder zonde, en Hij bood
Zich als offer aan om zo de zonde van deze schepping weg te doen.

8 Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. 9 Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. (Psalm 40:8-9).

Hoe de Joden, die de Septuagint geschreven hebben, tot de vertaling "U hebt voor mij een lichaam gereedgemaakt" zijn gekomen, weet ik niet, maar het past perfect in de context van Psalm 40 en Hebreeën 10, waar dit wordt toegepast op de Heere Jezus, Die Zijn lichaam beschikbaar stelde. In Hebreeën 10:10 wordt daarna nog ingegaan op de gevolgen die het offer van dit lichaam voor ons heeft gehad.

9 Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. 10 In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied (Hebreeën 10:9-10).

De Heere Jezus bracht eenmaal het offer van Zijn lichaam, omdat hiermee de wil van Zijn Vader te doen. En hierdoor is de gelovige geheiligd (apart gezet, afgezonderd van deze wereld). Dit wordt ook nog in de volgende verzen bevestigd:

11 En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; 12 Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods;. 13 Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten. 14 Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden (Hebreeën 10:11-14).

Zijn aardse sterfelijke lichaam stierf aan het kruis en werd begraven. Op de derde dag stond Hij op uit de dood, nu niet meer sterfelijk, maar onsterfelijk.

Volgens Romeinen 6 zijn wij, die geloven, één met Hem geworden in Zijn dood en in Zijn opstanding (leven).

4 Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. 5 Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; (Romeinen 6:4-5).

en

8 Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. 9 Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem. 10 Want wat Zijn sterven betreft, is Hij voor eens en altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God. (Romeinen 6:8-10).

Wij zijn nog steeds in een sterfelijk lichaam, maar we wachten op de dag dat ook wij onsterfelijk zullen worden, zoals Hij ons gezegd heeft:

51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 52 In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot verwinning (9) (1 Korinthe 15:51-54).

Dat het in Hebreeën 10 over het aardse lichaam van de Heere Jezus gaat (er zijn gelovigen die van mening zijn dat het hier genoemde lichaam de Gemeente is), blijkt uit vers 4 en 5 (zie boven) waar het bloed van stieren en bokken gesteld worden tegenover het lichaam van de Heere Jezus. En in vers 10 wordt gesproken over de offerande van het lichaam van Jezus Christus, wat éénmalig was. In vers 11 t/m 14 wordt gesproken over slachtoffers van dieren, die de zonde niet konden wegnemen en daartegenover de Heere Jezus Die een slachtoffer voor de zonden heeft geofferd, waarmee Hij voor eeuwig de geheiligden volmaakt heeft.

10 In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande (10) des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied. 11 En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen (11) dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; 12 Maar Deze, een slachtoffer (11) voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods; 13 Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten. 14 Want met een offerande (10) heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden (Hebreeën 10:4-7).

Ook Efeze 5 spreekt hierover:

2 En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande (10) en een slachtoffer (11) , Gode tot een welriekenden reuk (Efeze 5:2).

Wij zien dus dat in Hebreeën 10 gesproken wordt over de Heere Jezus, Die een lichaam bereid was, en dit lichaam beschikbaar stelde om als offer te dienen als losprijs voor de zonde van degenen die geheiligd worden (de Gemeente van Jezus Christus). Dit betoog stoelt op een aanhaling uit Psalm 40, zoals dit vermeld staat in de Septuagint. Ditzelfde blijkt uit Efeze 5:2 waar wordt gezegd dat Christus ons (de Gemeente) liefgehad heeft en Zich overgegeven heeft tot een offer (10) en slachtoffer (11).

 

Voetnoten:

(1) Psalm 40 Oor = אזן (‘ozen)
Doorboren = כרה (karah) Dit woord betekent graven, delven, uitgraven, opgraven (Opm.: karah staat in de Qal vorm).
Dit woord komt 16x voor en wordt altijd gebruikt voor graven of delven, behalve in Psalm 22:16 (handen en voeten doorgraven) en natuurlijk hier in Psalm 40:7.

(2) Psalm 40:7 Septuagint : θυσιαν και προσφοραν ουκ ηθελησας σωμα δε κατηρτισω μοι
    Hebr. 10:5 Grieks: θυσιαν και προσφοραν ουκ ηθελησας σωμα δε κατηρτισω μοι

(3) Exodus 21:6 - doorboren (עצר ratsa’ - strongnr. 07527) komt slechts 1x in de Bijbel voor.
    Septuagint: τρυπησει (verouderd woord van vermoedelijk: τρυπημα of τρυπαω) = het doorboorde of doorboren

(4) Deuteronomium 15:17 - Steekt = נתן - nathan - strongnr. 05414. Hier wordt de QAL vorm gebruikt en dit woord betekent 'geven' of 'plaatsen'.
Septuagint: τρυπησεις (verouderd woord van vermoedelijk: τρυπημα of τρυπαω) = het doorboorde of doorboren

(5) Jesaja 50:4 Hebr.: אזן (‘ozen - strongnr. 0241) = oor / Grieks: ωτα (oota) = oor

(6) Jesaja 50:4 Hebr.: פתח (pathach - strongnr. 06605) = openen / Grieks: ανοιγει (anoigei) van: ανοιγω (anoigoo) = openen, openbaren.

(7) In Jesaja 48 wordt gesproken over de ongehoorzaamheid van Israël en dat hun oren daarom niet geopend zijn.
8 Nee, u hebt ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten, ook is uw oor (1) van oudsher niet geopend (2) geweest, want Ik wist dat
u volkomen trouweloos handelen zou en dat u van de moeder schoot af een overtreder wordt genoemd.
(1) oor: Hebr.: אזן (‘ozen - strongnr. 0241) / Grieks: ωτα (oota) = oor
(2) geopend: Hebr.: פתח (pathach - strongnr. 06605) / Grieks: ηνοιξα (enoixa) van: ανοιγω (anoigoo) = openen, openbaren.

(8) Letterlijk: "maar mij een lichaam (zonder lidwoord) toegerust (of toebereid) (καταρτιζω katar’tizo - strongnr. 2675)"

(9) Lees ook Jesaja 25:8

(10) In vers 10 en 14 is offerande de vertaling van προσφορα (prospho’ra - strongnr. 4376). Het woord betekent aanbieden, geschenk, een offer voor de zonde of zoenoffer. Ook in Efeze 5:2 is offerande de vertaling van προσφορα (prospho’ra).

(11) Het woord slachtoffer wat in vers 11 en 12, zowel voor dieren als voor de Heere Jezus gebruikt wordt, is θυσια (thu’sia - strongnr. 2378). Het woord betekent offer, offerfeest of offerdier. Dit woord komt ook voor in Efeze 5:2.

 

KB 29 juli 2015