De doorn van Paulus

En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. (2 Korinthe 12:7-10)

Er is al veel gefilosofeerd over de doorn van Paulus. Is het dit of is het dat? Iedereen heeft er wel een mening over. Maar om iets over deze doorn, nl. een engel des satans, te zeggen is het belangrijk om het tekstgedeelte in de context van de brief te lezen.

In hoofdstuk 11 begint Paulus de Korinthiërs te verwijten dat zij zich door anderen bij de eenvoud van Christus laten weghalen (11:3). Paulus noemt deze mensen 'valse apostelen' (11:13) en dienaren van satan (11:15).
Omdat velen roemen in het vlees, wat Paulus onwijs vindt, en zij door de Korinthiërs worden geaccepteerd, wil ook Paulus roemen in het vlees (11:18).
Over deze mensen zegt Paulus dat zij de Korinthiërs overheerst hebben, en dat de Korinthiërs dit ondergingen (11:20).
Paulus stelt dat hij en de zijnen hiervoor te zwak waren, maar als de anderen dat aandurven dan Paulus ook, hoewel hij dit onwijsheid noemt (11:21)
Hierna vertelt Paulus wie hij in het vlees is en wat hij allemaal heeft meegemaakt (11:22-28).
En als er dan geroemd moet worden, zal Paulus roemen in de dingen van zijn zwakheid (11:30).
In hoofdstuk 12 stelt Paulus dat roemen niet nuttig is en als er dan toch geroemd moet worden, dan maar van iemand die in de derde hemel is opgetrokken en onuitsprekelijke dingen heeft gezien.
Maar Paulus zal alleen roemen in zijn zwakheden (12:1-5).

Paulus spreekt over zichzelf in de volgende verzen en daaruit blijkt dat hijzelf degene is die in de derde hemel is opgetrokken. Hij stelt dan ook dat hij, als hij zou roemen, dit niet in onwijsheid zou zijn (niet op grond van vleselijke roem) (12:6). Maar hij roemt niet.

En nu komt hij tot de kern:

En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen (2 Korinthe 12:7).

Om te voorkomen dat Paulus zich zal verheffen, wordt hij klein gehouden. Tegenover 'verheffen' staat 'vernedering'.
Het blijkt dat Paulus zwak is in alles wat hem overkomt. Hij kan zich dus niet verheffen vanwege de openbaringen die hij van God heeft gekregen omdat hij ondanks deze openbaringen zelf zwak is in wat hem overkomt.

Hij noemt dit een doorn die hem door God is gegeven en noemt deze doorn een engel des satans. En deze engel slaat hem met vuisten. Door deze doorn blijkt de zwakheid van Paulus.

Paulus vertelt in vers 8 dat hij God driemaal heeft gebeden om deze doorn weg te nemen. God heeft echter tegen hem gezegd:

Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. (2 Korinthe 12:9)

In deze zwakheid van Paulus geeft God kracht. Opgemerkt moet nog worden dat Paulus niet spreekt over 'zwakheid' in het enkelvoud, maar over 'zwakheden' in het meervoud. Hij is blijkbaar zwak in diverse dingen:

Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. (2 Korinthe 12:9)

en:

Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden (2 Korinthe 12:10)

En Paulus roemt in zijn zwakheden. Hij roemt niet in de dingen die hem overkomen, maar in zijn zwakheid, zodat de kracht van Christus zich in hem openbaart.

We zagen in 2 Korinthe 11:23-28 dat hij van alles had meegemaakt, zoals allerlei gevaren, honger, dorst, steniging en schipbreuk. Over deze dingen en zwakte schrijft Paulus ook in 1 Korinthe 4:

Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen. Wij zijn dwazen om Christus’ wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. Tot op deze tegenwoordige ure, lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe. (1 Korinthe 4:9-13)

Paulus zegt bij de laatste apostelen te horen, die voor de wereld, de engelen en de mensen een schouwspel zijn, die zwak zijn, die met vuisten geslagen worden, enz. Sterk en zwak worden hier tegenover elkaar gesteld. De gelovigen in Korinthe worden wijzen, sterken en heerlijken genoemd. De laatste apostelen, waaronder Paulus, worden dwazen, zwakken en verachten genoemd. Zij lijden honger, dorst, zijn naakt, worden met vuisten geslagen en hebben geen vast woonplaats. Ook zijn zij het uitvaagsel der wereld.

In de laatste verzen van 2 Korinthe 11 zegt hij:

Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande? Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. (2 Korinthe 11:29-31)

Over deze zwakheid vervolgt hij in vers 32 en 33 dat de koning van Damaskus hem gevangen wilde nemen en dat hij vluchtte.

De stadhouder van den koning Arétas in Damaskus, bezette de stad der Damaskénen, willende mij vangen; En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen. (2 Korinthe 11:32-33)

Daarna lezen wij over gezichten en openbaringen van de Heer. Paulus is opgetrokken geweest in de 3e hemel en heeft onuitsprekelijke woorden gehoord, die hij niet mag uitspreken (12:4). Maar opdat hij zich door deze openbaringen en gezichten niet zou verheffen, kreeg hij een doorn in zijn vlees:

En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. (2 Korinthe 12:7)

Hij beschouwt, wat hem overkomt, als van een engel des satans en noemt dit een doorn in zijn vlees.
Paulus bidt driemaal of de satan zou mogen wijken, maar de Heer zegt:

Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12:9a).

Paulus was zwak. Maar in zijn zwakte ontving hij de kracht van Christus. Daarom vervolgt Paulus met:

Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone (2 Korinthe 12:9b).

Hij vervolgt dan met de woorden:

Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. (2 Korinthe 12:10)

Over de zwakheid van Paulus nog een citaat uit de eerste brief aan de Korinthiërs:

En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving. En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods. (1 Korinthe 2:3-5)

Ook hier blijkt de tegenstelling tussen de zwakheid van Paulus en de kracht Gods.

Vanwege het lijden geeft God genade. Hierover spreekt Paulus in de brief aan de Filippenzen:

En dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God. Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden; Denzelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt, en nu in mij hoort. (Filippenzen 1:28-30)

Paulus spreekt hier over de tegenstanders, waardoor de gelovigen uit Filippi leden. Ook zij hadden hier strijd mee en dezelfde strijd had Paulus ook.

Overigens had God al over hem gezegd dat hij zou lijden:

Maar de Heere zeide tot hem (Ananias): Ga heen; want deze (Saulus/Paulus) is Mij uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen (lett.: zonen) Israëls. Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam. (Handelingen 9:15-16)

Paulus voelde zich in dit lijden zwak, maar wist van Gods wege dat hij deze weg moest gaan, ook al was hij zwak. Want in zijn zwakheid kon God Zijn kracht openbaren. Hij zou niet roemen in het vlees, zoals Paulus ook al schrijft in 1 Korinthe 1:31: Die roemt, roeme in den Heere.

Conclusie
De zwakheden van Paulus waren, als ik alles goed lees, het vrezen en beven in al het lijden wat hij doormaakte, zodat hij zich niet zou verheffen. In zichzelf bleef Paulus zwak, ook al waren hem openbaringen van God gegeven.
De doorn in zijn vlees bestond m.i. dan ook uit allerlei verdrukkingen (een engel des satans die hem met vuisten sloeg).
Deze "smaadheden, noden, vervolgingen en benauwdheden om Christus’ wil", werden door God niet weggenomen, maar Gods genade zou genoeg zijn om in zijn zwakheden te staan in de kracht Gods.

Bovenstaand gedeelte houdt ook een boodschap voor ons in. Als wij ons zwak voelen in de dingen die ons overkomen in dienst van de Heer en ons gebed om deze dingen weg te nemen niet wordt verhoord, dan wil God ons Zijn kracht geven in onze zwakheid. En als wij lijden voor de Naam van onze Heere Jezus Christus, en we zijn bevreesd, dan mogen ook wij weten dat Gods genade voor ons genoeg mag zijn. Want God heeft gezegd:

Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12:9).