De Christelijke hoop

Als de apostel Paulus deze woorden bezigt, heeft hij natuurlijk niet het oog op de zaligheid. Immers is niet de zaligheid, het eeuwige leven een kwestie van "hopen". Daar kunnen wij volkomen van verzekerd zijn, zodra wij geloven in Jezus Christus als onze Verlosser en Zaligmaker. Talrijke uitspraken in Gods Woord bevestigen dat:

"Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven."
( Joh. 3:36).

"..., opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt,"
( 1 Joh. 5:13).

Wij hopen niet op het eeuwige leven, maar wij bezitten het eeuwige leven, als een genadegift Gods, die we met de hand des geloofs geaccepteerd hebben. En juist omdat het een genadegift is, kan het ons  ook nimmer ontroofd worden:

"En ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijn hand rukken". ( Joh. 10:28).

 De geijkte term "ontslapen in de hope des eeuwigen levens", die we veelal op rouwbrieven kunnen aantreffen, om daarmee te kennen te geven, dat de ontslapene gehoopt heeft op het eeuwige leven is onschriftuurlijk. Goddelijke verzekeringen en beloften worden er door in twijfel getrokken, alsof God onbetrouwbaar zou kunnen zijn. Nee, op grond van klare en duidelijke uitspraken in de Schrift, mag iedere zondaar, die in de Here Jezus gelooft, volkomen verzekerd zijn het eeuwige leven als een blijvend, eeuwig goed te bezitten. Niet het eeuwige leven is onze hoop! Maar het eeuwige leven, dat wij in Christus Jezus bezitten, heeft een hoop. Zulks in tegenstelling met de natuurlijke, niet-wedergeboren mens, die geen hoop heeft.

 "...,geen hoop hebbende en zonder God in de wereld." ( Ef. 2:12b).
 

Wat is dan onze hoop?

Helaas weten vele christenen op deze vraag geen antwoord te geven. Zij kennen hun hoop niet en leven daarom ook niet in de verwachting ervan. Ook in onze tijd zijn de gebeden van Paulus ten behoeve van de gelovigen zeer van toepassing:

"..., opdat gij moogt WETEN, welke zij de hoop van Zijn roeping…" ( Ef. 1:18).

"De God nu der hope vervulle ulieden…, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, " ( Rom. 15:13).

Sommigen menen dat onze hoop is, de komst van de Here Jezus voor de gelovigen, zoals ons dat is meegedeeld in 1Thess. 4:13-17. Dus de opname der gemeente. Daarvoor is echter geen Schriftuurlijke grond. Natuurlijk leven wij in de verwachting van de komst van de Here Jezus. Doch wanneer die "punt des tijds" zal aanbreken, is voor ons onbelangrijk.Veel belangrijker is, dat wij, zolang wij nog in de wereld zijn, onze roeping waardig wandelen en in alle goed werk vrucht dragen.

Anderen hopen, dat zij niet zullen sterven, maar zullen behoren tot hen "die levend overgebleven zijn" bij de komst van de Here Jezus. Deze hoop blijkt dikwijls geboren te zijn uit een geheime angst voor het sterven. En dat geheel ten onrechte. Het sterven betekent voor de christen altijd winst. Wij kunnen gerust zeggen, dat wij de meeste kans hebben tot "degenen, die ontslapen zijn in Jezus" te behoren. Maar daarover behoeven we niet teleurgesteld te zijn, want het hele betoog van Paulus in 1 Thess 4 heeft juist ten doel om aan te tonen, dat de "levend overgeblevenen" niet bevoorrecht zullen worden boven "de ontslapenen".

Wanneer wij willen weten, wat onze hoop is, dan doen we het best om eerst naar de apostel Petrus te luisteren.

"Die ... ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, ..., TOT een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u". ( 1 Petr. 1:3 en 4)

Het woordje "tot" in deze verzen is een bijwoord van doel. Het drukt uit waaróm wij wedergeboren zijn, namelijk OPDAT wij, die van nature geen hoop hadden, een LEVENDE HOOP, en een onverderfelijke erfenis zouden hebben. We zijn dus wedergeboren (verleden tijd), en daarom hebben wij een levende HOOP, die gericht is op de erfenis.
Wij ZIJN zalig, en HOPEN op de erfenis. Dat is de betekenis van het "in hope zalig worden".
Al Gods kinderen zijn krachtens hun wedergeboorte erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.

"Indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus;" ( Rom. 8:17)

"En indien gij van Christus zijt zo zijt gij ... erfgenamen." ( Gal. 3:29).

Dat is dus een kwestie van geboorterecht. Als leden van het lichaam van Christus zijn wij geroepen, om Zijn toekomstige positie en heerlijkheid in het Koninkrijk Gods met Hem te delen.
Wanneer de Schrift zegt van Christus:

"Welke Hij (God) gesteld heeft tot een  ERFGENAAM VAN ALLES," ( Hebr. 1:2).

Dan is het de wil van Christus, dat wij dat "alles" als mede-erfgenaam met Hem zullen delen. Nu is het echter niet vanzelfsprekend, dat alle kinderen Gods ook inderdaad zullen erven. Dit blijkt reeds uit wat Paulus in de Galatenbrief zegt.

"..., zo lange tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; Maar hij is onder voogden en verzorgers, ..." (Gal. 4:1 en 2).

Zolang de erfgenaam niet "mondig" is, kan hij de erfenis niet in bezit nemen. Bovendien kan de wettige erfgenaam van zijn recht geen gebruik maken, en geen prijs op de erfenis stellen. We hebben daarvan een frapperend voorbeeld in onze bijbel in de persoon van Ezau, die op zijn eerstgeboorterecht zo weinig prijs stelde, dat hij die verkocht voor een schotel linzenmoes.

Wanneer Gods kinderen deel willen hebben aan de erfenis van Christus, dan behoren wij in dit leven zo toegenomen te zijn in geloof en kennis, dat zij opgewassen zijn "tot een volkomen man," ( Ef. 4:13).
Van "nieuwgeboren kinderkens" behoren zij opgewassen te zijn tot "zonen", door zeer begerig te zijn "naar de redelijke, onvervalste melk", dat is het Woord van God. ( 1 Petr. 2:2) Kinderen, die zonen (volwassenen) zijn geworden, zijn geschikt om te erven.

"en indien gij een Zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus". ( Gal. 4:7).
 

Kind of zoon?

En waaruit blijkt, of een kind van God, nog "kind" of "zoon" is?
Evenals in het natuurlijke leven uit zijn gedrag en levensopenbaring. Lees bijvoorbeeld 1 Cor. 3:1-3, waar Paulus de gelovigen op grond van hun gedrag (nijd, twist enz.) zegt, dat zij nog "vleselijk" zijn, nog "jonge kinderen in Christus". In de Galatenbrief vinden we tweeërlei levensopenbaring van Christenen.

- De vleselijke christen  ("jong kind in Christus") in wie de werken des vleses openbaar worden
( Gal. 5:19-21).

- De geestelijke christen (opgegroeid tot een "volkomen man") in wie de vrucht des Geestes openbaar wordt. En Paulus zegt heel nadrukkelijk van de vleselijke christen, dat zij het Koninkrijk van God niet zullen beërven.

"van dewelke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven." ( Gal. 5:21).
 Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat zij verloren zullen gaan. Ongetwijfeld zullen zij het Koninkrijk Gods "ingaan", op grond van hun wedergeboorte. (Joh. 3).

Maar op grond van hun vleselijke levenswandel kunnen zij het Koninkrijk Gods niet beërven. Tussen "erven" en "ingaan" is immers een groot verschil. Wij allen wonen "in" het Koninkrijk der Nederlanden. Prinses (dit is geschreven in 1946) Juliana beërft het Kon. der Nederlanden. Tussen haar en ons is een geweldig verschil van positie in het Koninkrijk.

Zo zullen al Gods kinderen het koninkrijk Gods ingaan krachtens hun wedergeboorte. Er zijn echter ook kinderen Gods die krachtens hun groei, openbaar geworden in hun levenswandel, het Koninkrijk Gods zullen beërven. Hetzelfde vinden wij in de Efezebrief.

"Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine…erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God". ( Ef. 5:5).

Hieruit blijkt weer, dat kinderen Gods op grond van hun vleselijke wandel, de erfenis kunnen missen. Wanneer we 1 Petr. 1:3 vergelijken met Ef. 2:10, dan vinden we in het laatste vers, datzelfde woordje "tot" (bijwoord van doel).

"Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken". ( Ef. 2:10).

Zowel in 1 Petr. 1:3 als in Ef. 2:10 vinden wij dus het doel onzer wedergeboorte.

  TOT een levende hoop (erfenis)

  TOT goede werken.

Hieruit blijkt duidelijk, dat goede werken, die wij als gelovigen in dit leven hebben voortgebracht, uit zullen maken in hoeverre wij deel zullen hebben aan de erfenis.In de brief aan Titus komt dit nog duidelijker naar voren. Immers hier noemt Paulus de hoop, de erfenis en de goede werken als in één adem:

 "Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan;" ( Titus 3:7,8).

Paulus vermaant Titus, om de gelovigen ernstig er op te wijzen "dat zij erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens". Want hoe meer de gelovigen het oog op deze hoop gericht hebben, hoe meer zij "zorg dragen om goede werken voor te staan".

In 1 Cor. 3 vinden we dat de werken van de gelovigen worden beoordeeld. Want "eens iegelijk werk zal openbaar worden;"

"Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch als door vuur". ( 1 Cor. 3:15).

Naar de maatstaf van zijn werken wordt hier bepaald de positie die de gelovige in het Koninkrijk Gods zal betreden. Het "loon" heeft betrekking op de erfenis.
Hier is sprake van gelovigen, die wel behouden worden, wel het Koninkrijk Gods zullen ingaan, maar die de erfenis zullen missen op grond van de werken des vleses, die in hen openbaar werden. (Gal. 5:19-22), en die voor de rechterstoel van Christus, door de toets van het vuur, als hout hooi en stoppels verbrand worden. ( 1Cor 3:12-15)

Uit al deze dingen blijkt van hoe groot belang de levensopenbaring van de kinderen Gods is, ook met het oog op de eeuwigheid.

In de Collossenzen brief lezen we:

"Al wat gij doet, doet dat van harte, als den Here, en niet den mensen; Wetende, dat gij van de Here zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus." ( Col 3:23-24)

Ook hier wordt de erfenis gezien als een beloning op ons christelijk gedrag. Misschien dat er nu christenen zijn, die denken nimmer voor de erfenis in aanmerking te komen, omdat zij in hun dagelijks leven nimmer "tot goede werken" in staat geweest zijn. Zij vinden zoveel tekortkomingen in zichzelf en ontdekken in zichzelf zoveel onvruchtbaarheid, dat zij al blij zijn, te mogen behoren tot hen "die zalig worden maar schade lijden".

Tot dezulken zij echter het woord van Paulus aan de Colossenzen in herinnering gebracht,

"Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht." ( Col. 1:12).

Alle gelovigen zijn door God bekwaam gemaakt om aan de erfenis deel te hebben, dus ook bekwaam gemaakt om goede werken voort te brengen, want dat is immers daartoe de voorwaarde. Die "bekwaamheid" heeft niets te maken met ons karakter en onze natuurlijke aanleg. Onze oude natuur is in Christus geoordeeld en gevonnist en door God volkomen uitgeschakeld. Maar die "bekwaamheid" is het gevolg van een scheppingsdaad van God, verricht op het ogenblik, toen wij in de Here Jezus geloofden.

In Ef. 2:10 lezen wij, hoe wij "bekwaam"gemaakt zijn.

"Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken," ( Ef. 2:10).

Zoals een rank is in de wijnstok en een lid in het lichaam, zo heeft God ons geschapen in Christus Jezus. Toen wij als zondaars in de Here Jezus geloofd hebben, heeft de Geest van God ons tot een levende organische eenheid met de Heer geschapen.

"Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt;" ( 1Cor. 12:13).

We zijn "bekwaam gemaakt" door God, omdat Hij ons "een plant" maakte met de Here Jezus. Wij zijn "in Hem" geplant. "In Hem geschapen" is onze bekwaamheid. Als wij van deze bekwaamheid gebruik maken, d.w.z. als wij "in Hem blijven", dan is het automatische gevolg, dat wij "vrucht dragen" (Joh. 15:5.). De vrucht des Geestes van Gal. 5:22 zal in ons openbaar worden en daarom zullen wij in tegenstelling met hen, in wie de werken des vleses openbaar werden (Gal. 5:21), het Koninkrijk Gods beërven. Behalve dus, dat alle kinderen Gods geroepen zijn om te erven, zijn zij ook allen daartoe bekwaam gemaakt. Ze zijn geschapen in Christus Jezus, zodat zij, wanneer zij in levende gemeenschap met Hem wandelen, in alle goed werk vrucht zullen dragen en straks voor de Rechterstoel van Christus, bij hun zaligheid loon zullen ontvangen.

De erfenis wordt dus niet verkregen via de inspanning en de energie van het vlees, maar zij is het resultaat van een leven in geloofsgemeenschap met de opgestane en verheerlijkte Heiland, de ware Wijnstok.

 Uit "De band des vredes" april 1946  Jb. K.H.