Christus onze voorspraak

"Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige". (1 Joh. 2:1)


Tweeërlei Parakleet.

Het woord "Voorspraak" treffen we alleen in de eerste Johannes brief aan. Het is de Nederlandse vertaling van het Griekse "Parakleet", merkwaardig is echter, dat de Heiland hetzelfde gebruikt voor de Heilige Geest in Joh. 1:6, waar wij het vertaald vinden door "Trooster". De eigenlijke betekenis van het woord is in onze taal moeilijk weer te geven. We zouden nog het best kunnen spreken van "advocaat" of  "zaakwaarnemer", zoals buitenlandse vertalingen dat ook inderdaad geven.
 

Overeenkomst.

Wanneer het woord "Parakleet" zowel voor Christus als voor de Heilige Geest gebruikt  wordt, mogen we een zekere overeenkomst verwachten. Dat is dan ook inderdaad het geval. Een advocaat behartigt de belangen van anderen. Hij wordt dus eigenlijk door een ander gezonden.
 

De Heilige Geest als Parakleet (Trooster).

De Heilige Geest werd door de opgestane en verheerlijkte Heiland gezonden aan de gemeente. "De Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was".  (Joh. 7:39) "Indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot U niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot U zenden". (Joh. 16:7) We zouden dus kunnen zeggen dat de Heilige Geest de hemelse vertegenwoordiger op aarde is. Hij is van de Vader uitgegaan,  (Joh. 15:26). Hij is door de verheerlijkte Heiland gezonden,  (Joh. 15:26, Joh. 16:7), tot de Gemeente. De "Trooster" is de "Parakleet" van Christus. Die Zijn belangen bij de gelovige behartigt. Dat blijkt uit eigen uitspraken van de Here Jezus.

"Die zal van Mij getuigen".  (Joh. 15:26) Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen, en zal het U verkondigen".  (Joh. 16:14)

Het is de Heilige Geest, die het leven van Christus in de gelovige openbaar maakt  (Gal. 5: 16, 25), en in hen de vrucht des Geestes teweegbrengt  (Gal. 5:22), als zij opzien naar diens verheven Zender, de verheerlijkte Heiland, zittende aan Gods rechterhand en in Hem hun vertrouwen stellen.
 

Christus als de Parakleet

Wanneer wij echter spreken van Christus als de "Parakleet"  (1 Joh. 2:1), dan zien we Hem als van ons uitgegaan tot de Vader, om onze belangen bij Hem te behartigen. Daartoe moest Hij eenmaal de broeders in alles gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn voor ons, in de dingen die bij God te doen zijn.  (Hebr. 2:17) "Want alle Hogepriester uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mens, in de zaken, die bij God te doen zijn"  (Hebr. 5:1)

Zo komen wij dus tot de volgende conclusie: De Heilige Geest als Parakleet is door Christus gezonden van de hemel naar de aarde om Zijn belangen bij ons te behartigen. Christus, als Parakleet is van ons uitgegaan van de aarde naar de hemel, om onze belangen bij de Vader te behartigen.
 

Hogepriester en Voorspraak.

In de Hebreeënbrief, waar de gelovigen als een "heilig volk" gezien worden, vonden wij Christus, in verband met de Oudtestamentische schaduwen, als onze Hogepriester, Die ons bij God vertegenwoordigt. In de 1e  Johannesbrief, waar de gelovigen gezien worden als kinderen van God door de wedergeboorte, vinden wij Christus als onze Voorspraak, bij de Vader.  (1 Joh. 2:1) Hier wordt de Christen gezien als een nieuwe schepping. Hij is uit God geboren. Een Christen is dus:
 

Tweemaal geboren.

Eenmaal uit zijn natuurlijke ouders. En op het ogenblik, toen hij geloofde in de Here Jezus als zijn Verlosser en Zaligmaker, " is hij door de Heilige Geest ook uit God geboren".
 

Daarom is de Christen ook:

Tweeërlei natuur deelachtig:
uit zijn eerste geboorte ontving hij de natuur van zijn ouders, dus een zondige natuur. De apostel Paulus noemt deze natuur "vlees" en zegt: "Ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont".  (Rom. 7:18) "Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde".  (Rom. 7:14)

"Die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen".  (Rom. 8:8).
Dit zijn de conclusies, over een natuurlijk, dus niet-wedergeboren mens. Die jarenlang oprecht en met heilige bezieling gestreefd heeft om de wet van Mozes te volbrengen en zijn natuurlijke levensopenbaring in overeenstemming te brengen met de door God gestelde eisen. Al zijn pogingen zijn op een groot fiasco uitgelopen, zodat hij tenslotte over zichzelf maar tot één oordeel kon komen: "Ik, ellendig mens".  (Rom. 7:24)

Deze Paulinische ervaring, ons meegedeeld in Rom. 7, is een directe bevestiging van de woorden die de Heiland eens tot Nicodemus sprak: "Hetgeen uit het vlees is, dat is vlees"  (Joh. 3:6)

Dat wil zeggen, zoals een appelboom uiteraard alleen maar appels kan voortbrengen, kan ook een zondaar (d.i. een natuurlijk mens) alleen maar zonden voortbrengen. Dit is een niet te veranderen feit, door God geconstateerd en in onze menselijke ervaring bewezen. Daarom is Rom. 3 een natuurgetrouw beeld van wat de mens krachtens zijn natuurlijke geboorte is; méér nog…het is een Goddelijke constatering van een niet te miskennen, vaststaand feit. "Er is niemand rechtvaardig, ook niet een. Er is niemand die verstandig is. Er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, ook niet tot één toe".  (Rom. 3:10, 11, 12).

Daarom zijn alle – dikwijls goedbedoelde pogingen om de menselijke natuur te verbeteren, te beschaven of te "kerstenen", of hoe men dat ook noemen moge, absoluut zinloos en hopeloos en een directe ontkenning van een Goddelijke mededeling.

Niettemin verspillen duizenden Christenen hun energie, om hun oude natuur te beteugelen, om zichzelf in een keurslijf te snoeren; om zichzelf te dwingen tot een leven dat zo goed mogelijk in overeenstemming is met de wet van Mozes. Of zij dwingen zich om te leven naar de normen, die men zichzelf gesteld heeft, of die de "Christelijke wereld" als maatstaf gegeven heeft.

Dergelijke Christenen leven in een betreurenswaardige toestand en missen alle werkelijke rust en blijdschap. Hun leven is een "vallen en opstaan". Hun innerlijke levenservaring wordt het best gekarakteriseerd door de woorden "strijd en nederlaag". Zij zijn met de oude mens, dus met zichzelf bezig, om dagelijks tot de ontdekking te komen dat in hun vlees geen goed woont. "Dat hadden ze echter ook zonder strijd en inspanning al lang kunnen weten, als zij het Woord Gods geloofd hadden. (Rom. 7:14, 18, 24; Rom. 8:8, Rom. 3)

 

Gods oordeel over onze oude natuur.

Wat onze oude natuur betreft, stond God slechts één ding te doen: namelijk die te oordelen. En dat heeft Hij gedaan in Christus aan het kruis te Golgotha. "Want Dien, Die geen zonde gekend, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".  (2 Cor. 5:21).

God heeft onze oude mens gevonnist in de Persoon van Jezus Christus. Op Golgotha werd het vonnis – uitgesproken over onze oude menselijke natuur – voltrokken in onze dierbare Heiland. De Zondeloze, de Heilige, werd door God tot zondaar gemaakt, opdat aan Hem het Goddelijk oordeel over de mens zou uitgevoerd worden. Zodra wij Christus erkend hebben als onze Middelaar en Verlosser, zijn wij in Gods ogen gekruisigd, gestorven en begraven. Dan is het voor God, alsof het oordeel dat Christus gedragen heeft, op ons is toegepast. Daarom stelt de apostel Paulus van alle gelovigen vast: "Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood".  (Rom. 6:4) …..dit wetende dat de oude mens met Hem gekruisigd is".  (Rom. 6:6) "Ik ben met Christus gekruisigd".
 (Gal. 2:20).

Voor God heeft onze oude mens opgehouden te bestaan. Hij houdt zich niet meer bezig met onze oude mens. Dat is voor Hem geëindigd aan het kruis van Golgotha.

Hij verwacht daarom ook van ons – in plaats van nog te strijden en onszelf te verbeteren – dat wij Zijn vonnis zullen aanvaarden en geloven, dat wij met Christus gestorven en begraven zijn. De Schrift zegt dan ook: "Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij der zonde dood zijt".  (Rom. 6:11)
 Ook hier geldt het weer om met terzijdestelling van alle eigen gevoelens en ervaring, eenvoudig te geloven wat God zegt. Dan zullen wij ophouden met strijden, streven, werken en zuchten om toch telkens weer teleurgesteld te worden. Gaan we daarmee toch door, dan ontkennen wij het werk van Christus, zijn wij dus "vijanden van het kruis van Christus", en dat tot onze eigen schade in dit leven en daarom ook in het hiernamaals.
 

Onze nieuwe natuur.

Wat onze oude natuur betreft, die we ontvingen krachtens onze natuurlijke geboorte, daarmee heeft God dus volkomen afgerekend. Maar toen we geloofden in Jezus Christus, werden wij wedergeboren, d.w.z. "uit God geboren". Op grond van deze geboorte zijn wij "der Goddelijke natuur" deelachtig geworden.  (2 Petr. 1:4) In tegenstelling met de menselijke natuur kán deze Goddelijke natuur niet zondigen. Een iegelijk die uit God geboren is (d.i. de nieuwe mens) doet de zonde niet,…; hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren".  (1 Joh. 3:9).

Wanneer wij deze woorden lezen, zij er nogmaals op gewezen, dat de Christen in de Johannes brief met de ogen Gods gezien wordt.
De oude mens is gestorven en begraven met Christus. Hij is een "nieuwe schepping" geworden.  (2 Cor. 5:17), en  een "nieuwe mens, geschapen in ware rechtvaardigheid en heiligheid".  (Ef. 4:24)

Dit nieuwe, uit God geboren leven, kunnen wij niet zelf openbaar maken. Dus niet langs de weg van energie of inspanning worden de Goddelijke eigenschappen van de nieuwe mens openbaar. Dat is het werk van de Heilige Geest, Die dit doet, naarmate wij uit het geloof leven. Zoals een zondaar moet geloven in Jezus Christus om het eeuwige leven te ontvangen, evenzo moet ook de Christen geloven in Christus, opdat dit nieuwe leven in hem openbaar worde. En evenmin als de zondaar door strijd en inspanning het eeuwige leven kan verwerven, kan de Christen dit leven via strijd, inspanning, enz. openbaar maken. Het één zowel als het ander is werk van de Heilige Geest, als resultaat van het volbrachte werk van Christus. "Indien wij door de Geest leven zo laat ons ook door de Geest wandelen".
 (Gal. 5:25)

Evenwel is er dit fundamentele onderscheid. Een zondaar word verzoend door een gekruisigde en gestorven Heiland ( "Jezus Christus, en Die gekruisigd"). Een Christen gelooft in Diezelfde Heiland, Die, nadat Hij gestorven en begraven is, ook is opgewekt, en thans leeft, verheerlijkt aan Gods rechterhand, ten behoeve van ons, opdat het nieuwe leven in hem openbaar worde door de Heilige Geest. Dat is waar de apostel op doelt in  Rom. 5:10: "Want indien wij vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de   dood zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven".

Alsof hij wil zeggen, indien de dood van Christus ons de geweldige zegeningen van zondevergeving gebracht heeft, hoeveel te meer moet voor ons dan wel het leven van Christus betekenen. In Rom. 8 zegt hij hetzelfde: "Christus is het, Die gestorven is, Ja, WAT MEER IS, Die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt".  (Rom. 8:34) De opstanding  van Christus bracht ons eeuwig leven. Zijn leven maakt dat eeuwig leven openbaar. "Ik leef en gij zult leven".   (Joh. 14:19) Beide zegeningen worden ons deel alleen door het geloof.  "Gelijk gij dan Christus Jezus, de Here, hebt aangenomen (door het geloof), wandelt alzo in Hem (eveneens door het geloof) (Col. 2:6) "Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven".  ( Hebr. 10:38 )

Een Christen behoeft dus slechts te vertrouwen in, en op te zien naar, de levende, opgewekte en verheerlijkte Heiland. Het is de Heilige Geest, die dan Zijn leven in ons openbaar maakt, zodat ons leven aan Christus gelijkvormig wordt en wij met Paulus kunnen zeggen: "Het leven is mij Christus".  (Phil. 1:21) Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid enz. welke eigenschappen van Christus zijn, worden dan ook openbaar in als, als vrucht des Geestes.  (Gal. 5:22 ) "Die in Mij blijft, zal veel vrucht dragen".  ( Joh. 15:5).

"Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft".  ( 1 Joh. 2:6 )
Het geheim van een gelukkig en vruchtbaar leven, vol van rust en vrede, voor de Christen, wordt door de apostel Paulus zo klaar en duidelijk gedefinieerd in de woorden: Ik ben met Christus gekruisigd, en ik leef, doch niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik DOOR HET GELOOF des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.  (Gal. 2:20)
 

Vijandelijke machten.

Wij dienen echter te bedenken, dat, hoewel een christen een nieuwe schepping is, het nieuwe leven nooit ten volle in hem openbaar wordt, omdat zijn geloofsopenbaring nooit volkomen is. En wel hierdoor, dat waar zijn geest en ziel wel verlost zijn, is zijn lichaam nog niet verlost. Hij bezit deze schat nog in een "aarden vat". Hierdoor is het mogelijk dat vijandelijke machten op hem inwerken. De Bijbel noemt ons minstens drie vijanden: In de eerste plaats onze "oude mens", die zolang wij nog in het lichaam zijn, in ons aanwezig is, en telkens weer tracht zichzelf te openbaren. De tweede vijand is Satan, die rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden.
Ten slotte leven wij nog in een Godvijandige wereld, die ons uit Zijn gemeenschap tracht te rukken. Zo lang een gelovige aan deze vijandelijke machten bloot staat, dus zolang hij nog in dit lichaam is, kan hij zondigen, en zondigt hij dan ook en blijven fouten en tekortkomingen zijn oude mens aankleven.
 

Onder Gods controle.

Daarom wil God ons onder Zijn controle houden. Helaas zijn er vele gelovigen die Hem daartoe geen gelegenheid geven. Zij zondigen en blijven met een zonde-probleem rondlopen en ontrekken zich aan het licht en de gemeenschap van God, tot schade van hun eigen zielenleven. Wanneer wij het eerste hoofdstuk van de eerste Johannes-brief nauwkeurig lezen, vinden wij daar dan ook twee klassen van gelovigen.

1e. "Die in de duisternis wandelen" (v. 6)

Dat zijn gelovigen, die als zij gezondigd hebben, daarmee blijven voortlopen, en zich onttrekken aan Gods liefde en opbouw.

2e. "Die in het licht wandelen" (v.7)

Sommigen menen, dat hiermee bedoeld wordt, dat wij heilig en zondeloos leven zouden.

Integendeel, maar God verwacht van ons, dat wij met al onze fouten en tekortkomingen op Zijn Woord vertrouwen., Wanneer wij dagelijks zo voor Zijn aangezicht leven, in Zijn licht wandelen, openstaan voor Zijn Woord en daarnaar luisteren, groeien wij op in kennis en genade van onze Heer en Heiland. Tot hen, "die in het licht wandelen" wordt gezegd: "Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.  (1 Joh. 1:7) Dit betekent niet, dat het bloed van Christus telkens weer op de gelovigen moet worden toegepast, als hij gezondigd heeft. Integendeel, dat zou in lijnrechte tegenspraak zijn met andere Schriftgedeelten. "Want door één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt, degene die geheiligd worden".(Hebr. 10:14)

Dit is een fundamentele waarheid, die in het bijzonder naar voren gebracht wordt in Hebr. 9 en 10. Hier ligt juist het verschil tussen Oud- en Nieuwtestamentisch Priesterschap. Maar de apostel Johannes spreekt in  1 Joh. 1:7 over de algenoegzaamheid en de macht van het bloed van Christus. Het karakter van het bloed is, dat het reinigt van alle zonde. Hoe zondig, hoe bezoedeld we ook mogen zijn, juist op grond van de macht van het bloed van Christus, éénmaal gestort, kunnen wij, zondaren als we zijn, in het "licht wandelen". Daarom kunnen wij in Gods gemeenschap leven en hebben wij altijd vrije toegang tot het heiligdom.  (Hebr. 10:19) Als wij zondigen, is God daarover niet teleurgesteld, omdat Hij wist wie we waren, toen Hij ons redde en alle zonden, ook die wij deden en nog zullen doen na onze behoudenis, gelegd heeft op Christus. Ook de Christen hoeft daarom, als hij zondigt, niet verontrust te zijn.

Dankzij het bloed van Christus blijft de gemeenschap met God altijd voor hem open. En bovendien:  "Indien iemand gezondigd heeft (eigenlijk; terwijl iemand zondigt), wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige". (1 Joh. 2:1) Op het moment, dat hij zondigt, is het Jezus Christus, gezeten aan de Gods rechterhand, die, als Zijn voorspraak, tussenbeide komt en God als 't ware herinnert, dat Hij met Zijn bloed ook voor deze zonde eenmaal betaald heeft. Daarom komt God niet met oordelen en verwijten. Onmiddellijk is dan alles in orde en is er niets meer dat aan onze gemeenschap als kind met de Hemelse Vader afbreuk kan doen.

Want: "Indien wij onze zonden belijden Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en reinige van alle ongerechtigheid".   ( 1 Joh. 1:9 )

 

Genomen uit: Band des vredes, Febr. 1946     Jb. K.H.