Christelijke ervaring

"Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwig leven hebt, en opdat gij gelooft in de Naam des Zoons van God." (1 Joh. 5:13).

Er is een opmerkelijk onderscheid tussen het Evangelie van Johannes en diens eerste brief aan de kinderen Gods. Het evangelie schreef hij ten behoeve van hen die niet geloofden, doch zijn brief schreef hij uitsluitend voor de gelovigen.
Als reden waarom hij het Evangelie schreef geeft hij aan: "opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebbe in Zijn Naam"  (Joh 20:31). Het lag dus in zijn bedoeling hen, die niet geloofden, te overtuigen dat Jezus de Christus is, de Zone Gods, opdat zij het eeuwige leven zouden ontvangen. Wat echter zijn brief betreft, schrijft hij aan gelovigen, opdat zij mogen weten dat zij het eeuwige leven hebben. Dus niet, opdat zij het eeuwige leven zouden verkrijgen, maar dat zij zich hun bezit bewust zouden worden. De bedoeling van de apostel is niet, dat zij zich dit bewust zouden worden door het geloof, maar door hun eigen levensopenbaring.

Daarom is deze brief ook een soort examen voor de kinderen Gods. Zij kunnen zichzelf toetsen aan dat wat Johannes schrijft, opdat zij, wanneer deze kenmerken in hen openbaar mogen worden, zouden weten, dat wat zij openbaren het "eeuwige Leven" is. De apostel Paulus wekt in de 2e brief aan de Korinthiërs de gelovigen ook op zichzelf te onderzoeken opdat zij door dat onderzoek zullen vaststellen, of zij al dan niet in het geloof wandelen. Hij zegt: "Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt,  beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is?"  (2 Kor. 13: 5).

Er is nog een onderscheid tussen het Evangelie van Johannes en deze eerste brief. Dit onderscheid betreft de inhoud of boodschap. De hoofdpersoon van deze boodschap is in beide dezelfde n.l. Jezus Christus, de Zoon van God, maar in zijn Evangelie spreekt hij over Hem als de oorzaak en in zijn brief als de voortbrenger van datzelfde leven. We lezen in het Evangelie: "Want al zo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".  (Joh. 3: 16).

U kunt dat eeuwige leven bezitten, maar dat wil nog niet zeggen dat u het eeuwige leven leeft (uitleeft).

Nu lag het in de bedoeling van Johannes de gelovige mee te delen hoe ze dat zouden kunnen openbaren. Hij zegt daarom ook: "Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem"  (1 Joh. 4:9).
In het Evangelie van Johannes vinden we dus de liefde van God voor de wereld en in zijn brief worden we bepaald bij de liefde van God voor ons (gelovigen). Wat de wereld betreft: "opdat een ieder die gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe". Wat de gelovigen betreft: "opdat zij zouden leven door de Here Jezus". Niet alleen dat de apostel ons meedeelt dat Christus de oorzaak en de bewerker van het eeuwige leven is voor de gelovige, maar hij maakt ook duidelijk dat Jezus Christus eeuwig leven is.
We lezen in  1 Joh, 5: 20b, "Jezus Christus, deze is de waarachtige God en het eeuwige leven".


Het eeuwige leven is dus een persoon en deze persoon is onze Heer en Heiland. Daarom zegt ook  1 Joh. 5: 11 en 12: "Dit leven is in Zijn Zoon. Die de Zoon heeft, die heeft het leven".
Het eeuwige leven, dat wij, die kinderen Gods zijn, bezitten is dus het leven van Jezus Christus zelf. Daarom kon de apostel ook zeggen: "Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij."  (Gal 2:20) Paulus leefde het leven van Christus hetwelk is het eeuwige leven. Bij de opening van zijn brief verhaalt Johannes hoe hij dat leven van Christus gezien heeft. Hij zegt: "Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij de Vader was, en ons is geopenbaard   (1 Joh. 1:2).

 
 


Johannes had de Here Jezus gekend en had in Hem het eeuwige leven aanschouwd. Het leven Gods was openbaar geworden in tegenstelling met het leven van de mensen. Hij zag dat leven die bron van blijdschap, die het hart gelukkig maakt, wat hij in Christus aanschouwde. Hij wenst ons (gelovigen) deelgenoot te maken van die blijdschap, opdat ook wij dat leven ervaren. Daarom zegt hij in het 3e en 4e vers: "Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij".  (1 Joh. 1:3,4)  


Vol blijdschap

levende in de gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. Wat een vooruitzicht. Eeuwig leven niet alleen bezitten, maar ook openbaren! Een leven van gemeenschap met God en met Christus! Zou het mogelijk zijn? Hoe kan dat?..... Zo iemand zal voorzeker zondeloos moeten leven!... De apostel denkt er zo niet over! Integendeel, hij zegt: "Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt"  (1Joh.2:1). Hij schrijft over dit gemeenschapsleven, omdat als gevolg van dit gemeenschapsleven de Christen niet zal zondigen. De vorm waarin dit 'opdat gij niet zondigt' in het Grieks is geschreven toont aan dat hier bedoeld wordt; een zondigen-uit-gewoonte, omdat de zonde heerst. Het is hetzelfde wat Paulus zegt in  Rom. 6:14: "want de zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade". Er is een groot onderscheid tussen "in zonde leven" en een "zonde begaan". Het eerste is de voortdurende openbaring van het vlees en het laatste een gevolg van het feit dat wij deze schat in aarden vaten hebben.

Gemeenschapsleven met God de Vader en Jezus Christus Zijn Zoon voorkomt de openbaring van het vlees (onze oude natuur). Dit gemeenschapsleven is het levensgeheim van de Christen. Als deze zich afvraagt: "Hoe kom ik van al die zonden af?" dan is het antwoord: "Wandel in gemeenschap met God". De apostel Johannes deelt mee hoe dit gemeenschapsleven verkregen wordt. Hij zegt: "Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij, (de Vader), in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander." (met Vader en Zoon).  (1 Joh. 1:7)

Hij zegt niet: "Hoe wij moeten wandelen, maar waar wij moeten wandelen. Namelijk in het licht! In het natuurlijke leven is het zo, dat hoe gebrekkiger we ons kunnen voortbewegen, hoe meer we het nodig zullen vinden het licht op te zoeken. Dit is in het geestelijke leven ook zo. Menig Christen echter kan zich niet indenken dat een Christen die zondigt in gemeenschap met God kan zijn. En toch is dit waar, omdat wij in Gods ogen gereinigd zijn van onze zonden door het bloed van Jezus Christus. Hij reinigde ons niet alleen van de zonden die wij bedreven vóórdat we door het geloof Christus aanvaard hebben als onze Verlosser en Zaligmaker, maar óók van de zonden, de wij nog doen gedurende ons ganse leven.

"Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde".   (1 Joh. 1:7b) God houdt dit voor waar en dáárom kan een zondigend Christen in gemeenschap met een heilig God leven. De geest van God onderwijst ons, dat wij ook dit voor waar zullen houden, opdat wij ondanks onze kreupele wandel in het licht komen d.i. de gemeenschap met God. We lezen in de Hebreeënbrief :
"Dewijl wij dan, broeders! vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom,
door het bloed van Jezus,"  (Hebr. 10:19)

Zo kunnen wij met vrijmoedigheid in het heiligdom of in de gemeenschap met God ingaan. “Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.”  (Hebr 10:22)

De gemeenschap met God blijft bestendigd. En de Christen leeft voort, geleid door de Geest van God en onderwezen door de Geest zoals  Titus 2 : 11 en 12 zegt: "Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig, rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld." Dit is alleen maar mogelijk als wij "in het licht wandelen". Duizenden christenen trachten dagelijks hun leven te beteren en het blijkt hopeloos te zijn. Als zij echter in het licht wandelen, kan de Geest van God, dat eeuwige leven wél in hen volbrengen. Dan is er voortdurende blijdschap en leeft de Christen gelukkig. Hij weet dan dat hij het eeuwige leven heeft.

Overgenomen uit: Band des vredes,
december 1940                                      

Klaas Rozendal