Bewaar mij o God

BEWAAR MIJ O, GOD!             

 

Moeten wij uit dit gebed van David   (Ps. 16 : 1) opmaken, dat hij er lang niet zeker van was, dat God hem bewaren zou? Ligt er twijfel en onzekerheid omtrent Gods liefde aan ten grondslag?

Het antwoord op deze vraag kan gemakkelijk gegeven worden. David zelf geeft het er direct bij: "Bewaar mij ,o God, want bij U schuil ik." (St. vert.: "want ik betrouw op U.")

 

Er is volstrekt geen twijfel of onzekerheid, maar meer een rustig vertrouwen in zijn hart, als hij God om bewaring bidt. Want hij WEET, dat God hem bewaren zal. Zijn gebed is een gebed des geloofs. Aan het eind van de Psalm (vs 9-10) komt dit heel sterk naar voren: "ook zal mijn vlees zeker wonen. Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie."

 

Daarbij zouden wij bedenken, dat deze Psalm een Messiaanse is. De apostelen Petrus en Paulus verzekeren ons met grote nadruk, dat het eigenlijk niet David is, maar Christus, die in deze psalm sprekende wordt ingevoerd door de Geest van God.( Zie Hand. 2 en 13). David heeft niet van zichzelf gesproken, maar "van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch Zijn vlees ontbinding heeft gezien"  (Hand 2:31)

Het is de Heer Jezus geweest, Die op aarde, met het oog op de naderende machten van satan en dood, gebeden heeft: "Bewaar Mij, o God".

Afhankelijkheid
 

Wist de Heiland dan niet, dat God Hem bewaren zou? Twijfelde Hij aan die bewaring? Kwam Zijn bede voort uit onzekerheid?

Nee. Wetende dat God Hem bewaren zou, volkomen vertrouwende op de zorg van Zijn Vader, wendde Hij Zich tot Hem met de bede: "Bewaar Mij, o God". Het Evangelie van Lukas, dat ons de Heiland in Zijn waarachtige en volmaakte mensheid tekent, vertelt ons van niet minder dan zeven verschillende gelegenheden waarbij Hij in gebed was. Is zo vaak bidden, een uiting van gebrek aan vertrouwen? Nee, het is de uiting van die diepe afhankelijkheid, die de mens tegenover God hoort te hebben, die gepaard gaat met een volkomen geloofsvertrouwen. De Heiland, Die voor Zichzelf bad om de goddelijke bewaring, heeft dit ook gevraagd voor Zijn discipelen, als Hij niet meer bij hen zou zijn. "Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, dien Gij Mij gegeven hebt……Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, dien Gij Mij gegeven hebt…….Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, doch dat Gij hen bewaart voor de boze."  ( Joh. 17:11-15). Twijfelde Jezus er dan aan, dat Zijn hemelse Vader de discipelen zou bewaren? Natuurlijk niet; maar juist omdat Hij het wist, droeg Hij de Zijnen in volmaakt vertrouwen aan Zijn Vader op.  

 

Behoeven wij dan niet om bewaring te bidden? Als onze hemelse Hogepriester nog heden om bewaring voor ons bidt, behoeven wij het dan niet te doen?  Ik wil eerlijk bekennen, dat ik dagelijks behoefte heb, te bidden om bewaring, om hulp, om zegen, om genade, om kracht, om troost, voor mijzelf, en voor mijn mede-gelovigen. En als ik om deze dingen bid, dan weet ik, dat ik verhoord zal worden, omdat God ze mij  alle heeft toegezegd.

 

Niemand zegt mij dat ik niet moet bidden om de dingen, die God mij uitdrukkelijk beloofd heeft. Er zijn dingen, die ik uit genade reeds bezit, en DAAROM bid ik niet. Ik bid niet om verzoening van mijn zonden, om reiniging van mijn hart door het bloed van Christus,

om rechtvaardiging door het geloof, om vrede voor het geweten, om de zalving van de Heilige Geest en om het kindschap Gods. Ik KAN daar onmogelijk om bidden, want ik HEB ze reeds sinds jaren; ik kan er alleen, en nooit genoeg, voor danken. Maar om al die dingen, waaraan ik als kind van God en pelgrim in deze wereld

behoefte heb, vandaag, morgen, overmorgen, DAAROM bid ik.

En dan WEET ik, dat Hij ze mij geven zal, zodat ik aan het gebed onmiddellijk de dankzegging voor de verhoring kan paren.

 

Elia

Wiens gebed wordt ons in het N. Testament als een "krachtig gebed", een "gebed des geloofs", ten voorbeeld voorgehouden?  Van ELIA. "Hij deed een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang; en hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen."  ( Jac, 5 : 17 en 18).


Maar toen Elia op de Karmel zich op de grond boog met zijn aangezicht tussen zijn knieën  (1Kon 18:42)," en tot zevenmaal zijn dienaar uitzond om te zien of er nog geen regen op komst was, toen wist hij tevoren al, dat er regen zou komen.    

Want God had hem beloofd, dagen geleden reeds: "Ik zal regen geven op de aardbodem", en hijzelf, niet twijfelend aan Gods beloften, had zonet nog tegen Achab gezegd: "Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedige regen." En omdat Elia dit wist, (niet omdat hij twijfelde), bad hij tot God om regen, en BLEEF bidden, totdat de opkomende "kleine wolk, als eens mans hand" hem de verhoring van zijn gebed toonde.
 Wij mogen daaruit besluiten, dat het drie en een half jaar vroeger precies zo is gegaan. Eerst zien wij hem tot Achab gaan met de boodschap van Godswege: "Indien deze jaren dauw of regen zijn zal tenzij dan naar mijn Woord!"  (1 kon 17:1) En daarna, aan de beek Krith, als enkele maanden later de regentijd weer aanbreekt in Palestina, bidt hij zijn gebed, dat het niet regenen zal.

 

Zijn deze dingen zo vreemd? Ik meen, dat ze voor een Christen de meest natuurlijke zaak der wereld zijn.

Alleen het koud-redenerend verstand zou ons in verwarring kunnen brengen. Wat een heerlijk voorrecht om zo tot God te mogen bidden! "Dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort."  (1 Joh. 5 : 14). Wij kunnen alleen bidden "naar Zijn wil", wanneer wij bidden om datgene, wat Hij ons beloofd heeft.

"Bewaar mij, o God !"  is een gebed naar Zijn wil. En hoe geweldig is het dan, als wij mogen ervaren, dat Hij ons gebed verHOORT!" Indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben verkregen, die wij van Hem hebben gebeden." (vs. 15)

Een ervaring, die het onophoudelijk deel is van wie volhardt in het gebed.  "Indien gij Mij iets vraagt, in Mijn naam, Ik zal het doen." (Joh. 14 : 14). “….opdat de Vader u geve, wat gij Hem bidt in Mijn naam." ( Joh. 15 : 16). Wij kunnen alleen bidden in Jezus' naam om datgene, wat hij ons beloofd heeft. "Bewaar mij, o God en Vader;

Bewaar mij, o Heer Jezus!" kunnen we bidden in Jezus' naam.

"Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden."  (Joh. 15 : 7).

Als "Mijn woorden in u blijven". Dan houden wij dus vast aan Zijn onderwijzingen en Zijn beloften, en laten ons daardoor geheel leiden. Dan is onze wil geen andere dan Zijn wil; want wij blijven in Hem.

Dan bidden wij om bewaring, om zegen, om hulp, om genade, om al hetgeen Hij ons beloofd heeft te zullen schenken op de pelgrimsweg door dit leven, en hebben de volle zekerheid, dat Hij het ons alles schenken zal.

 

Door genade
 

Ziedaar het zalig voorrecht niet van enkele, maar van al Gods kinderen. Wat een vrede voor onze harten!

Wat een blijdschap! "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als Gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn naam. Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn naam: bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij."  (Joh. 16 : 23, 24).

"Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover God, en ontvangen wij van Hem, daar wij Zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor Zijn aangezicht."  (1 Joh. 3 : 21, 22).

Is de ervaring, dat op bidden zeker de verhoring volgt, dan slechts het deel van een enkeling? Ik las dat een dezer dagen, nog wel met aanhaling van bovenstaande tekst. Maar die tekst, en het hele onderwijs van de Heer, leert ons anders. Ze is niet maar een deel van enkele vergevorderde gelovigen, maar het dagelijks voorrecht van alle kinderen Gods, die in eenvoud met de Heer hun weg gaan.
 

Het is dan ook niet onze bedoeling, dat u zult gaan proberen, door een ijveriger gebedsleven u zelf op te werken tot een soort hogere trap van heiligheid. Maar wel, dat u meer een overvloedig gebruik zult gaan maken van het voorrecht, dat u door genade samen met AL Gods kinderen hebt ontvangen. Om zo uw noden en behoeften voor te leggen aan uw hemelse Vader. En dagelijks de belangen van het werk van de Heer en van heel Gods gemeente in uw voorbede te gedenken. "Bidt zonder ophouden."  (1 Thess. 5 : 17).

"Volhardt in het gebed, weest daarbij waakzaam en dankt en bidt tevens voor ons."(Coll. 4 : 2,3).  "Bidt en u zal gegeven worden."(Matth. 7 : 7). In het opvolgen van dit advies ligt een ZEER rijke zegen.

 
Overgenomen uit: Band des vredes,
augustus 1947                                      

A.K.H.