Betekenis brood en beker

Telos geciteerd

Inleiding

Wanneer men vandaag de dag avondmaal viert, doet men dat door brood en wijn uit te delen. De term ‘avondmaal’ heeft van oorsprong betrekking op de grote maaltijd van de dag, zoals de warme maaltijd die wij kennen. Juist omdat de Heere Jezus bij het laatste avondmaal Brood & Beker instelde, wordt deze term daarvoor gebruikt. 

Hoewel er dus geen sprake meer is van een echt avond-maal, is voor iedereen wel bekend wat er mee bedoeld wordt. Over de vraag waar Brood & Beker voor staan, wordt verschillend gedacht. In dit artikel willen we de verschillende bijbelverzen naast elkaar leggen om te ontdekken wat we uitbeelden als wij Brood & Beker met elkaar delen.

De instelling van Brood & Beker

Wanneer de Heere Jezus het Pascha met Zijn discipelen viert, neemt Hij brood en een beker wijn en geeft daarbij de opdracht om dit te doen tot Zijn gedachtenis. In 1 Korinthe 11 en in de synoptische evangeliën staat beschreven welke toelichting erbij gegeven werd door de Heere Jezus. Door Mattheüs en Lukas naast elkaar te leggen, wordt een duidelijk beeld geschetst. 

  • Terwijl zij nu aten, nam Jezus brood en nadat Hij had gezegend, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en zei: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. En Hij nam de drinkbeker, en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zei: Drinkt allen daaruit. Want dit is mijn bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. (Mattheus 26:26-28).
  • En Hij nam brood en nadat Hij had gedankt, brak Hij het en gaf het hun en zei: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.
    (Lukas 22:19-20).
  1. Het brood dat wij breken en met elkaar delen is tot gedachtenis van Christus en het staat symbool voor Zijn lichaam dat Hij gaf voor ons.

  2. De beker wijn die wij met elkaar delen staat symbool voor het bloed van het Nieuwe Verbond dat voor ons werd uitgegoten tot vergeving van zonden. 

Het lichaam van Christus

Dat het brood symbool staat voor het lichaam van Christus is overduidelijk. Maar daarmee is nog niet verklaard wat wij ermee uitbeelden door te eten van wat Hij voor ons gegeven heeft. 

‘Het brood staat voor het letterlijke lichaam van Christus, niet voor de Gemeente’

In enkele van zijn brieven legt Paulus uit dat de Gemeente het lichaam is van Christus en dat Christus het hoofd is (Kol.1:18,24). Sommige Bijbelleraren leggen hier de link met Brood & Beker en zeggen dat het brood dit Lichaam van Christus uitbeeldt. Dat dit niet klopt blijkt uit het feit dat de Heere Jezus zegt dat dit Lichaam juist voor de discipelen gegeven wordt. Dat kan over de Gemeente niet gezegd worden. De Gemeente wordt niet voor de discipelen gegeven. Tevens is het niet logisch dat de symbolische uitdrukking (brood staat voor lichaam) zou slaan op een an-dere symbolische uitdrukking (lichaam staat voor Gemeente). Het gaat hierbij om het letterlijke lichaam van Christus dat Hij gegeven heeft en de betekenis hiervan wordt duidelijk als dit naast Hebreeën 10 wordt gelegd: 

  • Daarom zegt Hij bij zijn komen in de wereld: ‘Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid; in brandoffers en zondoffers hebt U geen behagen gehad. Toen zei Ik: zie, Ik kom (in de boekrol is over Mij geschreven) om uw wil te doen, O God!’ Terwijl Hij vooraf zei: ‘Slachtoffers en offeranden, brandoffers en zondoffers hebt U niet gewild en U hebt er geen behagen in gehad’ (die naar de wet geofferd worden), zei Hij daarna: ‘Zie, Ik kom om uw wil te doen’. Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen. Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd (Hebreeën 10:5-10).

God had voor de Heere Jezus een lichaam gereedgemaakt. Het is juist dat lichaam van Jezus Christus dat Hij geofferd heeft voor onze zonden (vers 12). Doordat Hij de wil had om Zijn li-chaam te offeren, zijn wij geheiligd. Met dat de Heere Jezus Zijn lichaam zou geven voor ons, doelde Hij op het feit dat Hij het zou geven (offeren) aan God. 

Het offer dat de Heere Jezus bracht met Zijn lichaam was voor onze zonden. Petrus wijst erop dat Hij juist die zonden in Zijn lichaam gedragen heeft. 

  • (Hij) Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven: ‘door zijn striemen bent u gezond geworden’ (1 Petrus 2:24).

Juist doordat Hij onze zonden en onze straf droeg, kunnen wij nu zonder schuld voor God staan. Wat belangrijk is, is dat wij bedenken dat Christus niet in de dood is gebleven en dat Hij een ver-heerlijkt lichaam heeft gekregen na Zijn opstanding (Filippenzen 3:21). En juist in die hoedanig-heid heeft Hij Zijn offer aangeboden aan God, namelijk als Hogepriester. 

Wanneer wij het brood eten, beelden wij uit dat wij samen deel hebben aan het (geofferde) lichaam van Christus. Paulus bespreekt dit ook in de eerste brief aan Korinthe en schrijft daar-over:

  • Het brood dat wij breken, is dat niet de gemeenschap met het lichaam van Christus? (1 Korinthe 10:16b)

De gemeenschap die wij met het lichaam van Christus hebben, wordt dus uitgebeeld in het brood dat wij eten. Wat deze eenwording inhoudt, wordt prachtig verwoord door Paulus in Ro-meinen 6: 

  • 3  Of weet u niet, dat wij allen die tot* Christus Jezus gedoopt zijn, tot* zijn dood gedoopt zijn? 4  Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot* de dood, opdat, zoals Christus uit de doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wande-len. 5  Want als wij met hem een geworden zijn in de gelijkheid van zijn dood, dan zullen wij het ook zijn in de gelijkheid van zijn opstanding (Romeinen 6:3-5).

* waar de Telos het woord ‘tot’ gebruikt, staat in de grondtekst het woord εις (eis) en dat wil zeggen 'naar binnen'. De SVV vertaalt dit woord met 'in'.  

Door onze doop zijn wij één met Hem geworden en daarbij ook met Hem gestorven, begraven en opgestaan. Het is belangrijk om vast te houden dat het eten van het brood uitdrukking geeft aan al die aspecten. Het ‘met Hem gestorven zijn’ heeft betrekking op ‘het dood zijn van ons oude leven’ en ‘het met Hem opgestaan zijn’ heeft betrekking op ‘het nieuwe leven’. Het laat-ste komt niet zonder het eerste.

‘Door samen te eten van het brood beelden we uit dat we allen één zijn met Christus en daarom ook samen één zijn’

Dat het bij het eten van het brood gaat om het lichaam dat Christus geofferd heeft, blijkt ook uit de verdere beschrijving in 1 Korinthe 10 waar Paulus het tegenover het offervlees stelt dat de heidenen eten. 

  • Want wij, de velen, zijn een brood, een lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood. Kijkt u naar Israël naar het vlees. Hebben niet zij die offers eten, gemeenschap met het altaar? Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is? Nee, maar dat wat de volken offeren, zij dat aan de demonen offeren en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen. U kunt niet de drinkbeker van de Heer drinken en de drinkbeker van de demonen; u kunt niet deelnemen aan de tafel van de Heer en aan de tafel van de demonen (1 Korinthe 10:17-21).

Paulus legt uit dat wij, die met vele zijn, deel hebben aan het ene lichaam van Christus, het brood. En juist daarom zijn wij één lichaam, omdat wij aan hetzelfde lichaam deel hebben. Ver-volgens wijst hij op het principe dat wie van de offers eten gemeenschap hebben met het al-taar. Dat dit typologisch slaat op het eten van het Brood en dus op de gemeenschap met Chris-tus blijkt overduidelijk als Paulus in vers 21 de ‘tafel des Heeren’ noemt. Want dit begrip is ont-leend aan de offerdienst (Ezechiël 41:22; 44:16; Maleachi 1:7,12). De tafel des Heeren wordt ge-bruikt als uitdrukking voor het altaar waarop de offeranden aan God werden aangeboden. 

Als Paulus dus schrijft over dat wij deel hebben aan de tafel des Heeren, doelt hij op het eten van het offer, namelijk het lichaam van Christus dat Hij voor ons gegeven heeft. Als wij eten van het brood hebben we gemeenschap met dat lichaam van Christus dat Hij aan God heeft gege-ven. Als wij dit delen en eten tot Zijn gedachtenis dan denken wij aan Zijn offer, namelijk aan Zijn sterven, dood, opstanding en het aanbieden (offer) van Zijn lichaam aan God in de hemel. 

Het bloed van Christus

Dat de beker symbool staat voor het bloed van Christus is overduidelijk. De Heere Jezus vertelt daarbij dat Zijn bloed het bloed van het Nieuwe Verbond is en ook dat het vergoten wordt tot vergeving van onze zonden. 

Om goed te begrijpen wat de betekenis is van het ‘bloed van het Nieuwe Verbond’, is het be-langrijk om te weten wat ‘het bloed van het Oude Verbond’ betekent. Hier is Hebreeën 9 heel duidelijk over: 

  • Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen. En daarom is Hij middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen. (Want waar een testament is, daar is het nodig dat de dood van de testamentmaker vaststaat; want een testament wordt geldig als de dood is ingetreden, daar het nimmer kracht heeft zolang de testamentmaker leeft.) Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van de kalveren en de bokken met water en scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk, en zei: ‘Dit is het bloed van het verbond dat God u geboden heeft’. En evenzo besprenkelde hij zowel de tabernakel als alle vaten van de dienst met het bloed. En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen verge-ving (Hebreeën 9:14-22).

Bij een verbond werkt het net zoals bij een testament dat wij vandaag de dag nog kennen. Het testament is pas van kracht als de testamentmaker gestorven is. Daarom wordt een verbond ook met bloed ingewijd, als teken dat de testamentmaker dood is. Bij het Oude Verbond ge-beurde dit door het bloed van bokken en kalveren, zoals hierboven beschreven. 

Het bloed van de dieren diende als plaatsvervangend voor de dood van de testamentmaker van het Oude Verbond. Zoals het bloed van de dieren dus een bewijs was van de dood van de tes-tamentmaker en daarmee dus het oude testament van kracht werd, zo is het bloed van Christus dus het bewijs van de dood van de Testamentmaker en dus de bekrachtiging van het Nieuwe Verbond. Door Zijn dood is het Nieuwe Verbond van kracht geworden. En het is ingewijd door het bloed van het Nieuwe Testament, namelijk het bloed van Christus.

‘Het bloed van Christus bewees Zijn dood en bekrachtigde daarmee het Nieuwe Verbond’ 

In 1 Korinthe 11 bespreekt Paulus de misstanden rondom Brood & Beker in de gemeente. Hij geeft daarbij een toelichting op de betekenis van Brood & Beker:

  • Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam; en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot mijn gedachtenis’. Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot mijn gedachtenis’. Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, ver-kondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt (1 Korinthe 11:23-26).

In het laatste vers staat dat als wij het brood eten en de drinkbeker drinken dat we dan de dood van de Heere verkondigen. Als we dit in het licht van het bovenstaande bekijken dan begrijpen we dat de dood van de Heere Jezus inhoudt dat onze zonden zijn weggenomen (gedragen in Zijn lichaam op het hout) en dat het Nieuwe Verbond is bekrachtigd door Zijn bloed. 

Paulus vervolgt dan ook dat we dit moeten blijven doen, totdat Christus terugkomt. Met deze woorden impliceert hij dat we niet moeten blijven stilstaan bij Zijn dood, maar veelmeer bij onze gemeenschap (maaltijd) met Christus die wij hebben op grond van Zijn volbrachte verlossings-werk.

Het andere aspect van het bloed van Christus is dat het vergoten werd tot vergeving van zon-den. Dat lazen we ook in Hebreeën 9:22, namelijk dat er zonder bloedstorting geen vergeving is. En ook het bloed van Christus is naast Zijn Lichaam een onderdeel van Zijn offer voor onze zon-den. Veelal blijft men hierbij stilstaan bij het bloed van Zijn kruis, maar in de Hebreeënbrief wordt ons duidelijk gemaakt dat Christus met Zijn bloed de hemelen is doorgegaan en dat ook wij besprenkeld worden door Zijn bloed en op die manier gereinigd worden (verg. Hebreeën 9:21-22, 12:24, 1 Petrus 1:2). 

‘De Beker wijn staat voor het bloed van Christus waardoor Hij ons nog steeds reinigt vandaag de dag’ 

Juist het uitgieten van het bloed gebeurde bij het altaar en het besprenkelen van het bloed ge-beurde in het heilige en heilige der heiligen. Dus als wij stilstaan bij het bloed van Christus moe-ten wij beseffen dat Hij de reinigmaking van onze zonden in Zichzelf tot stand heeft gebracht, namelijk door voor ons te lijden en te sterven, maar dat Hij met ditzelfde bloed ons ook nog steeds reinigt in de hoedanigheid als Hogepriester. 

 

  1. Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, en het mooie daarbij is dat Melchizedek ook Brood en (Beker) wijn voortbracht:
     
  2.  En Melchizédek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods (SVV: Genesis 14:18).
     
  3.  Hiermee werd dus al uitdrukking gegeven aan het deel krijgen aan het verlos-singswerk van onze Hogepriester, Die Zijn lichaam en bloed gegeven heeft, zodat wij het leven konden ontvangen. 

Tot slot

Er is natuurlijk veel meer te schrijven over Brood & Beker, maar het belangrijkste aspect is dat wij ons goed bewust zouden zijn van wat wij uitbeelden als wij eten van het brood en drinken van de wijn. En dat is dat wij eten en drinken van het offer van Christus dat Hij aan Onze Vader aanbood. En juist doordat wij daarvan eten, bevestigen wij Zijn verlossingswerk en onze een-wording met Hem. Het getuigt van heiliging, reiniging van zonden en het aanbreken van en deel hebben aan het Nieuwe Verbond. 

Hem komt hiervoor alle lof en eer toe, want Hij heeft het volbracht tot eer van onze Vader.

 

GHB