Dagboek
Dinsdag 21 augustus 2018
God woonde temidden van Zijn verloste volk in het Heilige der heiligen, dat van het Heilige gescheiden was door een voorhangsel (Exodus 26:31-33). De weg tot dat Heilige der heiligen was voor iedereen gesloten. Slechts ťťnmaal per jaar mocht de hogepriester binnengaan met bloed om verzoening voor het volk te doen (Leviticus 16).
Al de offeranden hadden slechts ťťn doel, nl. om het mogelijk te maken dat de Heilige God kon wonen in het Heiligdom temidden van Zijn verloste volk. Toen Jezus Christus het werk der verlossing op Golgotha had volbracht, scheurde het voorhangsel van boven naar beneden doormidden. Al de offeranden met hun ceremonieŽn hadden plotseling hun functie verloren. Het waren schaduwdiensten, die wezen naar Christus. In Kolossensen 2:17 staat: "Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus".
In HebreeŽn 10:19-22 leert het Woord ons die geloven, dat wij volle vrijmoedigheid hebben om in te gaan in Gods Heiligdom dat Boven is door het bloed van Jezus Christus, onze Hogepriester. De gelovige IsraŽliet mocht zijn hogepriester niet in het Heiligdom volgen. Van onze Hogepriester zegt het Woord: "Daar de VOORLOPER voor ons is ingegaan, Jezus ....." (HebreeŽn 6:20).
Wij mogen Hem volgen in het Heiligdom. Christus heeft de nieuwe, levende weg daarheen ingewijd door het voorhangsel, dat is Zijn vlees. Hij is met Zijn bloed het Heiligdom ingegaan en heeft voor ons verzoening aangebracht, zodat de Heilige God ons altijd in Zijn nabijheid kan ontvangen. Wij hebben de vrije toegang gekregen tot het Heilige der heiligen dat boven is.
Hoe wonderbaar veelomvattend is het werk der verlossing van Jezus Christus. Eenmaal bij de voleinding der eeuwen is Christus geopenbaard om door Zijn offer de zonde teniet te doen (HebreeŽn 9:26). In Hem worden wij geheiligd, apart gezet, en zijn wij voor eeuwig volmaakt (HebreeŽn 10:14) Wij, eens verloren zondaars, zijn voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Christus (HebreeŽn 10:10).


Lezen: HebreeŽn 10:19-22